Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nier en Huid_6V

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Welke huidlaag heeft volgende kenmerken?

* 1 - 3 mm dik

* bloedvaten

* lymfevaten

* klieren

* zenuwen

* zintuigcellen

a)

opperhuid

b)

lederhuid

c)

onderhuids bindweefsel

2.

De bovenste huidlaag noemt men

a)

de opperhuid

b)

de lederhuid

c)

het onderhuids bindweefsel

3.

De huid kan de lichaamstemperatuur regelen zowel door te rillen als door te zweten. Is dat juist of fout?

a)

juist

b)

fout

4.

Uit welke 2 lagen bestaat de huid?

a)

Lederhuid

b)

Onderhuids bindweefsel

c)

Opperhuid

d)

vet

5.

Uit welke 2 lagen bestaat de opperhuid?

a)

Kiemlaag

b)

Lederhuid

c)

Opperhuid

d)

Hoornlaag

6.

De hoornlaag bestaat uit:

a)

Dode cellen

b)

Levende cellen

7.

De kiemlaag bestaat uit:

a)

Dode cellen

b)

Levende cellen

8.

De functie van de hoornlaag is...

a)

Het beschermen tegen beschadiging, uitdroging en ziektes.

b)

Het delen van de cellen om de huid te vernieuwen.

9.

De drukzintuigen liggen...

a)

diep in de huid.

b)

onder de opperhuid.

10.

Wat is de functie van zweet?

a)

Het afkoelen van je lichaam door verdamping.

b)

Het opwarmen van je lichaam door verdamping.

c)

Het afkoelen van je lichaam door een isolerend laagje te vormen.

d)

Het opwarmen van je lichaam door een isolerend laagje te vormen.

11.

In onderhuids bindweefsel....

a)

Liggen vetten opgeslagen als reservevoedsel.

b)

Liggen eiwitten opgeslagen als reservevoedsel.

c)

Liggen suikers opgeslagen als reservevoedsel.

12.

Uit hoeveel lagen bestaat de huid?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

13.

De vloeistof die uit het bloed in het kapsel van Bowman komt

a)

is geconcentreerde urine

b)

is bloedplasma zonder eiwitten

c)

bevat geen glucose

d)

bestaat voornamelijk uit voor het lichaam onbruikbare stoffen

14.

De vorming van urine vindt plaats in

a)

1 en 2

b)

alleen 3

c)

alleen 4

d)

3 en 4

15.

Het is mogelijk dat bij een persoon die normale hoeveelheden koolhydraten eet, toch glucose in de urine aanwezig is.


Een directe oorzaak hiervan is:

a)

een gering glucoseverbruik van het lichaam

b)

een te hoog glucosegehalte van het bloedplasma

c)

een te grote doorlaatbaarheid van de nierkapsels voor glucose

d)

een verhoogde activiteit van de cellen van de wand van de nierkanaaltjes

16.

Iemand krijgt een bepaald geneesmiddel ingespoten. Dit wordt met het bloed door het lichaam getransporteerd.

Het geneesmiddel wordt in de nieren gefiltreerd, maar niet geresorbeerd.

Het geneesmiddel heeft een schadelijke bijwerking op de dekweefselcellen van de nieren, die groter is naarmate de concentratie van het geneesmiddel hoger wordt.


Bij welke delen van de nier is de beschadiging waarschijnlijk het grootst?

a)

Bij de nieradertjes

b)

Bij de nierkanaaltjes

c)

Bij de nierkapseltjes

d)

Bij de nierslagadertjes

17.

Het antidiuretisch hormoon (ADH) bevordert de resorptie van water in de nieren. Indien er meer ADH hormoon aanwezig is dan normaal, dan zal er

a)

meer voorurine en meer urine dan normaal gevormd worden

b)

evenveel voorurine en meer urine dan normaal gevormd worden

c)

evenveel voorurine en minder urine dan normaal gevormd worden

d)

minder voorurine en minder urine dan normaal gevormd worden

18.

Vier vloeistoffen P, Q, R en S worden onderzocht op de aanwezigheid van bepaalde stoffen en witte bloedcellen. De resultaten staan in de tabel (+ betekent duidelijk aanwezig).


Welke van de vloeistoffen kan voorurine van de mens zijn?

a)

P

b)

Q

c)

R

d)

S

19.

Bij een nier zijn schors, merg en nierbekken te onderscheiden.


In welk deel of in welke delen worden actief stoffen uit de voorurine gehaald?

a)

Alleen in de schors

b)

In d schors en het merg

c)

Alleen in het merg

d)

In de schors, het merg en het nierbekken

20.

Welk cijfer geeft de urineleider aan?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4