Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

KOK_BT_Presens (intro)

Total questions: 30

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Hoeveel officiële talen spreken ze in België?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

2.

Aan welke zee ligt De Panne?

a)

De Noordzee

b)

De Oostzee

c)

De Westzee

d)

De Zuidzee

3.

Hoeveel (a)   heb jij?

- Ik heb 1 kind.

4.

Hij verjaart (a)   18 januari.

5.

Teken een appel.

6.

Hij ________ naar school met de auto.

a)

kom

b)

komt

c)

komen

d)

kwam

7.

Dat zijn Louise en Arthur. Zij _______ in Veurne.

a)

wonen

b)

woon

c)

woont

d)

woonde

8.

Dat is Oona. Zij _____ geen Arabisch.

a)

Spreken

b)

Spreek

c)

spreekt

d)

Sprak

9.

Mijn vriend ______ naar de radio.

a)

luister

b)

luistert

c)

luisteren

d)

ziet

10.

Haar dochter _______ tennis.

a)

speelt

b)

spelen

c)

speel

d)

roept

11.

Ik _________ een heerlijke spaghetti.

a)

Kookt

b)

kook

c)

koken

d)

kok

12.

Wanneer ________ jij?

a)

verjaart

b)

verjaar

c)

verjaren

d)

verjaardag

13.

__________ jij op zaterdag?

a)

Strijken

b)

Strijkt

c)

Strijk

d)

Strij

14.

Mijn grootmoeder _____ in de krant.

a)

Lezen

b)

Lees

c)

Leest

d)

Luistert

15.

Wat is de stam van 'Werken'?

(a)  

16.

Wat is de stam van 'fietsen'?

(a)  

17.

Wat is de stam van kijken?

(a)  

18.

Wat is de stam van 'voetballen'?

(a)  

19.

Wat is de stam van 'zwemmen'?

(a)  

20.

Wat is de stam van 'bakken'?

(a)  

21.

Wat is de stam van 'lopen'?

(a)  

22.

Wat is de stam van 'verjaren'?

(a)  

23.

Wat is de stam van 'spelen'?

(a)  

24.

Wat is de stam van 'reizen'?

(a)  

25.

Wat is de stam van 'sterven'?

(a)  

26.

Wat is de stam van 'verhuizen'?

(a)  

27.

De man ............................. in de tuin. (werken)

a)

werk

b)

werkent

c)

werkt

d)

werkdt

28.

Jij .............................. elke zaterdag de krant (lezen).

a)

leezt

b)

lees

c)

lezt

d)

leest

29.

Hij ........................... een groot brood (kopen).

a)

kopt

b)

koopt

c)

koop

d)

kopent

30.

Jan en Mieke ............................ samen naar school.

(fietsen)

a)

fietsen

b)

fietsten

c)

fietst

d)

fiets