wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Regeling

Total questions: 25

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

De bijnieren hebben geen afvoerbuis en geven de hormonen af aan het bloed

a)

Ja

b)

Nee

2.

Een zenuwcel heeft een cellichaam met uitlopers.

a)

Ja

b)

Nee

3.

Het centrale zenuwstelsel bestaat alleen uit de grote hersenen en de kleine hersenen.

a)

Ja

b)

Nee

4.

Nummer 1 geeft de hersenstam aan.

a)

Ja

b)

Nee

5.

Onder invloed van pijnstillers kan rijden op je scooter gevaarlijk zijn.

a)

Ja

b)

Nee

6.

Waar in het lichaam liggen de eilandjes van Langerhans?

a)

In de alvleesklier

b)

In het hoofd

c)

Op de nieren

7.

Wat is de functie van de grote hersenen?

a)

Bij bewuste waarnemingen komen impulsen in de grote hersenen aan.

b)

De grote hersenen zorgen dat je lichaam in evenwicht blijft.

c)

In de grote hersenen worden de reflexen van het hele lichaam geregeld.

8.

In de afbeelding is met de letter R het ruggenmerg aangegeven.

a)

Ja

b)

Nee

9.

Als er een vuiltje in je oog komt, knipper je met je oogleden. Dit heet ooglidreflex.

Via welk deel van het centrale zenuwstelsel verlopen de impulsen bij deze ooglidreflex?

a)

Via de grote hersenen

b)

Via de kleine hersenen

c)

Via de hersenstam

d)

Via het ruggenmerg

10.

Met welk nummer is het ruggenmerg aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

11.

Met welk nummer is de schildklier aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

12.

Lia eet een ijsje en wordt zich bewust van de aardbeiensmaak. Ze vindt het erg lekker en neemt snel nog een lik van het ijsje.

Met welk deel wordt Lia zich bewust van de aardbeiensmaak?

a)

P

b)

Q

13.

Waaruit bestaat het centraal zenuwstelsel?

a)

Uit hersenen en het ruggenmerg

b)

Uit het ruggenmerg en zenuwen

c)

Het ruggenmerg en zenuwcellen

d)

Uit zenuwen en zenuwcellen

14.

Gebruik je zenuwen bij het betalen van je boodschappen?

a)

ja

b)

nee

15.

Zijn prikkels elektische signalen?

a)

ja

b)

nee

16.

Een impuls vanuit een zintuig gaat via je zenuwen naar

a)

je zintuigen

b)

je botten

c)

je spieren

d)

je hersenen

17.

Welk hormoon produceren de bijnieren?

a)

Adrenaline

b)

Groeihormoon

c)

Insuline 

d)

Geslachshormonen

18.
Wat is een reflex?
a)
Vaste, snelle, onbewuste reactie
b)
Trage reactie
c)
Bewuste reactie
19.

Maak de volgende zin af:

Je neemt pas bewust waar, als de impulsen

a)

in je hersenen zijn aangekomen

b)

onderweg zijn naar je hersenen

c)

in je ruggenmerg zijn aangekomen

d)

in je spieren zijn aangekomen

20.

Waar bevindt zich het ruggenmerg?

a)

In de schedel

b)

In de wervelkolom

c)

In je bekken

d)

In je opperarmbeen

21.

Hormonen zijn altijd heel langzaam.

Wat zorgt er voor dat het hormoon Adrenaline wel heel snel effect heeft.

a)

Het is een klein hormoon.

b)

Je krijgt het in één keer heel veel in je bloed.

c)

Het is een groot hormoon.

d)

Overal in je lichaam wordt Adrenaline geproduceerd.

22.
Wat is een bewuste reactie?
a)
Schrikken
b)
Terugduwen 
c)
Knipperen met je ogen
d)
Ademen
23.
Waarom heb je reflexen?
a)
Reflexen beschermen het lichaam
b)
Omdat het leuk is
c)
Reflexen zorgen ervoor dat je weet wanneer je het warm of koud heb
24.
Wat is geen hormoonklier?
a)
Schildklier
b)
Bijnieren
c)
Hypofyse
d)
Borstklier
25.
Waar ligt de hypofyse?
a)
Tussen beide hersenhelften
b)
Bij de nieren
c)
In het geslachtsorgaan
d)
Bij de schildklier