wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bloedsomloop 3,4/3,5 en 3,8

Total questions: 23

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Op welke twee manieren kan een ziekteverwekker onschadelijk worden gemaakt?

a)

Door antigenen aan te maken

b)

Door antistoffen aan te maken

c)

Door ziekteverwekkers in het neusslijmvlies op te vangen

d)

Door ziekteverwekkers in te sluiten

2.

Welke twee stoffen zijn bestanddelen van urine

a)

Afvalstoffen

b)

Bouwstoffen

c)

Schadelijke stoffen

d)

Voedingstoffen

3.

Hoe heet deel 2?

(a)  

4.

In de afbeelding zijn de nieren en de urinewegen van de mens schematisch getekend.

In welke twee delen wordt urine vervoerd?

a)

Deel 4

b)

Deel 5

c)

Deel 6

d)

Deel 8

5.

In de afbeelding zijn de nieren en de urinewegen van de mens schematisch getekend.

Welk nummer geeft de nierbekken aan?

a)

Nummer 1

b)

Nummer 2

c)

Nummer 3

d)

Nummer 6

6.

In de afbeelding zijn de nieren en de urinewegen van de mens schematisch getekend. Iemand drinkt een liter water en gaat daarna rustig zitten.

In welk van de genummerde bloedvaten is een half uur na het drinken het zoutgehalte van het bloedplasma het hoogst?



(a)  

7.

Bij een nierbekkenontsteking is de wand van een nierbekken ontstoken. Dit kan worden veroorzaakt door bacteriën die via de urinewegen van buiten het lichaam zijn gekomen.

Door welke van de genoemde delen zijn deze bacteriën achtereenvolgens gekomen? Zet de nummers in de juiste volgorde

1, Nierbekken

2, Urineblaas

3, Urineleider

4,Urinebuis



(a)  

8.

Afvalstoffen en mineralen zorgen voor een donkere kleur van urine.

Welke kleur heeft je urine als je weinig water hebt gedronken?

Donker of licht?

(a)  

9.

In de afbeelding zijn de nieren en de urinewegen van de mens schematisch getekend.

Welke twee delen vervoeren bloed?

a)

Deel 4

b)

Deel 5

c)

Deel 6

d)

Deel 8

10.

Nadat iemand besmet is geweest met een ziekteverwekker, kan er in sommige situaties nog worden getest om welke ziekteverwekker het ging.

Op welke manier kunnen artsen testen met welke ziekteverwekker een patiënt besmet is geweest?

a)

Door de aanwezigheid van de ziekteverwekker

b)

Door de aanwezigheid van antigenen

c)

Door de aanwezigheid van antistoffen

11.

Hoe heet deel 3?

(a)  

12.

Hoe heet deel 1

(a)  

13.

In de afbeelding zijn de twee antigenen P en Q en een antistof schematisch getekend.

Aan welk antigeen zal de antistof zich hechten?



(a)  

14.

Wanneer heb je veel verschillende soorten antistoffen in je lichamen?

a)

Als je bent blootgesteld aan veel soorten ziekteverwekkers

b)

Als je bent blootgesteld aan weinig soorten ziekteverwekkers

15.

Gele koorts is een ziekte die wordt veroorzaakt door een virus. Na een infectie met het gele koortsvirus duurt het ongeveer een week voordat het lichaam een antistof tegen het virus gaat maken. Als de patiënt geneest, levert dat een levenslange immuniteit op. In het diagram van de afbeelding geeft grafieklijn Q de vorming van antistof tegen het virus weer na een allereerste infectie van een bepaalde persoon. Deze persoon geneest en wordt een jaar later opnieuw besmet.

Welke grafieklijn geeft de vorming van antistof weer na deze tweede infectie?

a)

Grafieklijn P

b)

Grafieklijn Q

c)

Grafieklijn 2

16.

Isa is gevaccineerd tegen gele koorts en bof, mazelen en rode hond (BMR). Stijn is alleen gevaccineerd tegen bof en mazelen en rode hond.

Wie heeft de meeste kans om waterpokken te krijgen?

a)

Isa heeft de meeste kans, omdat zij tegen gele koorts is gevaccineerd

b)

Stijn heeft de meeste kans, omdat hij niet tegen gele koorts is gevaccineerd

c)

Dit maakt geen verschil, omdat Isa en Stijn beiden geen vaccinatie hebben gekregen tegen waterpokken

17.

De schapenziekte blauwtong is een virusziekte waarvan 24 verschillende typen bekend zijn. In Zuid-Europa gebruikt men een vaccin om dieren te beschermen tegen blauwtong type 2 en type 4.

Wat zit in het vaccin?

Antigenen of antistoffen

(a)  

18.

Shanna heeft toen ze kind was waterpokken gehad. Shanna past regelmatig op de twee kinderen van haar oudere zus. Eén van deze kinderen krijgt waterpokken. Het blijkt dat Shanna immuun is voor waterpokken.

Hoe noem je deze vorm van immuniteit?

a)

Natuurlijke immuniteit

b)

Kunstmatige immuniteit

19.

Wat is een allergie?

a)

overgevoeligheid voor bepaalde stoffen

b)

lagere gevoeligheid voor bepaalde stoffen

c)

dat je gestoken bent door een organisme

20.

In Nederland worden kinderen ingeënt tegen bepaalde ziekten, waardoor langdurige immuniteit ontstaat. Een voorbeeld daarvan is een inenting tegen mazelen. Mazelen is een kinderziekte die wordt veroorzaakt door een virus.

Wat wordt bij vaccinatie tegen mazelen ingeënt?

a)

Een antistof tegen mazelen

b)

Een verzwakt mazelenvirus

c)

Witte bloedcellen die antistof tegen mazelen produceren

21.

Rosa moet een bloedtransfusie krijgen. Ze heeft bloedgroep AB. Die bloedgroep komt niet veel voor. De dokter die haar behandelt, zegt tegen Rosa dat ze erg geschikt is als ontvanger van een transfusie.

Op de afdeling waar Rosa ligt, wordt Carlo binnengebracht. Hij heeft bij een ongeluk veel bloed verloren. Zijn bloedgroep is niet bekend.

Welke donor is het meest geschikt in deze situatie?

a)

donor met bloedgroep A

b)

donor met bloedgroep B

c)

donor met bloedgroep AB

d)

donor met bloedgroep 0

22.

In een aantal gevallen wordt geen compleet bloed toegevoegd, maar alleen bloedplasma.

Waarom kunnen ook bij alleen een transfusie van bloedplasma de antistoffen van de donor een probleem geven?

(a)  

23.

 

      Rosa moet een bloedtransfusie krijgen. Ze heeft bloedgroep AB. Die bloedgroep komt niet veel voor. De dokter die haar behandelt, zegt tegen Rosa dat ze erg geschikt is als ontvanger van een transfusie.

Leg de bewering van de dokter uit.

(a)