wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

LJ2 Lezen H4 en 5

Total questions: 65

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.
Elke tekst gaat ergens over. Dat noem je
a)
alinea
b)
onderwerp
c)
hoofdgedachte
d)
tussenkopje
2.
Je kunt met één of met een paar woorden zeggen wat het onderwerp is
a)
goed
b)
fout
3.
Om het onderwerp te vinden, hoef je een tekst niet helemaal te lezen.
a)
goed
b)
fout
4.
Je bekijkt de tekst en je leest de eerste alinea.
a)
oriënterend lezen
b)
globaal lezen
c)
studerend lezen
d)
Zoekend lezen
5.
• Bekijk de tekst:  – Kijk naar de titel. – Kijk naar de foto’s en plaatjes bij de tekst.  –  Kijk naar lijstjes, rijtjes of schema’s die er misschien bij staan.  –  Kijk naar tussenkopjes (als die er zijn); een tussenkopje is de ‘titel’ van een tekstgedeelte.  – Let op anders gedrukte letters (vet, cursief, GROOT of gekleurd).  • Lees de eerste alinea; meestal is die vetgedrukt. • Geef antwoord op de vraag: waarover gaat deze tekst?
a)
zo vind je de alinea's
b)
zo vind je de hoofdgedachte
c)
zo vind het onderwerp
6.
Een tekst is meestal verdeeld in een middenstuk (kern) en een slot.

a)
goed
b)
fout
7.
Vaak worden er in het middenstuk verschillende delen van het onderwerp besproken. Dit noemen we
a)
alinea's
b)
inleiding
c)
tussenkopjes
d)
deelonderwerpen
8.
Hierin wordt duidelijk wat het onderwerp van de tekst is.
a)
in het middenstuk
b)
in het slot
c)
in de inleiding
9.
Hierin wordt het belangrijkste uit de tekst kort herhaald.

a)
in de inleiding
b)
in het middenstuk
c)
in het slot
10.
Wat is een synoniem
a)
Een synoniem is een ander woord met dezelfde betekenis.
b)
een woord die je fonetisch schrijft
c)
1 woord met 2 verschillende betekenissen
11.
Een onbekend woord in een tekst kun je soms begrijpen doordat er een omschrijving van het woord bij staat.
a)
waar
b)
niet waar
12.
In deze berichten staat het belangrijkste altijd in het eerste deel van de tekst. Het tweede deel geeft extra informatie.
a)
in een roman
b)
in een tijdschrift
c)
in een nieuwsbericht
13.
In teksten staan soms voorbeelden om moeilijke woorden uit te leggen. Dan weet je meteen wat de schrijver bedoelt. Bij een voorbeeld vind je vaak
a)
moeilijke woorden
b)
belangrijke woorden
c)
signaalwoorden
14.
De hoofdgedachte van een tekst is één volledige zin, die samenvat wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt.
a)
fout
b)
goed
15.
Ook een dubbele punt (:) kan aangeven dat er voorbeelden volgen
a)
fout
b)
goed
16.
De hoofdgedachte staat meestal in de
a)
middenstuk-slot
b)
inleiding of in het slot.
c)
inleiding- middenstuk
17.
Je leest de tekst dan van het begin tot aan het eind goed door.
a)
globaal lezen
b)
zoekend lezen
c)
precies lezen
18.
Je hoeft dan niet de hele tekst te lezen, maar alleen het stukje tekst dat je nodig hebt.
a)
globaal lezen
b)
precies lezen
c)
zoekend lezen
19.
Lees de eerste en laatste zin van iedere alinea. • Ga na wat er in de verschillende alinea’s over het onderwerp staat. • Bekijk welke alinea’s over hetzelfde deel van het onderwerp gaan. Let vooral goed op de eerste zin van een alinea. Zo vind je
a)
het onderwerp
b)
hoofdgedachte
c)
deelonderwerpen
20.
De belangrijkste informatie over een deelonderwerp staat vaak in de eerste zin van de alinea. Wil je snel de belangrijkste informatie uit een tekst halen, lees dan de tekst .............? Je leest dan de eerste en de laatste zin van de alinea’s.
a)
oriënterend
b)
zoekend
c)
globaal
d)
precies
21.
. Dokter en arts zijn
a)
homoniemen
b)
synoniemen
22.
Soms gaat één alinea over één deelonderwerp, soms gaan meer alinea’s over één deelonderwerp. In dat laatste geval staat boven het tekstgedeelte vaak een
a)
cursief woord
b)
tussenkopje
c)
het onderwerp
23.
De belangrijkste informatie over een deelonderwerp staat vaak in de laatste zin van de alinea.
a)
dit is goed
b)
fout, het is de eerste zin
24.
Wat moet je als eerst doen als je een tekst leest?
a)
Naar plaatjes, bron, titel, inleiding en slot kijken. 
b)
De tekst lezen.
c)
Naar plaatjes, bron en titel kijken.
d)
Naar de vragen kijken. 
25.

Wat zijn hoofdzaken?

a)

De titel van een tekst

b)

Het belangrijkste van de tekst in één zin

c)

Alle informatie die in een tekst belangrijk is

d)

De conclusie van een tekst

26.
Het onderwerp van de tekst beschrijf je
a)
Zo kort mogelijk
b)
Zo uitgebreid mogelijk
c)
In drie zinnen
d)
Niet
27.

Waaruit bestaat betrouwbare informatie?

a)

Feiten

b)

Feiten en meningen

c)

Meningen

28.

Wat is de bron van een tekst

a)

Geeft aan waar een tekst vandaan komt

b)

De aanleiding van de tekst

c)

Het slot van de tekst

d)

De conclusie

29.
Vaak worden er in het middenstuk verschillende delen van het onderwerp besproken. Dit noemen we
a)
alinea's
b)
inleiding
c)
tussenkopjes
d)
deelonderwerpen
30.

Een feitelijk argument

a)

kun je controleren

b)

kun je niet controleren

31.
Wat is het tekstdoel?
Een recept voor appelcake.
a)
informeren
b)
instructies geven
c)
overtuigen
d)
activeren
32.
Wat is het tekstdoel?
Een artikel op Wikipedia over Antwerpen.
a)
informeren
b)
activeren
c)
instructies geven
d)
overtuigen
33.
Wat is het tekstdoel?
Een poster met verschillende argumenten waarom je beter water drinkt dan frisdrank.
a)
informeren
b)
overtuigen
c)
activeren
d)
amuseren
34.
Wat is het tekstdoel?
Een reclameadvertentie voor de nieuwste film van James Bond.
a)
activeren
b)
informeren
c)
instructies geven
d)
amuseren
35.
Wat is het tekstdoel?
Een cartoon in de krant.
a)
amuseren
b)
overtuigen
c)
activeren
d)
ontroeren
36.
Wat is het tekstdoel?
Een bijsluiter van een medicijn waarin staat hoeveel pilletjes per dag je moet nemen.
a)
instructies geven
b)
amuseren
c)
ontroeren
d)
activeren
37.
Wat is het tekstdoel?
In de nieuwsbrief van de school staan alle activiteiten opgesomd van de komende maand.
a)
activeren
b)
amuseren
c)
informeren
d)
instructies geven
38.

Wat is het tekstdoel?

a)

ontroeren

b)

informeren

c)

aanzetten tot actie

d)

ontspannen

39.

Welk tekstdoel is dit?

a)

Informeren

b)

Overtuigen

c)

Waarschuwen

d)

Tot handelen aanzetten

e)

Instrueren

40.

Welk tekstdoel is dit?

a)

Overtuigen

b)

Adviseren

c)

Tot handelen aanzetten

d)

Instrueren

e)

Amuseren

41.
Aan welke vijf kenmerken herken je het publiek van een tekst? 
a)
inhoud, taalgebruik, bron, lay-out, afbeeldingen 
b)
onderwerp, inhoud, toon, taalgebruik, bron 
c)
toon, bron, lengte, onderwerp, prijs
d)
lay-out, prijs, toon, uiterlijk, spelling 
42.
Wat is een kernzin? 
a)
De belangrijkste zin die in een alinea staat. 
b)
De belangrijkste zin die in een tekst staat. 
c)
Een zin waarmee je als lezer de hele tekst samenvat. 
d)
Een zin waarmee je als lezer de alinea samenvat. 
43.
Welk schrijfdoel heeft de tekst op het plaatje? 
a)
amuseren 
b)
overtuigen 
c)
opiniëren 
d)
activeren 
44.

Wat is de bron van een tekst

a)

Geeft aan waar een tekst vandaan komt

b)

De aanleiding van de tekst

c)

Het slot van de tekst

d)

De conclusie

45.

Je kunt in één of in een paar woorden zeggen wat het onderwerp van een tekst is

a)

goed

b)

fout

46.

Wat is je doel als je wilt bereiken dat je de lezer vermaakt?

a)

amuseren

b)

informeren

c)

activeren

d)

overtuigen

47.
Wat is de bron van deze tekst?
a)
De Telegraaf
b)
De Volkskrant
c)
Nu.nl
d)
Het Noord-Hollands dagblad
48.
De titel en de tussenkopjes kunnen je helpen het onderwerp van een tekst te vinden.
a)
Juist
b)
Onjuist
49.

Als het tekstdoel informeren is, is de tekstsoort een:

a)

amuserende tekst.

b)

activerende tekst.

c)

informerende tekst.

d)

uiteenzettende tekst.

50.

Een deelonderwerp is het onderwerp van

a)

de hele tekst.

b)

één of een paar alinea's in de tekst.

c)

altijd één alinea in de tekst.

51.

Waaraan kun je zien voor welk publiek een tekst is geschreven? (meerdere antwoorden)

a)

De bron

b)

Het taalgebruik

c)

Het onderwerp

d)

De lay-out

52.

Waaruit bestaat betrouwbare informatie?

a)

Feiten

b)

Feiten en meningen

c)

Meningen

53.

Wanneer weet je bijna zeker dat een tekst betrouwbaar is?

a)

Als je de bronnen kunt controleren

b)

Dat weet je bijna nooit zeker

c)

Als de schrijver bekend is

54.

Facebook is een betrouwbaar medium voor nieuws

a)

Waar

b)

Niet waar

55.

Welk artikel over Frankrijk vertrouw je het meest?

a)

Artikel geschreven door Dhr Z.Everlap op Facebook

b)

Artikel geschreven door "onbekend" in Wikipedia

c)

Artikel in folder reisbureau geschreven door medewerker.

d)

Artikel geschreven door ministerie van buitenlandse zaken.

56.

Welk programma is het meest betrouwbaar?

a)
b)
c)
57.

Beschrijf waarom de datum van belang is om de betrouwbaarheid van een tekst te beoordelen.

4 lines
58.

Waaraan herken je vaak het onderwerp?

a)

Staat in einde van de laatste alinea.

b)

Meerdere zinnen, vetgedrukt.

c)

Staat vaak boven de tekst

d)

Is een samenvatting van de tekst

59.

Een mening kun je onderbouwen met

a)

Signaalwoorden

b)

Argumenten

c)

Cement

60.

Geef je mening en een argument voor de volgende stelling:


1,5 meter afstand houden op school is onzin!

4 lines
61.

Een brochure van Entree Breda uit 2005

a)

Wil je informeren, dus is betrouwbaar.

b)

Is betrouwbaar, komt van de school zelf.

c)

Is niet betrouwbaar.

62.
Het onderwerp van de tekst beschrijf je
a)
Zo kort mogelijk
b)
Zo uitgebreid mogelijk
c)
In drie zinnen
d)
Niet
63.
Waar vind je het onderwerp van een tekst?
a)
In het middenstuk
b)
In de eerste alinea
c)
In de inleiding
d)
In het slot
64.

Wat zijn hoofdzaken?

a)

De titel van een tekst

b)

Het belangrijkste van de tekst in één zin

c)

Alle informatie die in een tekst belangrijk is

d)

De conclusie van een tekst

65.

Welke zin(nen) is/zijn juist?

a)

Tekstverbanden kun je herkennen aan signaalwoorden.

b)

Signaalwoorden staan alleen aan het begin van een zin.

c)

Signaalwoorden verbinden zinnen of alinea's met elkaar.

d)

Een tekst kan maar één tekstverband hebben.