wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

herhaling krachten, snelheid, moleculen, warmtetransport 2A

Total questions: 76

Worksheet time: 42mins

Name
Class
Date
1.
Als je water kookt, gaat het verdampen. Wat gebeurt er dan met de snelheid van de moleculen?
a)
De moleculen gaan sneller bewegen.
b)
De moleculen gaan langzamer bewegen.
c)
De snelheid blijft gelijk.
2.
Een stuk zeep ruikt vaak lekker. In welke fase is een stof die je ruikt?
a)
vaste fase
b)
vloeibare fase
c)
gasfase
3.
Bij welke faseovergang gaan de moleculen sneller bewegen?
a)
stollen
b)
rijpen
c)
verdampen
d)
condenseren
4.

De moleculen trillen op hun plaats. Bij welke fase hoort deze beschrijving?

a)

Gas

b)

Vast

c)

Vloeibaar

d)

Opgelost

5.

Het deeltjesmodel bestaat uit:

a)

Moleculen

b)

Atomen

6.

Wat is een goede beschrijving van een mengsel?

a)

Een mengsel bestaat alleen als vloeistof

b)

Een mengsel bestaat alleen in vaste vorm

c)

Een mengsel bestaat uit 1 soort moleculen en kan in alle fases voorkomen

d)

Een mengsel bestaat uit meerdere soorten moleculen en kan in alle fases voorkomen

7.

Hoeveel stofdeeltjes bevat dit mengsel?

a)

3

b)

1

c)

4

d)

2

8.

Welke fase-overgang is er als mijn trui hangt te drogen aan de waslijn?

a)

Condenseren

b)

Stollen

c)

Verdampen

d)

Vervluchtigen

9.
Als je water kookt, gaat het verdampen. Wat gebeurt er dan met de snelheid van de moleculen?
a)
De moleculen gaan sneller bewegen.
b)
De moleculen gaan langzamer bewegen.
c)
De snelheid blijft gelijk.
10.
Gassen kunnen ook uit zetten
a)
waar
b)
niet waar
c)

geen idee

11.

Wat is de fase-overgang van gas naar vloeibaar?

a)

Smelten

b)

Stollen

c)

Condenseren

d)

Vervluchtigen

12.

Wanneer een stof condenseert, wordt de stof...

a)

een gas

b)

een vaste stof

c)

een vloeistof

13.

Welke faseovergang is weergegeven met e?

a)

smelten

b)

stollen

c)

vervluchtigen

d)

rijpen

14.

De geur van een stuk zeep kan je waarnemen doordat de zeep ...

a)

smelt

b)

verdampt

c)

sublimeert

d)

condenseert

e)

desublimeert

15.

De faseovergang van gasvormig naar vast heet...

a)

Stollen

b)

Smelten

c)

Condenseren

d)

Desublimeren

16.

Bij een faseovergang breken de moleculen op in kleinere stukken.

a)

juist

b)

onjuist

17.

Tussen de moleculen van een gas zit lucht

a)

juist

b)

onjuist

18.
een gas kun je samen persen
a)
nee nooit
b)
soms
c)
ja altijd
d)
ligt er aan welk gas
19.
gassen kunnen......
a)
verdampen en smelten
b)
condenseren en smelten
c)

condenseren en desublimeren

d)

stollen en sublimeren

20.
vaste stoffen kunnen .......
a)

smelten en sublimeren

b)
smelten en stollen
c)
stollen en vervluchtigen
d)
vervluchtigen en rijpen
21.
vloeistoffen kunnen....
a)
verdampen en stollen
b)
verdampen en condenseren
c)
condenseren en vervluchtigen
d)
smelten en rijpen
22.

Wanneer stoffen worden verwarmd, zal er altijd een faseovergang zijn.

a)

waar

b)

niet waar

c)

geen idee

23.

De massa van een stof verandert als de temperatuur verandert.

a)

waar

b)

niet waar

c)

geen idee

24.

Bij een chemische omzetting...

a)

Worden er nieuwe atomen gemaakt

b)

worden er nieuwe moleculen gemaakt

c)

verandert enkel de afstand tussen de moleculen

25.

Het rotten van voedsel is een voorbeeld van...

a)

een faseovergang

b)

een atoom

c)

een chemische reactie

26.

Bij een faseovergang worden er nieuwe moleculen gemaakt

a)

waar

b)

niet waar

27.

Bij een vloeistof zijn er geen cohesiekrachten tussen de deeltjes.

a)

juist

b)

fout

28.

zuurstof bij 20°C is ...

a)

vast

b)

vloeibaar

c)

gasvormig

29.

van vast naar gas is ...

(a)  

30.

Bij een faseovergang verandert enkel de afstand tussen de moleculen.

a)

juist

b)

fout

31.

Wat is de faseovergang?

"Na een droge, koude winternacht is mijn autoruit bevroren"

a)

verdampen

b)

sublimeren

c)

desublimeren

d)

condenseren

32.

Wat is geen stofeigenschap?

a)

Geur

b)

Kleur

c)

Smaak

d)

Structuur

33.

We kunnen overgaan van een vaste stof naar een vloeistof door energie toe te voegen.

a)

juist

b)

fout

34.

Een zuivere stof kan bestaan uit meerdere soorten atomen.

a)

juist

b)

fout

35.

Een lepel zout wordt toegevoegd aan een glas met water. Hoeveel soorten moleculen vinden we in het glas terug?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

36.

Een lepel zout (NaCl) wordt toegevoegd aan een glas met water. Hoeveel soorten atomen vinden we in het glas terug?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

37.

Wat is geen mengsel?

a)

Wijn

b)

Kraanwater

c)

Suiker

d)

Cola

38.

Ijs neemt .... plaats in als water

a)

meer

b)

minder

c)

evenveel

d)

kunnen we niet weten

39.

Goud is een

a)

Zuivere stof

b)

Mengsel

40.

Een heterogeen mengsel...

a)

het verschil tussen de stoffen is WEL met het blote oog zichtbaar

b)

het verschil tussen de stoffen is NIET met het blote oog zichtbaar

c)

Bestaat altijd uit twee verschillende atomen

d)

bevat slechts één soort moleculen

41.

Op de afbeelding zie je een ...

a)

heterogeen mengsel

b)

homogeen mengsel

c)

enkelvoudige zuivere stof

d)

meervoudig zuivere stof

42.

Op de afbeelding zie je een ...

a)

heterogeen mengsel

b)

homogeen mengsel

c)

enkelvoudige zuivere stof

d)

meervoudig zuivere stof

43.

Op de afbeelding zie je een ...

a)

heterogeen mengsel

b)

homogeen mengsel

c)

enkelvoudige zuivere stof

d)

meervoudig zuivere stof

44.

Op de afbeelding zie je een ...

a)

heterogeen mengsel

b)

homogeen mengsel

c)

enkelvoudige zuivere stof

d)

meervoudig zuivere stof

45.

Een meervoudig zuivere stof bestaat uit ...

a)

verschillende soorten moleculen

b)

één soort molecuul maar verschillende soorten atomen

c)

één soort atomen

46.

Het roesten van ijzer is een ...

a)

faseovergang

b)

stofomzetting

c)

geen van beiden

47.

Het bakken van vlees is een ...

a)

faseovergang

b)

stofomzetting

c)

geen van beiden

48.

Het maken van een sneeuwman

a)

faseovergang

b)

stofomzetting

c)

geen van beiden

49.

Wanneer er nieuwe moleculen worden gevormd is er sprake van een ...

a)

faseovergang

b)

stofomzetting

c)

geen van beiden

50.

De stofeigenschappen veranderen

a)

faseovergang

b)

stofomzetting

c)

geen van beiden

51.

Warm kaarsvet verhard bij afkoeling. Dit is een voorbeeld van ...

a)

faseovergang

b)

stofomzetting

52.

Het samenvoegen van olie en water

a)

faseovergang

b)

stofomzetting

c)

geen van beiden

53.

Een kracht kan zorgen voor een verandering van snelheid. Dit is een ...

a)

statisch effect

b)

dynamisch effect

c)

moleculair effect

d)

snelheidseffect

54.

Ik slaag op een bol klei en deze vervormt. Dit is een voorbeeld van een...

a)

statisch effect

b)

dynamisch effect

c)

stofomzetting

d)

faseovergang

55.

Je ziet hier een voorbeeld van...

a)

zwaartekracht

b)

statisch effect

c)

trekkracht

d)

normaalkracht

56.

Gewicht en normaalkracht komen altijd samen voor. Daarenboven hebben ze altijd dezelfde grootte en richting, maar hebben ze een tegengestelde zin.

a)

waar

b)

niet waar

57.

Bij een vrije val heb je geen massa maar wel gewicht.

a)

waar

b)

niet waar

58.

Deze fles van 0,5 liter oefent een kracht uit van ...

a)

0,5N

b)

5N

c)

50N

d)

0,5 kg

59.

Je ziet hier een voorbeeld van...

a)

zwaartekracht

b)

statisch effect

c)

trekkracht

d)

normaalkracht

60.

De richting van de kracht is ...

a)

rechts

b)

500 N

c)

horizontaal

d)

evenwijdig

61.

De zin van de kracht is ...

a)

rechts

b)

500 N

c)

horizontaal

d)

evenwijdig

62.

Op de afbeelding zie je een verschillend(e) ...

a)

zin

b)

richting

c)

aangrijpingspunt

d)

kracht

63.

Wat is de resulterende kracht?

a)

100 N

b)

40 N

c)

30 N

d)

70 N

64.

8 m/s is ongeveer gelijk aan ...

a)

8 km/u

b)

15 km/u

c)

30 km/u

d)

50 km/u

65.

Even rekenen...

Matteo loopt 100m op 20 seconden. Wat is zijn snelheid (v)?

a)

5 km/u

b)

50 km/u

c)

10 m/s

d)

18 km/u

66.

even rekenen...

de snelheid (v) van een jachtluipaard is 100 km/u.

Het beest loopt gedurende 14 seconden (t) achter een antiloop.

Hoeveel meter (s) heeft het jachtluipaard afgelegd?

a)

389 m

b)

1400 m

c)

7 m

d)

547m

67.

De lengte van een kind van 12 jaar is 1500 ...

a)

m

b)

dm

c)

cm

d)

mm

68.

Je ziet hier een voorbeeld van ...

a)

warmtegeleiding

b)

straling

c)

convectie

d)

faseovergang

69.

Een ijsblokje in je hand smelt. Dit is een voorbeeld van ...

a)

wartmtegeleiding

b)

warmtestraling

c)

convectie

70.

Convectie kan alleen plaatsvinden bij vloeistoffen

a)

waar

b)

niet waar

71.

Je ziet hier een voorbeeld van ...

a)

wartmtegeleiding

b)

warmtestraling

c)

convectie

72.

Als er geen temperatuursverschil is, zal er ook geen warmtetransport zijn.

a)

waar

b)

niet waar

73.

warmtetransport gaat altijd van een gebied/stof met hoge temperatuur naar gebied/stof met lagere temperatuur

a)

waar

b)

niet waar

74.

warmtestraling is voorgesteld door ...

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

75.

geleiding is voorgesteld door ...

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

76.

Jezelf even opwarmen in het zonnetje is een voorbeeld van ...

a)

geleiding

b)

straling

c)

convectie