wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

quizizz 2

Total questions: 87

Worksheet time: 44mins

Name
Class
Date
1.
Hoe heet orgaan 1?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
2.
Hoe heet orgaan 2?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
3.
Hoe heet orgaan 3?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
4.
Dit sap verteert vetten, eiwitten en zetmeel.
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagsap
d)
Speeksel
5.
Dit sap zorgt ervoor dat vet en water kunnen mengen.
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagsap
d)
Speeksel
6.
Deze darm bevat bacteriën.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
7.
Hier wordt de voedselbrij ingedikt.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
8.
Deze darm bevat darmvlokken.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
9.
Welk orgaan maakt alvleessap?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
10.
Je slikt een stukje brood door. Welk orgaan komt dit voedingsmiddel het eerste tegen?
a)
Dunne darm
b)
Maag
c)
Twaalvingerige darm
d)
Dikke darm
11.
Dit doodt bacteriën. 
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagzuur
d)
Darmsap
12.

Zie afbeelding (gif). Welke bewegingen die de lengte- en kringspieren afwisselend in de darmwand maken, worden hier afgebeeld?

a)

Periscopische beweging

b)

Statische beweging

c)

Peristaltische beweging

13.

In welk orgaan worden voedingsstoffen in het bloed opgenomen?

a)

Maag

b)

Twaalfvingerige darm

c)

Dunne darm

d)

Dikke darm

14.

Welk orgaan breekt schadelijke stoffen af?

a)

Maag

b)

Dikke darm

c)

Lever

d)

Alvleesklier

15.

Wat zorgt ervoor dat de vertering sneller en soepeler verloopt?

a)

verteringsklieren

b)

verteringssappen

c)

peristaltiek

16.

Je ziet hier een afbeelding van een kies. Wat is nummer 4?

a)

tandholte

b)

tandbeen

c)

glazuur

d)

cement

17.

In welk deel van de darmkanaal wordt veel vocht uit de voedselbrij opgenomen?

a)

deel 5

b)

deel 4

c)

deel 2

18.

Als je je eten wilt doorslikken, werken de volgende 2 organen samen...

a)

strottenhoofd en keelholte

b)

huig en strottenhoofd

c)

strottenklepje en huig

d)

keelholte en mondholte

19.

Voedingsstoffen hebben verschillende taken in het lichaam. De hoofdtaak van mineralen is ..

a)

brandstof

b)

reservestof

c)

bouwstof

d)

beschermende stof

20.

Voedingsstoffen hebben verschillende taken in het lichaam. De hoofdtaak van vocht is ..

a)

brandstof

b)

reservestof

c)

bouwstof

d)

beschermende stof

21.
Welk van de onderstaande sappen bevatten enzymen
a)
Alvleessap en speeksel
b)
Alvleessap en maagzuur
c)
Gal en maagzuur
d)
Gal en speeksel
22.

Een meisje wilt afvallen. Ze valt ontzettend veel af door helemaal niks meer te eten. Ze wordt ziek. Welke eetstoornis heeft ze?

a)

anorexia

b)

obesitas

c)

boulimia

23.

In welk deel van de darmkanaal worden veel voedingsstoffen opgenomen uit de voedselbrij?

a)

deel 5

b)

deel 4

c)

deel 2

24.

Voedingsstoffen hebben verschillende taken in het lichaam. De hoofdtaak van koolhydraten is ..

a)

brandstof

b)

reservestof

c)

bouwstof

d)

beschermende stof

25.

Voedingsstoffen hebben verschillende taken in het lichaam. De hoofdtaak van vetten is ..

a)

brandstof

b)

reservestof

c)

bouwstof

d)

beschermende stof

26.

Voedingsstoffen hebben verschillende taken in het lichaam. De hoofdtaak van vezels is ..

a)

brandstof

b)

reservestof

c)

bouwstof

d)

beschermende stof

e)

vezels is geen voedingsstof, maar zeer belangrijk voor een goede darmwerking

27.

Het voedsel dat een organisme eet, bepaalt zijn gebit. Planteneters hebben ... om het eten te vermalen.

a)

knipkiezen

b)

plooikiezen

c)

knobbelkiezen

28.

Het voedsel dat een organisme eet, bepaalt zijn gebit. Vleeseters hebben ... om het eten te vermalen.

a)

knipkiezen

b)

plooikiezen

c)

knobbelkiezen

29.

Het voedsel dat een organisme eet, bepaalt zijn gebit. Alleseters hebben ... om het eten te vermalen.

a)

knipkiezen

b)

plooikiezen

c)

knobbelkiezen

30.

Het voedsel moet door het gehele spijsverteringskanaal gaan om verteerd te kunnen worden. Om dit te regelen zijn peristaltische bewegingen nodig, darmperistaltiek. Waar tref je allemaal peristaltiek aan?

Kies de beste optie.

a)

de dunne darm en maag

b)

de dunne darm en dikke darm

c)

maag en slokdarm

d)

slokdarm, dunne en dikke darm

31.

Tik alle plantaardige voedingsmiddelen aan.

a)

Eieren

b)

Spinazi

c)

Zonnebloemolie

d)

Zalmfilet

32.

Tik alle dierlijke voedingsmiddelen aan

a)

Eieren

b)

Melk

c)

Biefstuk

d)

Brood

33.

Welke beschrijving past het beste bij: Deze stoffen leveren energie voor beweging, het op peil houden van de temperatuur en groei, ontwikkeling & herstel

a)

Brandstoffen

b)

Bouwstoffen

c)

Reservestoffen

d)

Beschermende stoffen

34.

Welke beschrijving past het beste bij: Deze stoffen zorgen voor de vorming van cellen en weefsels (vooral bij groei, ontwikkeling en herstel van het lichaam)

a)

Brandstoffen

b)

Bouwstoffen

c)

Reservestoffen

d)

Beschermende stoffen

35.

Welke beschrijving past het beste bij: Deze stoffen zorgen ervoor dat je gezond blijft

a)

Brandstoffen

b)

Bouwstoffen

c)

Reservestoffen

d)

Beschermende stoffen

36.

Welke tand/kies zorgt ervoor dat voedsel fijngemalen wordt?

a)

Kiezen

b)

Snijtanden

c)

Hoektanden

d)

Melktanden

37.

Wat is de naam van orgaan 7

(a)  

38.

Hoe heet het orgaan dat verantwoordelijk is voor: gal produceren en vetten emulgeren

(a)  

39.

Welke kiezen hebben paarden?

(a)  

40.

In welk orgaan begint de vertering van vetten?

(a)  

41.

Waarom is het belangrijk dat baby's vloeibaar voedsel krijgen in de eerste maanden?

a)

De peristaltiek werkt nog niet goed

b)

De voedingsstoffen worden dan beter opgenomen in het bloed

c)

Hierdoor worden de ontlasting niet te droog en kost het poepen geen moeite, want de anus werkt nog niet

d)

De baby heeft nog geen tanden en kan nog niet kauwen

42.

Vindt in de mond vertering plaats?

a)

Nee, in de mond wordt alleen gekauwd en dat is geen vertering

b)

Ja, in de mond wordt gekauwd en dat is mechanische vertering

c)

Nee, in de mond komt geen verteringssap

d)

Ja, in de mond komt speeksel bij het voedsel en dat verteert zetmeel

43.

Joodoplossing is een indicator van......

a)

Vitaminen

b)

Wit

c)

Zetmeel

d)

Glucose

44.
De functie van glazuur is?
a)
Laagje om het tandbeen van de wortels
b)
Het bevestigt de tand of kies in de kaak
c)
Zeer harde laag om het tandbeen van de kroon
d)
Het deel dat buiten de kaak uitsteekt
45.
Plantaardig voedsel is makkelijker verteerbaar dan dierlijk voedsel
a)
Juist
b)
Onjuist
46.
Herbivoren hebben een lang darmkanaal in verhouding tot hun lichaamslengte
a)
Juist
b)
Onjuist
47.
Een bouwvakker heeft .... energie nodig dan iemand met een kantoor baan
a)
Meer
b)
Minder
c)
Evenveel
48.
Welke verteringsklieren geven verteringssappen af aan de voedselbrij in de twaalfvingerige darm
a)
lever en alvleesklier
b)
lever en maag
c)
alvleesklier en dunne darm
d)
gal en lever
49.
herbivoren hebben knobbelkiezen
a)
waar
b)
niet waar
50.
Welke spijsverteringskanaal is het langst?
a)
varken
b)
koe
c)
wolf
51.
De gibbon is een
a)
omnivoor
b)
carnivoor
c)
herbivoor
52.
Dit is de schedel van een
a)
omnivoor
b)
herbivoor
c)
carnivoor
53.

Welke tand zie je hier?

a)

kies

b)

hoektand

c)

snijtand

54.
Wat zijn voedingsstoffen?
a)
alles wat je eet of drinkt
b)
bruikbare delen uit etenswaren
c)
bouwstoffen en brandstoffen
d)
onverteerbare delen
55.
Wat zijn additieven?
a)
kleurstoffen
b)
geurstoffen
c)
conserveermiddelen
d)
stoffen die extra aan voeding worden toegegvoegd
56.
In welk voedingsmiddel zitten de meeste koolhydraten?
a)
pasta
b)
appels
c)
vis
d)
boter
57.
Wanneer eet je gezond?
a)
als je minder eet dan dat je verbruikt
b)
als je alle voedingstoffen binnen krijgt
c)
als je niet te vet eet
d)
al je niet te zout eet
58.
Deze voedingstof is bouwstof en brandstof maar geen reservestof of beschermende stof.
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Water
59.
Welke voedingstof moet je verteren voor het opgenomen kan worden?
a)
Glucose
b)
Mineralen
c)
Water
d)
Zetmeel
60.
Enzymen zorgen ervoor dat.....
a)
De verteringsreactie wordt versneld
b)
De voedingstoffen door het verteringsstelsel worden geduwd
c)
Vet met water kan mengen
d)
Bacteriën worden gedood
61.
Dit doodt bacteriën. 
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagzuur
d)
Darmsap
62.
Hoe gebruik je de schijf van vijf?
a)
Die zegt wat je MOET eten.
b)
Dit geeft je advies over gezonde voeding
c)
Het is een grote onzin
63.

Vooral een tekort aan deze voedingsstoffen kan ziekte veroorzaken

a)

beschermende stoffen

b)

brandstoffen

c)

bouwstoffen

d)

reservestoffen

64.

Een ei hoort bij ........................voedingsmiddelen

a)

plantaardige

b)

dierlijke

65.

Welke groepen van voedingsstoffen zijn er?

a)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten en vitaminen

b)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, mineralen, water en vitaminen

c)

Eiwitten, vetten, mineralen, zouten, water en vitaminen

d)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten, mineralen, water en vitaminen

66.

Welke voedingsmiddelen zijn beter voor de goede werking van de darmen?

a)

plantaardige

b)

dierlijke

67.
Is een voedingsstof een onderdeel van een voedingsmiddel?
a)
Ja
b)
Nee
68.

Welke zin over voedingsvezels is juist

a)

voedingsvezels kunnen niet worden verteerd

b)

Voedingsvezels zorgen voor energie

c)

Voedingsvezels zorgen voor bouwstoffen

d)

Voedingsvezels is een voedingstof

69.

Wat is gezonder?

a)

Verzadigd vet

b)

Onverzadigd vet

70.

Welke producten bevatten onverzadigd vet?

a)

Roomboter

b)

Vette vis

c)

Noten

d)

Olijfolie

71.

Natrium, calcium en ijzer zijn voorbeelden van

a)

mineralen

b)

vitamines

c)

eiwitten

d)

koolhydraten

72.

Energie zit in de volgende voedingsstoffen

a)

Eiwitten

b)

Vetten

c)

Koolhydraten

d)

Mineralen

e)

Vitaminen

73.

Beschermende stoffen zijn

a)

Vitaminen

b)

Mineralen

c)

Eiwitten

d)

Water

e)

Vetten

74.
Waarvan is de hoeveelheid eten die je per dag nodig hebt afhankelijk?
a)
leeftijd
b)
lengte
c)
geslacht
d)
alle drie
75.

In de afbeelding is het verband tussen de temperatuur en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Bij welke temperaturen is dit enzym tijdelijk onwerkzaam?

a)

Alleen bij temperaturen onder de 10 graden

b)

Alleen bij temperaturen onder de 35 graden

c)

Alleen bij temperaturen boven de 50 graden

d)

zowel bij temperaturen onder de 10 graden als bij temperaturen boven de 50 graden.

76.

In de afbeelding is het verband tussen de temperatuur en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Wat is de optimumtemperatuur?

a)

10 graden

b)

35 graden

c)

50 graden

77.

In de afbeelding is het verband tussen de zuurgraad en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Wat is de optimum-pH voor dit enzym?

a)

pH van 0

b)

pH van 2

c)

pH van 3,5

78.

Drie methoden om voedselbederf door bacteriën en schimmels tegen te gaan, zijn invriezen, pasteuriseren en steriliseren.

Bij welke van deze methoden kan voedsel het langst houdbaar worden gemaakt?

a)

invriezen

b)

pasteuriseren

c)

steriliseren

79.

Elk jaar lopen zo’n 680 000 mensen in Nederland een voedselvergiftiging op. Dit wordt meestal veroorzaakt door het eten van bedorven voedsel en kan leiden tot koorts, diarree, braken en buikpijn.

Wanneer is de kans op voedselbederf het grootst: in de winter of in de zomer?

a)

in de zomer

b)

in de winter

80.
Schimmels worden gebruikt bij de productie van
a)
Yoghurt, Zuurkool
b)
Bier, Brood
81.

Bacteriën worden gebruikt bij de productie van:

a)

Kaas

b)

Brood

c)

Bier

d)

Wijn

82.
Conserveren is:
a)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën doodgaan en goed kunnen groeien
b)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën niet doodgaan en niet goed kunnen groeien
c)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën doodgaan en niet goed kunnen groeien
83.

Wat betekent het woord conserveren?

a)

Dat is een ander woord voor geur.

b)

Delen van een plant die het eten smaak geven, zoals kaneel.

c)

Genieten van lekker eten.

d)

Zorgen dat het eten langer goed blijft.

84.
Manieren om voedsel te conserveren zijn
a)
vacuüm verpakken
b)
drogen
c)
steriliseren
d)
alle antwoorden zijn manieren van conserveren
85.

Welke additieven zijn natuurlijk? (meerdere antwoorden goed)

a)

Zuur toevoegen

b)

Zoet toevoegen

c)

Kleurstoffen

d)

Geurstoffen

e)

Smaakstoffen

86.

Wat is de ideale temperatuur voor bacteriën/schimmels om te ontwikkelen?

a)

tussen 10° en 40° C

b)

tussen 40° en 75° C

c)

tussen 0° en 30° C

d)

het maakt niet uit

87.

Je verhit melk tot 72 graden, waardoor de meeste bacteriën dood gaan. Hoe heet deze manier van conserveren?

a)

Steriliseren

b)

Pasteuriseren

c)

Invriezen

d)

Koelen