wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Medi Bio

Total questions: 83

Worksheet time: 44mins

Name
Class
Date
1.
Uit welke twee lagen bestaat de opperhuid?
a)
opperhuid en kiemlaag
b)
hoornlaag en opperhuid
c)
hoornlaag en kiemlaag
d)
kiemlaag en lederhuid
2.
Wat zijn je zintuigen?
a)
ogen, oren, mond, neus, handen
b)
ogen, tong, oren, huid, neus
c)
ogen, voeten, mond, huid, neus
d)
ogen, oren, tong, huid, gevoel
3.
In welke laag van de huid vind je de zweetkliertjes?
a)
Opperhuid
b)
Lederhuid
c)
Onderhuids bindweefsel
4.
Welke nummer is haar
a)
1
b)
4
c)
7
d)
8
5.
voor welke  smaken is je tong het gevoeligst?
a)
melk,boter,zoet,zout
b)
bitter,zoet,water,zout
c)
zoet,zuur,bitter,zout
d)
zoet,zuur,bitter,zout
6.
Welke nummers  hamer en aambeeld en stijgbeugel
a)
4, 5 en 10
b)
3, 4 en 5
c)
3, 4 en 6
d)
4 , 5 en 9
7.
Wat is nummer 10
a)
oorgang
b)
trommelvlies
c)
buis van eustachius
d)
oorzenuw
8.
Regelt de luchtdruk in de trommelvlies
a)
hamer en aambeeld
b)
buis van eustachius
c)
slakkenhuis
9.
vervoert impulsen naar de hersenen
a)
slakkenhuis
b)
buis van eustachius
c)
oorzenuw
d)
trommelvlies
10.

de meeste zintuigen zitten in je

a)

buik

b)

hoofd

c)

grote teen

d)

handen

11.

In een zintuig komt een prikkel binnen. Die prikkels kunnen zijn..

a)

geluidsgolven, licht, warmte, koude en pijn

b)

geluidsgolven, licht, reuk en smaak

c)

licht, opgeloste smaakstoffen, reuk en geur

d)

opgeloste geurstoffen, licht, geluid en smaak

12.

Het oog is het zintuig om licht op te vangen. In welke laag van het oog bevinden zich de zintuigen voor het licht?

a)

harde oogvlies

b)

vaatvlies

c)

netvlies

13.

In welke deel van het oog bevinden zich de meeste zintuigen om een goed beeld te kunnen vormen?

a)

blinde vlek

b)

gele vlek

c)

gehele netvlies

14.

Het oog licht beschermd in de oogkas van de schedel. Hoe wordt het oog vochtig en schoon gehouden?

a)

Door de aanwezigheid van de wimpers

b)

Doordat de oogleden knipperen

c)

Door de aanwezigheid van wenkbrauwen

15.

Als je gevoeliger wordt voor een adequate prikkel, dan is de drempelwaarde gestegen.

a)

Juist

b)

Onjuist

16.

Als fel licht plots op je netvlies valt, dan...

a)

Spannen je kringspieren aan, waardoor je iris kleiner wordt

b)

Ontspannen je kringspieren waardoor de iris groter wordt

c)

Spannen je kringspieren aan, waardoor de pupil kleiner wordt

d)

Ontspannen je kringspieren, waardoor de pupil groter wordt

17.

Voor het zien van dichtbij heb je een ... lens nodig

a)

Platte

b)

Bolle

18.

accommoderen is...

a)

Het groter en kleiner worden van je pupil

b)

Je lens die platter of boller wordt.

c)

Het platter of boller worden van de pupil

d)

Het groter en kleiner worden van de lens

19.
In de zintuigen wordt van een prikkel een
a)
taak gemaakt
b)
afdruk gemaakt
c)
impuls gemaakt
d)

zenuw gemaakt

20.
Bij welk zintuig hoort deze afbeelding?
a)
Gehoor-zintuig
b)
Gezichts-zintuig
c)
Reuk-zintuig
d)
Smaak-zintuig
21.
Overdag kun je het beste kleuren zien met 
a)
Staafjes uit de blinde vlek
b)
kegeltjes uit de blinde vlek
c)
staafjes uit de gele vlek
d)
kegeltjes uit de gele vlek
22.
Wat doet de buis van Eustachius?
a)
Trommelvlies soepel houden
b)
luchttrillingen doorgeven
c)
luchtdruk gelijk houden
d)
oor schoonhouden
23.

Wat moet er volgens jou nog een keer behandeld worden

(a)  

24.

welke zintuig heeft je huid

a)

reukzintuigen

b)

lichtzintuigen

c)

tastzintuigen

d)

smaakzintuigen

25.

elk zintuig zet prikkels om in een....

a)

zenuw

b)

prikkel

c)

impuls

d)

elektrische signaal

26.

In de zintuigen wordt van een prikkel een

a)

taak gemaakt

b)

afdruk gemaakt

c)

impuls gemaakt

d)

inpuls

27.

Wat kun je met je zintuigen doen?

a)

informatie uit je omgeving zien

b)

informatie uit je omgeving waarnemen

c)

informatie uit je omgeving horen

28.

Welke antwoorden zijn een voorbeeld van prikkels? Meerdere antwoorden zijn goed.

a)

Licht en geur

b)

Pijn en geluid

c)

Huid en tong

d)

Smaakzintuig en reukzintuig

29.
Hoeveel soorten zenuwcellen bestaan er?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
30.

Waar of niet waar? Je bent pas bewust van iets van buitenaf als het signaal in je grote hersenen is verwerkt

a)

Waar

b)

Niet waar

31.

Twee leerlingen doen elk een bewering over schade aan delen van het zintuigenstelsel en het zenuwstelsel.

Mariam zegt: 'Door schade aan een zintuig kunnen in dit zintuig wellicht geen impulsen meer ontstaan.'

June zegt: 'Door schade aan de hersenstam kan verlamming van het gehele lichaam ontstaan.' Wie heeft gelijk?

a)

Mariam heeft gelijk

b)

June heeft gelijk

c)

geen van beiden heeft geljk

d)

beiden hebben gelijk

32.

De ooglidreflex kan ook optreden als de buitenste laag van de ogen te droog wordt. De zenuwuiteinden in de buitenste laag van het oog worden dan geprikkeld.


Van welk type zenuwcellen maken deze zenuwuiteinden deel uit?

a)

van bewegingszenuwen

b)

van gevoelszenuwen

c)

van schakelcellen

33.

wat betekent adequate prikkel

a)

dat het een prikkel is die opgepikt wordt door het juiste zintuig

b)

dat elke zintuigcel deze prikkel kan verwerken

34.

Als je een geur ruikt, kan deze alleen verwerkt worden door een

a)

warmte zintuigecel

b)

geurzintuigcel

c)

drukzintuigcel

d)

pijnzintuigcel

35.

welke zintuigcel is gevoeliger voor een bepaalde prikkel

a)

een zintuigcel met een lage drempelwaarde

b)

een zintuig met een hoge dremelwaarde

36.

Jan zegt: de grijze stof bevat cellichamen van schakelcellen.

An beweert: de grijze stof bevat cellichamen van bewegingszenuwcellen.

Wie heeft / hebben er gelijk?

a)

Alleen Jan

b)

Alleen An

c)

Beide

d)

Geen van beide

37.
Bewust worden gebeurt in de spieren.
a)
Juist
b)
Onjuist
38.
Het centrale zenuw-stelsel bestaat uit:
a)
Zenuwen
b)
Zenuwen en de hersenen
c)
Zenuwen en het ruggenmerg
d)
De hersenen en het ruggenmerg
39.
Met deze vlek kan je niets zien.
a)
Gele vlek
b)
Blinde vlek
c)
Lege vlek
d)
Zenuw vlek
40.
De pupil is eigenlijk een opening in plaats van een zwart gedeelte.
a)
Juist
b)
Onjuist
41.

Een zenuwcel bestaat uit een aantal onderdelen. Nummer 1 is ..

a)

het cellichaam

b)

de korte uitloper

c)

de lange uitloper

d)

de celkern van het cellichaam

42.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

43.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

44.

Op de afbeelding zie je een onderaanzicht van de hersenen. De onderdelen zijn aangegeven met A, B en C.


Zet de juiste onderdelen bij het nummer

a)

A: De hersenstam

B: Grote hersenen

C: Kleine hersenen

b)

A: De kleine hersenen

B: De grote hersenen

C: De hersenstam

c)

A: De hersenstam

B: De kleine hersenen

C: De grote hersenen

d)

A: De grote hersenen

B: De kleine hersenen

C: De hersenstam

45.

Naast het verwerken van impulsen heeft de hersenstam nog een aantal belangrijke functies. Hoeveel zijn dit er en welke functies zijn dit?

a)

Drie: Temperatuur regelen, bloeddruk en hartslag

b)

Twee: Temperatuur en hartslag

c)

Vier: Temperatuur, ademhaling, bloeddruk en hartslag

d)

Vijf: Temperatuur, ademhaling, bloeddruk, hartslag en coördinatie

46.

De schors is het grijze gedeelte van de grote en kleine hersenen.

a)

juist

b)

onjuist

47.

Het merg is het grijze gedeelte van de grote en kleine hersenen.

a)

juist

b)

onjuist

48.

In het merg liggen veel ...

a)

cellichamen van schakelcellen.

b)

uitlopers van schakelcellen.

49.

In het schors liggen veel ...

a)

cellichamen van schakelcellen.

b)

uitlopers van schakelcellen.

50.

Welk onderdeel van de hersenen wordt aangegeven met nummer 1?

(a)  

51.

Welk onderdeel van de hersenen wordt aangegeven met nummer 3?

(a)  

52.

Welk onderdeel van de hersenen wordt aangegeven met nummer 2?

(a)  

53.

Het zenuwstelsel bestaat o.a. uit het centrale zenuw stelsel. Waaruit bestaat het centrale zenuwstelsel?

a)

Hersenen en ruggenmerg

b)

Hersenen, ruggenmerg en zenuwen

c)

Ruggenmerg en zenuwen

d)

Hersenen en zenuwen

54.

1. Veel bloemen hebben grote opvallend gekleurde delen. Hoe heten deze delen?

(a)  

55.

Hoe heet het mannelijke voortplantingsorgaan van een bloem?

a)

Helmknop

b)

Stamper

c)

Helmdraad

d)

Meeldraden

56.

Uit welke 2 delen bestaat het mannelijke voortplantingsorgaan?

a)

stamper en zaadbeginsel

b)

helmhoofd en helmstaaf

c)

Helmknop en helmdraad

d)

stijl en stamper

57.

Wat wordt aangewezen met nummer 1?

a)

kelkblad

b)

kroonblad

c)

stamper

d)

meeldraad

58.

Wat wordt aangewezen met nummer 2?

a)

stamper

b)

stijl

c)

stempel

d)

vruchtbeginsel

59.

Wat wordt aangewezen met nummer 3?

a)

meeldraad

b)

stamper

c)

kroonblad

d)

kelkblad

60.

Wat wordt aangewezen met nummer 4?

a)

stamper

b)

stempel

c)

vruchtbeginsel

d)

stijl

61.

Hoeveel eicel(len) ontstaan er in een zaadbeginsel?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

62.

In de afbeelding is een stamper schematisch getekend.

Is de volgende bewering juist of onjuist?

In de afbeelding heeft bevruchting plaatsgevonden.

a)

juist

b)

onjuist

63.

In de afbeelding zijn drie bloeiende planten getekend. Insecten kunnen stuifmeel overbrengen zoals met de pijlen is aangegeven.

Welke pijl geeft geen bestuiving aan?

a)

pijl 1

b)

pijl 2

c)

pijl 3

64.

Op welke manier wordt bij deze plant het stuifmeel verspreid?

a)

door insecten

b)

door de wind

65.

In de afbeelding zie je twee bloeiende klokjesbloemen. Insecten kunnen stuifmeel overbrengen zoals met de pijlen is aangegeven.

Welke pijl geeft of welke pijlen geven bestuiving aan?

a)

pijl 1

b)

pijl 1 en pijl 2

c)

alle pijlen

66.
Welk kenmerk zie je WEL bij een windbloem?
a)
Nectar
b)
Gele kleur
c)
Veel stuifmeelkorrels
d)
Lange meeldraden
67.
Wat is een meeldraad??
a)
Vrouwelijke voortplantingsorgaan van de bloem.
b)
Dit wordt later een zaad.
c)
Mannelijke voortplantingsorgaan van de bloem.
d)
Bestuiving door insecten.
68.
Wat is zelfbestuiving?
a)
Stuifmeel gaat naar een bloem binnen dezelfde plant. 
b)
Stuifmeel gaat naar een bloem van een andere plant, van dezelfde soort.
c)
Buis die naar de eicel toegroeit.
d)
Het overbrengen van stuifmeel naar een bloem van dezelfde soort.
69.

Wat kunnen insecten halen in de bloemen?

a)

Honing

b)

Nectar

70.
Een insectenbloem heeft meestal
a)
geen geur
b)
wel geur
71.
Een windbloem maakt
a)
geen nectar
b)
wel nectar
72.

Wat past er bij insectenbloemen?

a)

veel stuifmeel

b)

weinig stuifmeel

c)

plakkerig stuifmeel

d)

rond en licht stuifmeel

73.

Wat is de functie van een bloem?

a)

Voortplanting

b)

Groeien

c)

Water opnemen

74.

Een kelkblad beschermt de bloemknop tegen

a)

uitdroging

b)

insecten

c)

water

75.

Hoeveel zaden heeft een vrucht?

a)

Dat ligt aan het aantal vruchtbeginsels

b)

Dat ligt aan het aantal bevruchte zaadbeginsels

c)

Dat ligt aan het aantal kiemen

76.

Dit is een..

a)

Windbloem

b)

Insectenbloem

77.

Is dit een windbloem of een insectenbloem?

a)

Een windbloem

b)

Een insectenbloem

78.

Is dit een windbloem of een insectenbloem

a)

Een insectenbloem

b)

Een windbloem

79.

Welke kleur heeft de bloemkelk meestal?

a)

Paars

b)

Rood

c)

Geel

d)

Groen

80.

Een bloemkelk bestaat uit kelkbladeren. Wat is de functie van deze groene kelkbladeren?

a)

De kelkbladeren beschermen de bloem tegen uitdroging en kou

b)

De kelkbladeren kunnen insecten naar de bloem lokken.

c)

De kelkbladeren maken stuifmeel aan.

81.

Kunnen bijen windbloemen bestuiven?

a)

Ja

b)

Nee

82.

Kunnen bijen insectenbloemen bestuiven?

a)

Ja

b)

Nee

83.

Is een roos een windbloem?

a)

Ja

b)

Nee