wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

financieel management

Total questions: 22

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

De balans bestaat uit de zijde, welke zijn dit ?

a)

Debet/ Credit

b)

Vlottende activa en vaste activa

2.

is de volgende bewering juist?:

het eigenvermogen staat aan de credit zijde.

a)

ja

b)

nee

3.

De term vast activa is een term die voorkomt op de debet zijde.

vraag: waar staat vaste activa voor?

a)

debiteuren

b)

kort lopende schulden

c)

bezittingen die je langer dan een jaar hebt

d)

crediteuren

4.

De term vlottende activa staat aan de debet zijde.

Vraag: waar staat deze term voor?

a)

crediteuren

b)

eigenvermogen

c)

bezit van gebouwen en machines

d)

opeenstaande facturen van klanten en voorraad

5.

Kort vreemd vermogen is een term die aan de credit zijde staat.

Vraag: waar staat deze term voor ?

a)

crediteuren

b)

debiteuren

c)

hypotheek

d)

eigenvermogen

6.

BTW staat voor belasting toegevoegde waarde.

vraag: de te betalen belasting staat aan de ..........?

a)

debet zijde

b)

credit zijde

7.

kas en voorraad staan aan de ............?

a)

Debet zijde

b)

Credit zijde

8.

De hulp rekeningen voor het eigen vermogen zijn?

a)

eigenvermogen + crediteuren

b)

kortlopend leningen + Lang lopende leningen + eigen vermogen

c)

opbrengst verkopen+

inkoopprijs verkopen+kosten

d)

te verekenen BTW ontvangen en te betalen

9.

De Debet zijde is verdeeld in 2 zijde, welke zijn dit ?

a)

vaste en vlottende activa

b)

kort en lang vreemd vermogen

c)

debiteuren en crediteuren

d)

Voorraad en kas

10.

Waarom maakt een ondernemer een winst en verliesrekening?

a)

om zijn crediteuren te kunnen berekenen

b)

Om uit te rekeningen wat zijn debiteuren zijn

c)

BTW aangifte te kunnen doen

d)

eigenvermogen te berekenen

11.

vaste kosten zijn?

a)

huisvesting, personeel, verzekering, afschrijving en administratie

b)

personeel, opslag en inkoop

12.

slager ''het slachtvarken'' heeft zijn omzet gebudgetteerd op 650.000 euro, zijn omzet was voor vleeswaren 259.000 vers vlees 316.000 en voor maaltijden 95.000.

Heeft hij zijn budgettering gehaald en met hoeveel ?

a)

Nee, een tekort van 20.000 euro

b)

ja, 20.000 boven de budgettering

c)

Hij heeft zijn budgettering gehaald maar niet extra's

13.

bereken de bruto winst:

verkoop 15000, inkoop 8000, kosten 2000

a)

brutowinst

5000

b)

brutowinst:

25000

c)

brutowinst:

7000

14.

Wat is het bedrijfsresultaat?

omzet verkopen 15000, inkoopprijs 8000, kosten 1500

a)

5500

b)

7000

c)

13500

15.

Bereken de brutowinst marge:

Omzet 15000, inkoop 9000

a)

40 %

b)

60 %

c)

25 %

d)

45 %

16.

De bruto winst van slagerij ''het slachtvarken'' heeft de volgende ontwikkelingen gehad: 2019 - 45%, 2020- 44,8 % en in 2021 43,9 %.

Beschrijf waardoor dit zou kunnen komen, minimaal 2 redenen.

4 lines
17.

Bereken de netto winst marge van Slagerij '' het slachtvarken''

Omzetverkopen 20000, inkoop 13000, kosten 3500

a)

35%

b)

17,5%

c)

82,5%

18.

Wat is de gecorrigeerde inkoopprijs van dit product:

inkoop gewicht 30 kg

inkoopprijs 12 euro per KG

bewerkingsverlies is 2,5 KG

a)

13.09 euro

b)

11,07 euro

c)

12,50 euro

d)

14,50 euro

19.

Inkoop van een product is 10 euro per KG, kostenopslag is 35 %

vraag: wat is de kosten opslag per kilo voor dit product?

a)

6,50 euro

b)

3,50 euro

c)

13,50 euro

d)

15 euro

20.

Wat zijn de momenten dat je gaat calculeren in je bedrijf? (meerdere antwoorden goed)

a)

Kosten bewust weken

b)

Proces aansturen en bijsturen

c)

Winst berekening

d)

Kosten bewust werken

e)

BTW teruggave berekenen

21.

Welke informatie kan je uit een kassa systeem halen?

(meerdere antwoorden goed )

a)

omzet

b)

aantal betalingen

c)

productiviteit

d)

gemiddelde aankoop bedrag

e)

berekening van je grootboek rekening

22.

Wat is het voordeel van goed kassa beheer?

a)

je maakt geen fouten

b)

zo min mogelijk kas verschil

c)

de ondernemer weet hoeveel winst hij maakt

d)

de ondernemer kan zijn geld stromen zien