wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hoofdstuk 7 elektriciteit

Total questions: 24

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Een ander woord voor schoepenrad is ...

(a)  

2.

Een generator kan elektriciteit maken. Dat kan alleen als ...

a)

de generator aan een turbine vastzit

b)

de generator draait

c)

de generator genoeg gas of olie krijgt

d)

de generator groter is dan een turbine

3.

Vul in:

Windenergie, zonne-energie en waterkracht zijn alle drie ... ... ... energiebronnen

(a)  

4.

Juist of onjuist:

Er loopt stroom in een gesloten stroomkring, waarin een batterij zit.

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

Juist of onjuist:

Stroom kan door een koperdraad

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Juist of onjuist:

Stroom kan door een katoendraad

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

Juist of onjuist:

Metalen zijn geleiders

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

Juist of onjuist:

Metalen zijn isolatoren

a)

Juist

b)

Onjuist

9.

Een lamp kan alleen branden als hij in een .... zit

a)

Geleider

b)

stroom

c)

isolator

d)

gesloten stroomkring

10.

Je moet de lamp met de spanningbron verbinden met een ....

a)

Geleider

b)

stroom

c)

isolator

d)

gesloten stroomkring

11.

Om de draden tussen de lamp en de spanningsbron zit een ...

a)

Geleider

b)

stroom

c)

isolator

d)

gesloten stroomkring

12.

Zonder bescherming om de draden kan er een ... door je lichaam gaan als je de draad aanraakt.

a)

Geleider

b)

stroom

c)

isolator

d)

gesloten stroomkring

13.

De eenheid van stroomsterkte is

a)

ampére

b)

meter

c)

volt

14.

Wat is de juiste term als je teveel apparaten tegelijkertijd aansluit?

a)

Kortsluiting

b)

Aardlekschakelaar schakelt in

c)

Overbelasting

15.

Wat is de eenheid van spanning?

a)

Watt

b)

Volt

c)

Ampère

d)

Ohm

16.

Wat betekent symbool 3?

(a)  

17.

Wat betekent symbool 2?

(a)  

18.

Wat betekent symbool 4?

(a)  

19.

Om een schakeling eenvoudig te tekenen geef je hem weer in een (a)  

20.

Welk soort schakeling is dit?

a)

Serieschakeling

b)

parallelschakeling

21.

De schakelaar wordt gesloten.

Je draait lampje 1 los.

Blijft het andere lampje branden?

Antwoord met ja of nee

(a)  

22.

Welk soort schakeling is dit?

a)

Serieschakeling

b)

parallelschakeling

23.

Welk lampje(s) brand(en) als je schakelaar 1 opent?

a)

Lampje 1

b)

Lampje 2

c)

Lampje 1 en 2

24.

Beide schakelaars zijn gesloten.

Je draait lampje 1 los.

Blijft lampje 2 branden?

Antwoord met ja of nee

(a)