wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V5 Gesteentekringloop en exogene krachten

Total questions: 50

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Fossielen kunnen we vinden in...

a)

Dieptegesteenten

b)

Vulkanische gesteenten

c)

Sedimentgesteenten

d)

Metamorfe gesteenten

2.

Wat is er typisch aan dieptegesteenten?

a)

Grote kristallen

b)

Kleine kristallen (niet zichtbaar)

3.

welke soorten verwering zijn er

a)

mechanische verwering

b)

gesteente verwering

c)

chemische verwering

d)

vegetarische verwering

4.

door wat ontstaan grotten

a)

dieren

b)

chemische verwering

c)

mijnwerkers

d)

die ontstaan niet bestaan altijd al

5.

Graniet is een voorbeeld van...

a)

Sedimentair gesteente

b)

Dieptegesteente

c)

Uitvloeiingsgesteente

d)

Metamorf gesteente

6.

Basalt is een ....

a)

dieptegesteente

b)

vulkanisch gesteente

c)

sedimentgesteente

d)

metamorf gesteente

7.

Stollingsgesteente dat ontstaat wanneer magma ondergronds afkoelt en stolt.

(a)  

8.

De doorgaande omvorming van stollingsgesteente naar sedimentgesteente naar metamorf gesteente en zo maar door (a)  

9.

Gesteente dat ontstaat doordat bestaand gesteente onder invloed van hoge temperatuur en grote druk langzaam wordt vervormd.

(a)  

10.

Metamorf gesteente dat ontstaat uit kalksteen.

(a)  

11.

Gesteente dat ontstaat doordat vloeibare lava of vloeibaar magma stolt.

(a)  

12.

Stollingsgesteente dat ontstaat wanneer lava aan het aardoppervlak afkoelt en stolt.

(a)  

13.

Wat zie je bij L?

a)

intrusie

b)

sedimentgesteente

c)

stollingsgesteente

d)

metamorfe gesteente

14.

Welke hoofdgroep van gesteenten zie je in de afbeelding?

(a)  

15.

Welk gesteente hoort niet in het rijtje

a)

metamorf gesteente

b)

rudimentair gesteente

c)

sedimentair gesteente

d)

stollingsgesteente

16.
Een voorbeeld van een sedimentsgesteente is:
a)
leisteen
b)
graniet
c)
zandsteen
d)
gneis
17.
Sedimentsgesteente kan worden omgezet in een metamorf gesteente door:
a)
smelten en stollen
b)
hitte en druk
c)
verwering en sedimentatie
d)
opheffing en druk
18.
Bij de korte hydrologische kringloop is de juiste volgorde:
a)
smelten, condensatie, verdamping en neerslag
b)
verdamping, neerslag, infiltratie en condensatie
c)
verdamping, afkoeling, condensatie en neerslag
d)
condensatie, neerslag, infiltratie en verdamping
19.
Het grootste gedeelte van de koolstof op aarde is opgeslagen in: 
a)
de levende wezens op aarde (planten en dieren)
b)
fossiele brandstoffen
c)
de oceanen
d)
afzettingsgesteenten
20.

De vorming van graniet door stolling van magma is een:

a)

Exogeen proces

b)

Endogeen proces

21.

Welk van de volgende processen verloopt snel?

a)

de stolling van basalt

b)

de stolling van graniet

c)

de vorming van metamorf gesteente

d)

de gesteentekringloop

22.

Waarom is de vorming van metamorf gesteente zo moeilijk voorstelbaar?

a)

Het gebeurt zo ontzettend snel.

b)

Het gebeurt diep onder de grond.

c)

Het gebeurt diep onder water.

d)

Het gebeurt hoog in de bergen.

23.

Welke van de uitspraken gaan over stollingsgesteente?

a)

Ontstaat als gevolg endogene processen.

b)

Ontstaat als gevolg van exogene processen.

c)

Ontstaat korreltje voor korreltje en laagje voor laagje.

d)

Een gesteente zonder duidelijke structuur.

e)

Zakt weg en wordt samengeperst.

24.

De Grand Canyon is ontstaan door

a)

Verwering

b)

Erosie

c)

Verval

d)

Aardverschuiving

25.

Het vulkanisme op Hawaii is het gevolg van

a)

Subductie

b)

Divergentie

c)

Hotspots

d)

Convergentie

26.

Een Mid-Oceanische rug ontstaat in een....

a)

Convergentiezone

b)

Subductiezone

c)

Divergentiezone

27.

Uit welk gesteente bestaat continentale korst?

a)

Basalt

b)

Graniet

28.

Door welk endogeen proces zijn de gesteenten waaruit schilden bestaan, aan het aardoppervlak gekomen?

a)

erosie

b)

opheffing

c)

subductie

d)

aardbevingen

29.

ertsvorming door exogene processen vindt plaats door:

a)

fysische verwering

b)

chemische verwering

30.

Wat kun je zeggen over het gesteente dat aan het aardoppervlak ligt bij de schilden?

a)

Het is hard (resistent) gesteente

b)

Het is geen hard (resistent) gesteente

31.

Een rivier slijt een dal uit in de vorm van de letter?

a)

V, dus het is een V-dal

b)

U, dus het is een U-dal

32.

Wat is een ander woord voor glaciaal?

(a)  

33.

Wat krijg je als water zacht stroomt?

a)

erosie

b)

verwering

c)

sedimentatie

d)

horsten

34.

Welke soort kust heeft Nederland?

a)

Een aanslibbingskust

b)

Een afbraakkust

c)

Een klifkust

35.

In de buitenbocht van een rivier stroomt het water...?

a)

niet

b)

snel

c)

langzaam

d)

gesedimenteerd

36.

De bochten van een rivier heten ook wel?

(a)  

37.

Welk begrip:

Het eerste stuk van de rivier vanaf de bron, waar veel reliëf is en waar de rivier snel stroomt.

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

38.

Bekijk de afbeelding. Wat hoort er bij cijfer 4?

a)

Gletsjerpoort

b)

Gletsjerrivier

c)

Zijmorene

d)

Eindmorene

39.

Wat is een gemengde rivier?

a)

Rivier die smeltwater van gletsjers en regenwater afvoert.

b)

Rivier die helemaal afhankelijk is van regenwater.

c)

Rivier die smeltwater van gletsjers afvoert.

40.

Hoogteverschil in het landschap

a)

Plaat

b)

Aardkorst

c)

Reliëf

d)

Verwering

41.

Gebied dat hoger ligt dan 1.500 meter boven NAP

a)

Hooggebergte

b)

Heuvelland

c)

Middelgebergte

d)

Laagland

42.

Door welke plaatbeweging ontstaan bergen?

a)

Convergent - Naar elkaar toe.

b)

Divergent - Uit elkaar.

c)

Transform - Langs elkaar.

43.

Waar vindt erosie en sedimentatie plaats in de rivier?

a)

binnenbocht = sedimentatie, buitenbocht = erosie

b)

buitenbocht = erosie, binnenbocht = erosie

c)

binnenbocht = sedimentatie, buitenbocht = sedimentatie

d)

binnenbocht = erosie, buitenbocht = sedimentatie

44.
Door erosie
a)
worden dalen dieper en breder.
b)
worden bergen hoger.
c)
worden bergen lager.
d)
worden gletsjers groter en langer.
45.

Zet in goede volgorde van klein naar groot:

a)

grind, rotsen, zand, klei

b)

rotsen, grind, zand, klei

c)

klei, zand, rotsen, grind

d)

klei, zand, grind, rotsen

46.

Wat is erosie?

a)

Het afschuren van stenen door water, ijs of wind

b)

Het afbrokkelen van gesteente

c)

Gletsjers die puin mee nemen

d)

De grens tussen twee stroomgebieden

47.

Wat is een gletsjer?

a)

IJsmassa in het hooggebergte die langzaam naar beneden schuift

b)

IJsmassa in het laagland die langzaam verder schuift.

c)

IJsmassa in het hooggebergte die snel naar beneden schuift.

48.

Fossielen kunnen we vinden in...

a)

Dieptegesteenten

b)

Vulkanische gesteenten

c)

Afzettingsgesteenten

d)

Metamorfe gesteenten

49.

Juist of fout? Na metamorfose van kalksteen krijgen we marmer.

a)

Juist

b)

Fout

50.

Juist of fout? Dieptegesteenten kunnen we nooit aan de oppervlakte van de aarde vinden.

a)

Juist

b)

Fout