Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voorbereiding kennisexamen

Total questions: 31

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Welke grondsoort is het zwaarste om te bewerken?

a)

zand

b)

klei

c)

veen

d)

löss

2.

Welke grondsoort is E?

a)

zand

b)

löss

c)

veen

d)

rivierklei

e)

zeeklei

3.

Welke eigenschappen heeft humus?

Let op: Kies 3 antwoorden !

a)

Het kan vocht vasthouden

b)

Het kan voedingsstoffen vasthouden

c)

Het is makkelijk om te zetten in voedingsstoffen

d)

Het heeft een positief effect op de bodemstructuur

4.

Welke stelling over organische stof in de bodem is NIET waar?

a)

Het is al het dierlijke en plantaardige materiaal in de bodem

b)

Organische stof kan worden omgezet door het bodemleven in voedingsstoffen

c)

Al het organische stof in de bodem wordt omgezet in humus

d)

Elk jaar verdwijnt een deel van het organische stof doordat bodemleven het afbreekt

5.

Hoe heet het water bij B?

a)

hangwater

b)

grondwater

c)

capillair water

d)

kwelwater

e)

infiltratie water

6.

In de grafiek staan pF-curves van klei, zand en löss.

Van welke grondsoort is de lijn A?

a)

klei

b)

zand

c)

löss

7.

Wat is A?

a)

Veldcapaciteit

b)

Voor de plant beschikbaar water

c)

Verwelkingspunt

d)

Draaipunt

8.

Op welke manier(en) kan piekafvoer naar het riool worden tegengegaan bij een intensieve regenbui?

Let op: Er zijn meerdere antwoorden mogelijk

a)

wadi

b)

infiltratiekratten

c)

drainagebuizen

9.

Op welke manier(en) kan worden voorkomen dat het in de zomer het minder heet wordt een stad?

Let op: Meerdere antwoorden zijn mogelijk

a)

Extra bomen planten

b)

Waterpartijen aanleggen

c)

Gazons vervangen door halfverhardingen

d)

Grondwaterstand in parken verhogen

10.

In welk antwoord staan de successiestadia in de juiste volgorde?

a)

pioniersfase

graslandfase

ruigtefase

struweelfase

bosfase

climaxbosfase

b)

pioniersfase

ruigtefase

graslandfase

struweelfase

bosfase

climaxbosfase

c)

pioniersfase

graslandfase

struweelfase

ruigtefase

bosfase

climaxbosfase

d)

pioniersfase

graslandfase

ruigtefase

struweelfase

climaxbosfase

bosfase

11.

Hoe heet deze fase?

a)

ruigtefase

b)

struweelfase

c)

climaxfase

d)

heidefase

12.

Is deze plant in Nederland een pionierssoort of een climaxsoort?

a)

climaxsoort

b)

pionierssoort

13.

Een pioniersplant kan beter dan andere planten groeien op een bodem die ...........

a)

weinig organische stof heeft

b)

veel organische stof heeft

14.

Wat is kenmerkend voor de reducenten in de voedselkringloop?

a)

maken organische stof met zonlicht, water en zuurstof

b)

eten alleen plantaardig materiaal

c)

eten alleen andere dieren

d)

breken organisch materiaal af

15.

Als gevolg van klimaatverandering zullen ........

LET OP: Meerder antwoorden zijn goed

a)

... dieren en planten die nu in noordelijke gebieden leven, bij ons komen te leven

b)

... dieren en planten die nu in zuidelijke gebieden leven, bij ons komen te leven

c)

... zullen dieren en planten beter tegen extremen moeten kunnen

d)

... sommige dieren en planten zich sneller kunnen aanpassen dan anderen

16.

Wanneer kun je een graslandvegetatie het beste maaien als je de aanwezige kruiden wilt behouden?

a)

Vlak voor de bloeiperiode

b)

Tijdens de bloeiperiode

c)

Na de zaadvorming

17.

Hoe komt water als het is gevallen als neerslag boven land weer het snelst terug in de zee of oceaan?

a)

neerslag

infiltratie

grondwater

bron

rivier

zee

b)

neerslag

afstroming

sloot

rivier

zee

c)

neerslag

gewasverdamping

neerslag

infiltratie

grondwater

zee

18.

Welke kleur hoort bij welke buis in een rioolsysteem?

a)

grijs

droogweerafvoer (DWA)

oranje

hemelwaterafvoer (HWA)

groen

infiltratiebuis (IT)

b)

grijs

hemelwaterafvoer (HWA)

oranje

droogweerafvoer (DWA)

groen

infiltratiebuis (IT)

c)

grijs

Infiltratiebuis (IT)

oranje

hemelwaterafvoer (HWA)

groen

droogweerafvoer (DWA)

d)

grijs

droogweerafvoer (DWA)

oranje

infiltratiebuis (IT)

groen

hemelwaterafvoer (HWA)

19.

Wat voor rioolstelsel is dit?

a)

samengesteld rioolstelsel

b)

gescheiden rioolstelsel

c)

verbeterd gescheiden rioolstelsel

d)

verbeterd samengesteld rioolstelsel

e)

drukriool

20.

Waarvoor dient een bezinkbak in een rioolsysteem?

a)

zorgt ervoor dat bij een zeer hevige bui het water naar een wadi stroomt

b)

zorgt er voor dat vervuiling in het water naar de bodem zinkt en niet in het oppervlaktewater komt

c)

zorgt ervoor dat bij een verstopping van een riool voldoende water beschikbaar is voor doorspuiten

21.

Waarvoor dient een retentievoorziening in een watersysteem?

a)

piekafvoeren tegengaan door het tijdelijk vasthouden van water

b)

voorkomen dat afvalwater in een hemelwaterriool stroomt

c)

zuivering van droogweerafvoer zodat het kan worden geloosd op oppervlaktewater

22.

Voedingsstof P heeft veel effect op ....

a)

wortelgroei en ontwikkeling in het voorjaar

b)

groei bovengrondse delen

c)

weerstand tegen ziekten/kou en smakelijkheid van gras

23.

Welke voordelen heeft organische meststoffen

(als je het vergelijkt met anorganische meststoffen) ?

LET OP: meerdere antwoorden zijn juist!

a)

beter voor het bodemleven

b)

voedingsstoffen sneller beschikbaar voor de plant

c)

meer zekerheid over hoeveel voedingsstoffen je strooit

d)

verhoging organische stofgehalte van bodem

24.

Stelling 1:

Een lage pH vermindert het bodemleven

Stelling 2:

Bij een lage pH zijn sommige voedingsstoffen niet opneembaar voor de plant

a)

stelling 1 = juist

stelling 2 = juist

b)

stelling 1 = juist

stelling 2 = onjuist

c)

stelling 1 = onjuist

stelling 2 = juist

d)

stelling 1 = onjuist

stelling 2 = onjuist

25.

Wat is geen negatief effect van een storende laag in de bodem?

a)

minder vocht beschikbaar voor plant in droge perioden

b)

wateroverlast in natte perioden

c)

minder voedingstoffen beschikbaar voor plant

d)

te veel voedingsstoffen beschikbaar voor plant

26.

Wat zijn positieve effecten van organische stof in de bodem?

LET OP: meerdere antwoorden zijn mogelijk

a)

bodem kan meer vocht vasthouden

b)

voedsel voor het bodemleven

c)

er kunnen voedingsstoffen uit worden vrijgemaakt

27.

Waarom is het niet verstandig in de bovenlaag een te intensieve grondbewerking uit te voeren?

LET OP: meerdere antwoorden zijn juist

a)

grotere kans op slemp

b)

grotere kans op winderosie

c)

slecht voor bodemstructuur toplaag

d)

kans op onder-verdichting

e)

grote kans op ploegzool

28.

Wat kun je doen als de pH van een bouwland te laag is en je wilt die verhogen?

LET OP: meerdere antwoorden mogelijk !

a)

bekalken

b)

veencompost opbrengen

c)

champost opbrengen

d)

KAS strooien

29.

Wat is het beste om te strooien?

a)

Calcium

b)

Magnesium

c)

Natrium of IJzer

30.

In het werkvak liggen kabels en leidingen.

Hoe maak je de kans op graafschade zo klein mogelijk?

LET OP: meerdere antwoorden zijn mogelijk

a)

KLIC-melding goed bekijken

b)

graaf proefsleuven

c)

voorsteken

d)

graven met een tandenbak

e)

let op kleurverschillen in grond

31.

Wat wordt hier gemeten met deze penetrometer?

a)

indringings-weerstand

b)

bodem-temperatuur

c)

vochtgehalte

d)

zuurtegraad

e)

elektrische geleidbaarheid