wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling zinsleer

Total questions: 80

Worksheet time: 1hrs 20mins

Name
Class
Date
1.

Heb je een probleem?

a)

mededelende zin

b)

vragende zin

c)

bevelende zin

d)

uitroepende zin

2.

Dit is een korte herhaling van zinsleer tot nu toe.

a)

mededelende zin

b)

vragende zin

c)

bevelende zin

d)

uitroepende zin

3.

Jij moet ook altijd commentaar geven!

a)

mededelende zin

b)

vragende zin

c)

bevelende zin

d)

uitroepende zin

4.

Heb je een probleem?

a)

vraagwoordvraag

b)

ja-neevraag

5.

De leerlingen maken een quiz.

a)

actieve zin

b)

passieve zin

6.

Het gras wordt door de tuinman gemaaid.

a)

actieve zin

b)

passieve zin

7.

Het toetsen worden verbeterd door de leerkracht.

a)

actieve zin

b)

passieve zin

8.

De hond loopt door de straat.

a)

actieve zin

b)

passieve zin

9.

Ik heb geen zin in frietjes.

a)

bevestigende zin

b)

ontkennende zin

10.

Een enkelvoudige zin is een zin met meer dan één persoonsvorm.

a)

juist

b)

fout

11.

Deze mensen kijken eerst goed, voordat ze iets kopen.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

12.

Omdat het stuur blokkeerde, sloeg de auto overkop.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

13.

Na het eten laden wij altijd de vaatwasser in.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

14.

Bestrooi de ovenplaat met zout en leg er schelpen op.

a)

nevenschikking

b)

onderschikking

15.

De 85-jarige bewoonster kon vluchten, maar raakte geblokkeerd op een balkon.

a)

nevenschikking

b)

onderschikking

16.

De man stopte om te zien wat er aan de hand was.

a)

nevenschikking

b)

onderschikking

17.

Hij zag een ladder staan aan de woning en plaatste die tegen het balkon om zo de bejaarde vrouw te redden.

a)

nevenschikking

b)

onderschikking

18.

De brand was ontstaan toen er zich een ontploffing in een televisietoestel voordeed.

a)

nevenschikking

b)

onderschikking

19.

Welk deel van deze zin is de hoofdzin?

De eigenaar van de winkel sluit zijn zaak, omdat hij te weinig winst maakt.

a)

de eigenaar van de winkel

b)

de eigenaar van de winkel sluit zijn zaak

c)

omdat hij te weinig winst maakt

d)

winst maakt

20.

Welk deel van deze zin is de hoofdzin?

Doordat het buiten zo zacht is, zie je al krokussen.

a)

doordat het buiten zo zacht is

b)

buiten zo zacht is

c)

zie je al

d)

zie je al krokussen

21.

Welk deel van deze zin is de bijzin?

Hoewel juf morgen jarig is, moeten we een deel van de dag werken.

a)

hoewel juf morgen jarig is

b)

is

c)

moeten we

d)

moeten we een deel van de dag werken

22.

Welk deel van deze zin is de bijzin?

De fietser gooide zijn kapotte fiets aan de kant, waarna hij te voet verder ging.

a)

de fietser gooide

b)

de fietser gooide zijn kapotte fiets aan de kant

c)

waarna hij te voet verder ging

d)

verder ging

23.

Het gedicht is geschreven door Edna St. Vincent Millay en Lieke Marsman maakte de hertaling.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin met nevenschikking

c)

samengestelde zin met onderschikking

24.

Een ander werelddeel kan natuurlijk ook.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin met nevenschikking

c)

samengestelde zin met onderschikking

25.

Wie het laatst binnenkomt, moet trakteren.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin met nevenschikking

c)

samengestelde zin met onderschikking

26.

Mijn fiets kan niet meer gemaakt worden door de fietsenmaker.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin met nevenschikking

c)

samengestelde zin met onderschikking

27.

Ik eet wat ik lekker vind.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin met nevenschikking

c)

samengestelde zin met onderschikking

28.

Ons bedrijf bestaat dit jaar een eeuw en daarom geven we korting op al onze producten.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin met nevenschikking

c)

samengestelde zin met onderschikking

29.

Hij maakt zich geen zorgen omdat hij goed voorbereid is.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin met nevenschikking

c)

samengestelde zin met onderschikking

30.

Mugabe af te treden ondanks de toenemende druk.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin met nevenschikking

c)

samengestelde zin met onderschikking

31.

Wat is de persoonsvorm? / Wat zijn de persoonsvormen?

Dat verandert de zaak!

a)

Dat

b)

verandert

c)

de

d)

zaak

32.

Wat is de persoonsvorm? / Wat zijn de persoonsvormen?

Vergeet je de tas morgen niet?

a)

Vergeet

b)

je

c)

de

d)

tas

e)

morgen

33.

Wat is de persoonsvorm? / Wat zijn de persoonsvormen?

De leerling had zijn huiswerk gemaakt, maar hij was zijn schrift vergeten.

a)

leerling

b)

had

c)

gemaakt

d)

was

e)

vergeten

34.

Wat is de persoonsvorm? / Wat zijn de persoonsvormen?

Hij gaat op vakantie.

a)

Hij

b)

gaat

c)

op

d)

vakantie

35.

Wat is de persoonsvorm? / Wat zijn de persoonsvormen?

Pas als je alle woorden goed hebt, worden de woorden groen.

a)

woorden

b)

hebt

c)

worden

d)

groen

36.

Wat is de persoonsvorm? / Wat zijn de persoonsvormen?

Ik ga morgen naar de markt, voordat ik naar mijn werk fiets.

a)

Ik

b)

ga

c)

morgen

d)

werk

e)

fiets

37.

Wat is de persoonsvorm? / Wat zijn de persoonsvormen?

Simone wil graag een nieuwe fiets voor haar verjaardag en ze wil ook graag een mooi boek.

a)

Simone

b)

wil

c)

verjaardag

d)

wil

e)

boek

38.

Wat is de persoonsvorm? / Wat zijn de persoonsvormen?

Door de najaarsstorm waaiden de pannen van het dak.

a)

najaarsstorm

b)

waaiden

c)

pannen

d)

het

e)

dak

39.

Wat is de persoonsvorm? / Wat zijn de persoonsvormen?

Sandra roept en huilt om haar moeder.

a)

Sandra

b)

roept

c)

huilt

d)

haar

e)

moeder

40.

Wat is de persoonsvorm? / Wat zijn de persoonsvormen?

Het schrijven van een betoog vinden de leerlingen moeilijk.

a)

Het

b)

schrijven

c)

betoog

d)

vinden

e)

leerlingen

41.

Welke woorden in deze zin horen bij het werkwoordelijk gezegde?

Dirk Bracke heeft veel boeken geschreven.

(a)  

42.

Welke woorden in deze zin horen bij het naamwoordelijk gezegde?

Ik ben een filmfan.

(a)  

43.

Heeft deze zin een naamwoordelijk of een werkwoordelijk gezegde?

Ik wil later fotograaf worden!

a)

naamwoordelijk gezegde

b)

werkwoordelijk gezegde

c)

Goed geprobeerd... Geen één van de twee!

44.

Heeft deze zin een naamwoordelijk of een werkwoordelijk gezegde?

Ben jij gisteren flauwgevallen?

a)

naamwoordelijk gezegde

b)

werkwoordelijk gezegde

c)

Goed geprobeerd... Geen één van de twee!

45.

Welke delen van het werkwoordelijk gezegde vind je hier in de zin?

Hij heeft zich opgeofferd voor zijn grote liefde!

a)

pv + wed vnw + vd

b)

pv + vd

c)

pv

d)

pv + adpv

e)

pv + wed vnw + adpv

46.

Welke delen van het werkwoordelijk gezegde vind je hier in de zin?

Was jij jou iedere ochtend?

a)

pv + wed vnw + vd

b)

pv + wed vnw

c)

pv

d)

pv + adpv

e)

pv + inf

47.

Welke delen van het werkwoordelijk gezegde vind je hier in de zin?

Breken dieven altijd in met geweld?

a)

pv + adpv + inf

b)

pv + adpv + vd

c)

pv + adpv

d)

pv + wed vnw

48.

Heeft deze zin een naamwoordelijk of een werkwoordelijk gezegde?

De zon schijnt fel.

a)

naamwoordelijk gezegde

b)

werkwoordelijk gezegde

c)

Goed geprobeerd... Geen één van de twee!

49.

Heeft deze zin een naamwoordelijk of een werkwoordelijk gezegde?

Jij lijkt wel Justin Bieber!

a)

naamwoordelijk gezegde

b)

werkwoordelijk gezegde

c)

Goed geprobeerd... Geen één van de twee!

50.

Welke woorden in deze zin horen bij het werkwoordelijk gezegde?

Ik wil graag leren fietsen.

(a)  

51.

Welke woorden horen bij het naamwoordelijk gezegde?

Mijn lieve, mooie kat heet Rallou.

a)

lieve, mooie heet Rallou

b)

heet Rallou

c)

Mijn lieve, mooie kat

d)

heet

52.

Duid alle woorden aan die bij het werkwoordelijk gezegde horen in deze zin:

De brandweer probeerde de brand te blussen met heel veel water.

a)

De brandweer

b)

probeerde

c)

de brand

d)

te

e)

blussen

53.

Duid alle woorden aan die bij het werkwoordelijk gezegde horen in deze zin:

Hij had die oefening helemaal niet gezien!

a)

Hij

b)

had

c)

die oefening

d)

helemaal niet

e)

gezien

54.

WWG of NWG: Ik ben vandaag zeer blij.

a)

WWG : ben

b)

NWG : ben

c)

NWG : ben + zeer blij

d)

NWG : ben + vandaag zeer blij

55.

Wat is mijn pv?

Waar zullen ze de dieren onderbrengen?

a)

zullen

b)

onderbrengen

56.

Dit wist je vast niet!

Wat is het onderwerp?

a)

dit

b)

je

c)

wist

d)

niet

57.

Wat is hier het volledige WWG?

Tinneke heeft gisteren gevoetbald met de meisjes.

a)

heeft

b)

gevoetbald

c)

heeft gevoetbald

58.

Is het een WWG of NWG ?

Alle ribben zijn van de ruggengraat losgemaakt.

a)

WWG

b)

NWG

59.

Wat is het onderwerp en de pv? (Let op de volgorde)

Twee voorwerpen waren duidelijk te zien.

a)

Twee voorwerpen

b)

Twee voorwerpen waren te zien

c)

waren twee voorwerpen

d)

Twee voorwerpen waren

60.

NWG of WWG?

Een operatie leek onvermijdelijk.

a)

NWG : leek

b)

WWG : leek

c)

NWG : leek onvermijdelijk

d)

WWG : een operatie leek

61.

Zoek het wwg:

Wat heeft je vriendin jou eigenlijk verteld?

a)

wat verteld

b)

heeft verteld

c)

jou

d)

verteld

62.

Zoek het wwg:

De terroristen hebben extreem gewelddadig gehandeld.

a)

de terroristen

b)

gehandeld

c)

hebben gehandeld

d)

hebben extreem gehandeld

63.

Zoek het onderwerp

Niemand was bij de intocht van Sinterklaas onder de indruk van de rode Pieten.

a)

de intocht van Sinterklaas

b)

de rode Pieten

c)

de indruk

d)

niemand

64.

Zoek het onderwerp:

Zijn complete platenverzameling heeft mijn opa aan zijn liefste kleinkind gegeven.

a)

platenverzameling

b)

zijn complete platenverzameling

c)

mijn opa

d)

zijn liefste kleinkind

65.

Zoek de pv:

Doorgaans hebben Bob en Dirk weinig tijd aan hun huiswerk besteed.

a)

hebben

b)

hebben besteed

c)

Bob en Dirk

d)

huiswerk

66.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Ze legde haar hand op zijn hand.

a)

Ze

b)

legde

c)

haar hand

d)

zijn

67.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Heeft de hond een bruine vacht?

a)

Heeft

b)

hond

c)

de hond

d)

vacht

68.

Wat is het onderwerp?

Door veel te sporten maak je spieren aan.

a)

Door

b)

Door veel te sporten

c)

maak

d)

je

69.

Wat is het onderwerp?

Wie dit ziet, wordt bang.

a)

Wie

b)

bang

c)

wie dit ziet

d)

wie dit

70.

Wat is het onderwerp?

Tegenwoordig jagen volwassenen ook op Pokemon.

a)

Tegenwoordig

b)

Volwassenen

c)

Pokemon

71.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Welke resultaten kloppen echt?

a)

Welke

b)

resultaten

c)

welke resultaten

d)

kloppen

72.
Ik heb gisteren shoarma gegeten.
a)
wwg: heb gegeten
b)
wwg: heb shoarma gegeten
c)
nwg: heb shoarma gegeten
d)
nwg: heb gisteren gegeten
73.
Zouden jullie mij de ketchup even willen geven?
a)
wwg: zouden geven
b)
wwg: zouden willen geven
c)
nwg: zouden de ketchup geven
d)
nwg: zouden de ketchup willen geven
74.
In periode 3 worden de resultaten vaak beter.
a)
wwg: worden
b)
wwg: worden beter
c)
nwg: worden beter
d)
nwg: worden de resultaten beter
75.
Hij is altijd aardig tegen me gebleven.
a)
wwg: is gebleven
b)
wwg: is aardig gebleven
c)
nwg: is gebleven
d)
nwg: is aardig gebleven
76.
Waar liggen mijn sleutels?
a)
wwg: liggen
b)
wwg: liggen mijn sleutels
c)
nwg: liggen mijn sleutels
d)
nwg: waar liggen
77.
Mijn broer heeft gisteren een Tesla gekocht.
a)
wwg: heeft
b)
wwg: heeft gekocht
c)
nwg: heeft gisteren gekocht
d)
nwg: heeft een Tesla gekocht
78.
Je zult dat toch echt aan je ouders moeten vragen.
a)
wwg: zult vragen
b)
wwg: zult moeten vragen
c)
nwg: zult dat moeten vragen
d)
nwg: zult aan je ouders vragen
79.
De verlichting op mijn kamer is stukken beter geworden.
a)
wwg: is
b)
wwg: is geworden
c)
nwg: is geworden
d)
nwg: is stukken beter geworden
80.
Wij moesten tijdens de pauze in lokaal B10 blijven.
a)
wwg: moesten
b)
wwg: moesten blijven
c)
nwg: moesten tijdens de pauze blijven
d)
nwg: moesten in lokaal B10 blijven.