wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Tijdvak 5 t/m 9

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Wie was de ontdekker van Amerika?

a)

Columbus

b)

Da Gama

c)

Verspucci

d)

Barentsz

2.

De Europese ontdekkingsreizen hebben politiek, economisch en cultureel veel betekent. Een voorbeeld van culturele betekenis is....?

a)

Er kon kledingtrends worden uitgewisseld

b)

Nieuwe gebruiksvoorwerpen waren handig in de keuken

c)

Het christelijke geloof kon worden verspreid

d)

Het verkrijgen van nieuw grondgebied was belangrijk

3.

In welke periodes valt de renaissance?

a)

De Oudheid en de middeleeuwen.

b)

De middeleeuwen en de vroegmoderne tijd.

c)

De prehistorie en de Oudheid.

d)

De vroegmoderne tijd en de moderne tijd.

4.

Welke twee Europese landen ondernamen als eerste ontdekkingsreizen?

a)

Spanje en Portugal.

b)

Spanje en Italië.

c)

Portugal en Italië.

d)

Frankrijk en Portugal.

5.

Welke koning was koning van Nederland in de 16de eeuw?

a)

De koning van Nederland

b)

De koning van Spanje

c)

De koning van Frankrijk

d)

De koning van Engeland

6.

Welk geloof had de koning van Spanje?

a)

Katholiek

b)

Protestant

c)

Joods

d)

Gereformeerd

7.

Filips II wilde dat iedereen katholiek was, maar wat wilde Willem van Oranje?

a)

Hij wilde dat ook

b)

Hij wilde dat iedereen protestant was

c)

Hij wilde godsdienstvrijheid

d)

Hij wilde geen geloof meer

8.

Wat was het doel van de VOC?

a)

Landen veroveren

b)

Specerijen halen uit Azië

c)

Nieuwe diersoorten ontdekken

d)

Een rondje om de wereld varen

9.

Waarom waren de meeste boeren arm?

a)

Zij moesten veel belasting betalen

b)

Zij kregen niet genoeg salaris

c)

De oogst mislukte regelmatig

d)

Zij hadden nauwelijks rechten

10.

Wie hoefden geen belasting te betalen?

a)

burgers en adel

b)

geestelijken en burgers

c)

adel en geestelijken

d)

geestelijken en burgers

11.

Wat is absolutisme?

a)

De vorst heeft niets te zeggen

b)

De vorst zijn wil is wet, hij moet naar niemand luisteren

c)

De vorst zijn macht is gebonden aan het parlement

d)

De vorst heeft een ceremoniële functie

12.

Wat is de juiste volgorde van de standen in de standenmaatschappij in Frankrijk in de 18e eeuw?

a)

1e stand adel, 2e stand geestelijkheid, 3e stand de burgers

b)

1e stand geestelijkheid, 2e stand adel, 3e stand boeren

c)

1e stand de burgers, 2e stand adel, 3e stand geestelijkheid

d)

1e stand geestelijkheid, 2e stand adel, 3e stand de boeren en burgers

13.

Bij welke ideologie past deze uitspraak over de Sociale Kwestie:

"Arbeiders moeten zich verenigen in vakbonden, zodat zij sterker staan in hun terechte eis voor betere lonen"

a)

liberalisme

b)

conservatisme

c)

socialisme

d)

confessionalisme

14.

In welk jaar werd het Algemeen mannenkiesrecht ingevoerd in Nederland?

(a)  

15.

Wie was Otto von Bismarck?

a)

Keizer van Keizerrijk Duitsland

b)

Kanselier in Keizerrijk Duitsland

c)

President van de Republiek van Weimar

d)

Koning van Pruissen

16.

Bij welk kenmerkend aspect hoort de volgende bron?

a)

De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving

b)

Discussies over de ‘sociale kwestie’

c)

De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

d)

De opkomst van emancipatiebewegingen.

e)

Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces

17.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

'Het gebruiken van kinderen van 12 jaar en ouder vinden we heel nuttig, zowel voor de fabrikant, als voor de kinderen en hun ouders zelf. De fabrikant gebruikt bij voorkeur kinderen van 12 jaar en ouder: 1 vanwege het lagere loon; 2 omdat ze handig en vlug zijn bij het aanleren van werkzaamheden; 3 omdat ze de eerste leerlingen zijn, waaruit later de beste werklieden gevormd worden. De ouders hebben daarbij het voorrecht, dat hun kinderen zich niet op straat lopen te vervelen en onder behoorlijk toezicht tot de arbeid worden gebracht, en dat zij door het dagloon van de kinderen genoeg inkomen hebben om voor zichzelf te zorgen.-

a)

De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving.

b)

Discussies over de ‘sociale kwestie’.

c)

De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

d)

De opkomst van emancipatiebewegingen.

e)

Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces.

18.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

a)

De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving.

b)

Discussies over de ‘sociale kwestie’.

c)

De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

d)

De opkomst van emancipatiebewegingen.

e)

Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces.

19.

Na de 'Roaring Twenties' volgt in de jaren dertig een tijd van grote economische crisis. Wat was de oorzaak van deze wereldcrisis?

(a)  

20.

In welk jaar begint de Tweede Wereldoorlog?

(a)  

21.

Welke overeenkomsten zijn er bij de drie grote totalitaire ideologieën? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Alle drie gaan uit van dictatuur

b)

Propaganda is voor alle drie essentieel

c)

Alle drie zijn extreem-rechts

d)

Alle drie zijn nationalistisch

22.

Wie was Soekarno?

a)

Leider van de nationalisten in Nederlands-Indië

b)

Onafhankelijkheidsstrijder in Brits-Indië

c)

Keizer van Japan tijdens WOII

d)

Oprichter van de SS

23.

waarom begon de industrialisatie als eerste in Engeland?

a)

Doordat er veel goedkope arbeiders woonden

b)

Door de grote voorraad steenkool

c)

Doordat er nog geen vakbonden bestonden

d)

Door het ontbreken van een minimumloon

24.

waarom werden de eerste stoommachines in Nederland niet gelijk voor fabrieken gebruikt, maar voor het transport?

(2 goede antwoorden)

a)

De Nederlanders verdienden toch al genoeg aan de handel met Indonesië

b)

Er was geen ruimte voor fabrieken

c)

De fabrieken gebruikten alleen handarbeid

d)

De landbouw leverde al genoeg op

25.

Waarom verhuisden mensen massaal van het plattenland naar steden?

a)

Hun familie woonde daar al

b)

Mensen hadden last van het lawaai van de trein

c)

Er was veel werk te vinden in de stad

d)

Het werd saai op het plattenland