wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Licht

Total questions: 55

Worksheet time: 1hrs 22mins

Name
Class
Date
1.

Een gele trui wordt beschenen door een blauwe lamp.

Je ziet deze trui dan:

a)

geel

b)

blauw

c)

zwart

d)

groen

2.

Waarvan hangt het aantal schaduwen van een voetballer in een verlicht stadion bij een avondwedstrijd af?

a)

van de positie van de voetballer

b)

van het aantal voetballers op het veld

c)

van het tijdstip op de avond

d)

van het aantal lichtmasten

3.

Een gele trui wordt beschenen door een blauwe lamp.

Je ziet deze trui dan:

a)

geel

b)

blauw

c)

zwart

d)

groen

4.

Het zichtbaar licht bevat o.a. volgende kleuren:

a)

violet

b)

Rood

c)

blauw

d)

groen

e)

bruin

5.

De juiste volgorde voor de kleuren in het zichtbare licht is ...

a)

Rood-geel-blauw-oranje-groen-violet

b)

Blauw-violet-groen-geel-oranje-rood

c)

Rood-oranje-geel-groen-blauw-violet

d)

Violet-blauw-groen-geel-oranje-rood

6.

Een kunstmatige lichtbron is...?

a)

door de mens gemaakt.

b)

komt voor in de natuur.

7.

Wat zijn natuurlijke lichtbronnen? (meerdere antwoorden mogelijk).

a)

Zon

b)

Kaars

c)

Kampvuur

d)

Bliksem

8.

Lichtstralen gaan in...?

a)

Rechte lijnen

b)

Kromme lijnen

c)

Rechte en kromme lijnen

d)

Gaan nergens naartoe

9.

Licht is altijd afkomstig van

a)

de zon

b)

een lamp

c)

iets wits

d)

een lichtbron

10.

Een warmtescan kun je gebruiken om warmteverlies van je woning op te sporen. Hier maakt men gebruik van ...

a)

Uv-straling

b)

Microgolven

c)

Rontgenstraling

d)

Infrarode straling

11.

Uv-straling is minder schadelijk dan Ir-straling

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Welke soort licht zie je op de afbeelding?

a)

gammastraling

b)

infrarood-straling

c)

röntgenstraling

d)

microgolven

13.

Een warmtelamp heeft zijn eigen kleurenspectrum. Als je een thermometer langs dit spectrum beweegt, verandert de temperatuur met de kleur van het licht. In welke kleur zal de thermometer de hoogste temperatuur aangeven?

a)

vlak voor het rood

b)

in het rood

c)

in het violet

d)

net voorbij het violet

14.

Waar of niet waar.

Ultraviolette straling is onzichtbaar.

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Welke lichtbron maakt een lichtbundel?

         

      

a)

computerscherm

b)

kaars

c)

zaklamp

d)

zon

16.

De kleuren rood, groen en blauw maken samen alle kleuren op een computerscherm.

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Een regendruppel breekt zonlicht.

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

De letters A, M, O en K zien er hetzelfde uit als je ze in een spiegel bekijkt.

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Een lichtbundel bestaat uit lichtstralen die alle kanten op gaan.

a)

Waar

b)

Niet waar

20.

Welke warmtestraling straalt een mens uit?

a)

ir- straling

b)

microgolven

c)

uv-straling

d)

röntgenstraling

21.

Welke straling gaat niet door je botten.

a)

ir- straling

b)

microgolven

c)

uv-straling

d)

röntgenstraling

22.

Welke soort elektromagnetische straling zie je op de afbeelding?

a)

zichtbaar licht

b)

ultraviolet-straling

c)

kosmische straling

d)

tv-golven

23.

Is op de foto sprake van kunstmatig-licht of natuurlijk-licht

a)

kunstmatig-licht

b)

natuurlijk-licht

24.

Is op de foto sprake van kunstmatig-licht of natuurlijk-licht

a)

kunstmatig-licht

b)

natuurlijk-licht

25.

Is op de afbeelding sprake van kunstmatig-licht of natuurlijk-licht

a)

kunstmatig-licht

b)

natuurlijk-licht

26.

Is op de afbeelding sprake van fel licht of zwak licht?

a)

Fel licht

b)

Zwak licht

27.

Achter een brandende kaars staat een foto.

In welke van de afbeeldingen is de schaduw juist weergegeven.

a)

A

b)

B

c)

C

28.

Waarvan hangt het aantal schaduwen van een voetballer in een verlicht stadion bij een avondwedstrijd af?

a)

van de positie van de voetballer

b)

van het aantal voetballers op het veld

c)

van het tijdstip op de avond

d)

van het aantal lichtmasten

29.

Als je het klein beeldje dichter bij de lichtbron schuift dan wordt de schaduw groter.

a)

juist

b)

onjuist

30.

Zijn de figuren (punten) elkaars spiegelbeeld?

a)

ja

b)

nee

31.

Zijn de figuren (lijnstukken) elkaars spiegelbeeld?

a)

ja

b)

nee

32.
Als een voorwerp rood is, wordt alleen het rode licht door het voorwerp opgenomen. 
a)
Waar
b)
Niet Waar
33.
Bij een convergente lichtbundel komen de lichtstralen samen. 
a)
Waar
b)
Niet Waar 
34.
De Invalshoek is..
a)
Hoek A
b)
Hoek B
35.

Tegen ioniserende straling moet je jezelf beschermen.

a)

Waar

b)

Niet waar

36.

Welke hoek is in figuur 1 de hoek van inval?

a)

Hoek 1

b)

Hoek 2

c)

Hoek 3

d)

Hoek 4

37.

Een lichtstraal valt op een spiegel zoals in de afbeelding.

Onder welke hoek moet de normaal ten opzichte van de spiegel worden getekend?

a)

90 graden

b)

60 graden

c)

45 graden

d)

30 graden

e)

180 graden

38.

In een huis staan bij een raam 2 schemerlampen. ’s Avonds gaan de lampen aan. Op welke van de afbeeldingen is juist weergegeven het licht naar buiten schijnt.

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

39.

In de afbeelding zie je een constructietekening. Is dit goed getekend?

a)

Ja

b)

Nee

40.
Met welk nummer is het glasachtige lichaam aangegeven?
a)
11
b)
2
c)
8
d)
12
41.
Met welk nummer wordt de pupil aangeven?
a)
11
b)
10
c)
12
d)
8
42.
In welke volgorde komt het licht je oog binnen?
a)
hoornvlies, lens, pupil, glasachtig lichaam, vaatvlies, netvlies
b)
harde oogvlies, pupil, lens, glasachtig lichaam, netvlies
c)
harde oogvlies, lens, pupil, glasachtig lichaam, vaatvlies, netvlies
d)
hoornvlies, pupil, lens, glasachtig lichaam, netvlies
43.

bij welke van de ogen zou het waarschijnlijk donker zijn?

a)

oog 1

b)

oog 2

c)

bij beide

44.

Je staat voor een spiegel en doet een stap naar voren.

          Wat doet je spiegelbeeld?

a)

Je spiegelbeeld blijft staan op dezelfde plaats.

b)

Je spiegelbeeld doet een stap naar achteren.

     

c)

  Je spiegelbeeld doet een stap naar voren.

d)

  Je spiegelbeeld stapt naar links of naar rechts, afhankelijk van de stand van de spiegel.

 

45.

Welke lenzen zijn negatief?

a)

A en B

b)

A en C

c)

A, B en E.

d)

C en D.

46.

Welke plek geeft het brandpunt aan?

a)

1

b)

2

47.

Wat geeft de letter f aan?

a)

Brandpunt

b)

Voorwerpsafstand

c)

Beeldsafstand

d)

Brandpuntsafstand

48.

Bij een divergente lichtbundel komen de lichtstralen samen.

a)

Waar

b)

Niet Waar

49.

Het zichtbaar licht bevat volgende kleuren:

Let op! er kunnen meerdere antwoorden goed zijn.

a)

violet

b)

rood

c)

blauw

d)

groen

e)

geel

50.

Wat voor soort lens is dit?

a)

Dit is een bolle lens.

b)

Dit is een holle lens.

c)

Dit is een Platte lens.

51.

De lens in de afbeelding heeft een.......

a)

Convergerende werking

b)

Divergerende werking

52.

Je kan aan de lens niet zien wat voor lens het is.

Maar door naar de lichtstralen, te kijken weet je dat het een ...... lens is.

a)

Bolle

b)

Holle

53.

Robert wil een verkeerslicht nabouwen. Hij heeft hiervoor lampen nodig.

Welke kleuren lampen heeft hij nodig?

a)

Rood

b)

Groen

c)

Blauw

d)

Geel

e)

Magenta

54.

Wat verstaan we onder evenwijdige lichtstralen?

a)

Lichtstralen die uit elkaar lopen

b)

Lichtstralen die naar elkaar toelopen

c)

Lichtstralen die alle kleuren hebben

d)

Lichtstralen die naast elkaar blijven lopen

55.

Lasergame

Het laserpistool ‘schiet’ een lichtstraal als je de trekker overhaalt. Alle voorwerpen in de tekening zijn zo hoog dat je er niet overheen kunt kijken.

Selecteer alle juiste zinnen

a)

Luc kan Ibrazim wel zien

b)

Hilda kan Anton niet zien

c)

Hilda kan Luca niet zien