wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

DNA (vwo5)

Total questions: 24

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Hoeveel basenparen zie je hier?

a)

2

b)

4

c)

6

d)

12

2.

De zijkanten van DNA zijn gemaakt van

a)

Fosfaat en deoxyribose

b)

Deoxyribose en stikstofbasen

c)

Stikstofbasen en fosfaat

d)

Deoxyribose en stikstofbasen

3.

Waar vindt de transcriptie plaats?

a)

In de mitochondrium

b)

In het cytoplasma

c)

In de kern

d)

In het endoplasmatisch reticulum

4.

Het gebied op het DNA dat codeert voor het vormen van een bepaald eiwit wordt ook wel …. genoemd

a)

Chromosoom

b)

Codon

c)

DNA

d)

Gen

e)

Anticodon

5.

In welk antwoord is het complementaire karakter van de stikstofbases in DNA goed weergegeven?

a)

C-G | A-T

b)

A-T | C-U

c)

G-T | A-C

d)

A-U | G-C

6.

Bij celdeling worden de beide strengen van DNA uit elkaar getrokken door (1). Aan de primers bindt vervolgens (2)

a)

(1) Ligase, (2) DNA-polymerase

b)

(1) Helicase, (2) DNA-polymerase

c)

(1) Ligase, (2) Okazaki-fragment

d)

(1) Helicase, (2) Okazaki-fragment

7.

DNA bestaat uit de volgende onderdelen:

a)

deoxyribose

b)

ribose

c)

stikstofbasen

d)

chromosomen

e)

fosfaatgroep

8.

Eiwitten bestaan uit ...

a)

Stikstofbasen

b)

Codons

c)

mRNA

d)

Aminozuren

9.

Juist of onjuist? Volwassen stamcellen kun je overal in een volwassen lichaam vinden.

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

Waarom is de bovenkant van de PCR gel negatief geladen en de onderkant positief geladen?

a)

DNA is positief geladen en gaat naar de positieve kant

b)

DNA is positief geladen en gaat naar de negatieve kant

c)

DNA is negatief geladen en gaat naar de positieve kant

d)

DNA is negatief geladen en gaat naar de negatieve kant

11.

Waar is het CRISPR-Cas9 systeem ontdekt?

a)

Bij bacteriën als verdedigingsmechanisme

b)

Bij eukaryoten als verdedigingsmechanisme

c)

Bij virussen als verdedigingsmechanisme

12.

Het CRISPR-Cas9 systeem wordt ingezet bij een normaal functionerend gen. Er wordt geknipt in het coderende deel van het gen. Wat gebeurt er vervolgens?

a)

De strengen worden weer aan elkaar gemaakt en het gen werkt op dezelfde manier.

b)

De strengen worden weer aan elkaar gemaakt en er treedt een mutatie op.

c)

De strengen worden weer aan elkaar gemaakt en het gen is uitgeschakeld.

13.

Het gen voor een recessieve ziekte ligt op het mitochondriaal DNA. Welk kind van een bepaalde ouderpaar heeft meer kans op het krijgen van deze ziekte?

a)

Een zoon

b)

Een dochter

c)

Zowel de zoon als de dochter

d)

Geen van beide, omdat alleen genen op het DNA in de celkern afgelezen worden.

14.

Wat doet het enzym telomerase?

a)

Het werkt als een 'teller' op DNA en weet wanneer een cel niet meer kan delen.

b)

Het maakt de telomeren van DNA korter en blokkeert daarmee de celdeling.

c)

Het verlengt de telomeren van het DNA, waardoor een cel langer leeft.

d)

Het breekt de telomeren van DNA af en stimuleert daarmee het doodgaan van een cel.

15.

Welk antwoord is onjuist?

a)

In een huidcel zit het gen voor de oogkleur.

b)

In een levercel staat het gen voor de oogkleur uit.

c)

Als een longcel zich deelt, vermenigvuldigen zich ook de genen voor de oogkleur.

d)

In cellen van het wangslijmvlies kun je niet alle genen aantonen.

16.

Zet op volgorde van klein naar groot

a)

DNA-genoom-celkern-chromosoom-cel

b)

Genoom-DNA-chromosoom-celkern-cel

c)

DNA-chromosoom-genoom-celkern-cel

d)

Genoom-chromosoom-celkern-genoom-cel

17.

Een Okazaki-fragment is...

a)

...voor het verbinden van de losse DNA-stukken op de 'lagging strand'

b)

...een stukje DNA dat in één keer gemaakt kan worden bij de replicatie

c)

...het stukje DNA dat vanaf de primer wordt aangemaakt van 5' naar 3'

d)

…het stuk DNA in de leading strand dat wordt afgelezen bij replicatie.

18.

Waar in de cel bevinden zich losse nucleotiden?

a)

In het kernmembraan

b)

In het kernplasma

c)

In het cytoplasma

d)

In een ribosoom

19.

Wat is er mogelijk met PCR-technologie?

a)

DNA-fragmenten vermeerderen

b)

DNA-fragmenten afbreken

c)

DNA-fragmenten splitsen op een gel

d)

DNA-fragmenten isoleren

20.

Wat is geen verschil tussen DNA en RNA?

a)

Uracil in RNA in plaats van Thymine in DNA

b)

RNA is dubbelstrengs, DNA enkelstrengs

c)

In DNA zit desoxyribose, in RNA ribose

d)

RNA kan de celkern uit, DNA niet

21.

Wat is splicing?

a)

Het verwijderen van exons uit pre-mRNA

b)

Het verwijderen van introns uit pre-mRNA

c)

Het splitsen van introns en exons in mRNA

d)

Het aflezen van exons in mRNA

22.

Welke DNA-streng wordt afgelezen bij de transcriptie/ aanmaak van mRNA? Is dat voor alle genen dezelfde streng?

a)

De coderende streng, niet hetzelfde

b)

De template-streng, altijd hetzelfde

c)

De coderende streng, altijd hetzelfde

d)

De template-streng, niet hetzelfde

23.

Wat is niet waar als het gaat om een tRNA?

a)

Er zit geen anti-codon aan

b)

Draagt een aminozuur dat past bij het triplet

c)

Heeft geen triplet

d)

Komt voor in het cytplasma

24.

Bij het aflezen van een regulatorgen kan een (1) worden gemaakt, die het aflezen en vertalen van andere genen kan (2)

a)

(1) repressor, (2) stimuleren

b)

(1) repressor, (2) blokkeren

c)

(1) operator, (2) stimuleren

d)

(1) operator, (2) blokkeren