wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 3 B1-3 2HV

Total questions: 21

Worksheet time: 39mins

Name
Class
Date
1.

Wat is waar?

a)

Het bloedvatenstelsel bestaat uit het hart en de bloedvaten.

b)

Witte bloedcellen vervoeren zuurstof.

c)

De grote bloedsomloop brengt CO2 naar de organen

d)

De leverader is de enige ader die naar het hart toe stroomt

2.

Michelle is geboren met een hartafwijking. Zij heeft een opening in de tussenwand van haar hart (zie afbeelding 3). Als de hartkamers zich samentrekken, stroomt er bloed door de opening. Dat bloed stroomt in de richting van de pijl. Het bloed uit de linkerkamer stroomt niet alleen de aorta in, maar ook gedeeltelijk de rechterkamer in.

Haar zus Charlotte heeft geen hartafwijking

Welke uitspraak is waar?

a)

De organen in het lichaam van Michelle krijgen evenveel zuurstof als de organen in het lichaam van Charlotte.

b)

De organen in het lichaam van Michelle krijgen meer zuurstof dan de organen in het lichaam van Charlotte.

c)

De organen in het lichaam van Michelle krijgen minder zuurstof dan de organen in het lichaam van Charlotte.

3.
Boven in de buis zie je een lichtgele vloeistof. Wat is dat?
a)
Witte bloedcellen
b)
Hemoglobine
c)
Bloedcellen
d)
Bloedplasma
4.
In de buis zie je onderin een rode vloeistof. Waaruit bestaat het onderste gedeelte?
a)

Hemoglobine

b)

Bloedcellen

c)

Bloedplasma

d)

Witte bloedcellen

5.

In de afbeelding zie je een schematische weergave van de bloedsomloop.

Als bloed in de longen begint en in het onderste orgaan moet eindigen, dan moet het minimaal (a)   keer door het hart

6.

Marijke noemt deze kenmerken van een bloedvat:

‘Je voelt geen hartslag in dit bloedvat.

Soms liggen deze bloedvaten net onder de huid.’

Over welke bloedvaten heeft Marijke het?

a)

over aders

b)

over haarvaten

c)

over slagaders

7.
Je hart pompt het bloed rond. In de afbeelding hierboven zie een tekening van het hart. 
De rode bloedvaatjes aan de buitenkant van je hart voorzien het hart zelf van zuurstof en voedingstoffen. Ze heten...
a)

aorta's

b)

kransslagaders

c)

holle aders

d)

longaders

8.

Wat is waar? Er kunnen meerder antwoorden goed zijn.

a)

Een harthelft heeft twee boezems en twee kamers.

b)

Bloedplasma bestaat uit water en opgeloste stoffen.

c)

De grootste slagader is de aorta

d)

kransaders bevatten zuurstofrijk bloed

9.

Welke onderdelen van het bloed vervoeren zuurstof?

a)

bloedplaatjes

b)

rode bloedcellen

c)

witte bloedcellen

10.

In welk type bloedvat is de bloeddruk het hoogst?

a)

in de aders

b)

in de haarvaten

c)

in de slagaders

11.

Stelling A en B gaan over afb. 1:

A Het bloed stroomt in de richting van pijl S

B Dit is een haarvat

a)

A = juist

B = juist

b)

A = onjuist

B = juist

c)

A = juist

B = onjuist

d)

A = onjuist

B = onjuist

12.

Wat is waar? Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn.

a)

De stroomrichting in de kleine bloedsomloop is:

rechterkamer -> longslagader ->longen -> longader ->linkerboezem.

b)

De boezems pompen het bloed in de aorta en de longslagader.

c)

De longslagader bevat zuurstof arm bloed

d)

In het hart stroom bloed van de kamers naar de boezems

13.

In een tekst gaat het over de weg van het bloed van het hart naar de organen. Om welke bloedsomloop gaat het dan?

a)

de kleine bloedsomloop

b)

de grote bloedsomloop

14.

Door welke van deze bloedvaten stroomt ALTIJD zuurstofrijk bloed? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

a)

door de longader

b)

door de longslagader

c)

door de kransslagader

d)

Door slagaders

15.

De aorta heeft halvemaanvormige kleppen

a)

waar

b)

niet waar

16.

Welk van de onderstaande antwoorden geeft een beschrijving van haarvaten? Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn

a)

Hier stroomt zuurstofarm bloed doorheen

b)

Witte bloedcellen kunnen door de wand heen

c)

De wand is maar één cellaag dik

d)

Deze hebben een hoge bloeddruk

17.

Het hart gebruikt ook zelf bloed. Welke bloedvaten brengen brengen het 'gebruikte' bloed weer terug naar de boezems?

a)

Kransslagaders

b)

Aorta

c)

kransaders

d)

Longslagader

18.
Het bloed in de slagaders....
a)
stroomt langzaam en de bloeddruk is laag
b)
stroomt snel en de bloeddruk is laag
c)
stroomt snel en de bloeddruk is hoog
d)
stroomt langzaam en de bloeddruk is hoog
19.

Welke uitspraak over aders klopt?

a)

De bloeddruk is hoog

b)

Veel aders liggen aan de oppervlakte van het lichaam

c)

Het bloed kan twee richtingen opstromen

d)

Veel aders hebben kleppen

20.

De afbeelding laat een schematische weergave zien van de bloedsomloop. Het orgaan waarbij de letter A staat is de (a)  

21.

In de afbeelding zie je de haarvaten in een orgaan van de grote bloedsomloop. Deze stellingen worden gegeven welke is/zijn juist?

1. In de ader zijn meer afvalstoffen te vinden dan in de slagader

2. In de haarvaten neemt de hoeveelheid zuurstof in het bloed af

a)

1 juist

2 juist

b)

1 onjuist

2 onjuist

c)

1 onjuist

2 juist

d)

1 juist

2 onjuist