wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H2 Check leerstof 4.3

Total questions: 17

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Hoe heette de allereerste voorloper van de EU?

a)

EURO

b)

EG (Europese Gemeenschap)

c)

EEG (Europese Economische Gemeenschap)

d)

EGKS (Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal)

2.

Welke EU-landen zaten er vanaf het begin bij?

a)

Duitsland, Frankrijk, Italië, Benelux

b)

Duitsland, Frankrijk, Groot Brittannië

c)

Frankrijk, Griekenland, Benelux

d)

Groot Brittannië, Benelux, Duitsland

3.

Wat was het belangrijkste doel van de na-oorlogse Europese samenwerking?

a)

vrijhandel bevorderen

b)

een gemeenschappelijke munt

c)

afspraken over migratie

d)

geen oorlog meer

4.

In welk jaar kwamen er in 1 keer 13 landen bij de EU?

a)

1956

b)

1989

c)

2004

d)

2017

5.

Hoe noem je een staatsvorm waarbij 1 persoon alle macht heeft? Een voorbeeld is Noord-Korea

(a)  

6.

Wat hebben de Schengen-landen met elkaar afgesproken?

a)

dat ze de Euro gebruiken als betaalmiddel

b)

dat ze de migranten van buiten de EU eerlijk verdelen

c)

dat er geen grenscontroles plaatsvinden

d)

dat ze elkaar militair beschermen bij een aanval van buitenaf

7.

In veel Oost-Europese landen is de natuurlijke bevolkingsgroei .......... (A) en de sociale bevolkingsgroei .......... (B)

a)

A=positief

B=negatief

b)

A=negatief

B=positief

c)

A=positief

B=positief

d)

A=negatief

B=negatief

8.

Uit welk land komt deze Euro-munt?

a)

Frankrijk

b)

Italië

c)

Duitsland

d)

Ierland

9.

Uit welk land komt deze Euro-munt?

a)

Griekenland

b)

Duitsland

c)

Frankrijk

d)

België

10.

Uit welk land komt deze Euro-munt?

a)

Spanje

b)

Portugal

c)

Groot Brittannië

d)

Griekenland

11.

Deze Euro-munt komt uit (a)  

12.

West-Europese landen hebben een ......... (A).

Oost-Europese landen hadden voor 1989 een ........... (B)

a)

A=vrijemarkteco-nomie

B=kapitalistische economie

b)

A=planeconomie

B=vrijemarkteco-nomie

c)

A=vrijemarkteco-nomie

B=planeconomie

d)

A=communistische economie

B=planeconomie

13.

Een plan-economie heet zo omdat:

a)

burgers voor al hun plannen toestemming moeten vragen

b)

de ruimtelijke ordening door de overheid heel uitgebreid wordt gepland

c)

de overheid voor alle bedrijven in 5-jaren plannen vastlegt wat ze mogen produceren

14.

Als uit een land vooral 1 bepaalde groep (bijvoorbeeld de jongeren emigreert) noem je dat (a)   migratie.

15.

Deze bevolkingsgrafiek heeft een ......(A)-vorm en hoort bij ......... (B)

a)

A=piramide

B=Roemenië

b)

A=piramide

B=Nederland

c)

A=urn

B=Roemenië

d)

A=urn

B=Nederland

16.

Je ziet hier:

a)

de Europese Commissie

b)

Het Europees parlement

17.

Dit is de meest invloedrijke Nederlander in de Europese politiek. Het is ................................ (A) en hij is als eurocommissaris (minister) verantwoordelijk voor .................... (B)

a)

A=Frans Timmermans

B=klimaatbeleid

b)

A=Wopke Hoekstra

B=migratiebeleid

c)

A=Johan Remkes

B=Economische zaken

d)

A=Joost Eerdmans

B=landbouwbeleid