wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

SR5SA5: Diabetes

Total questions: 15

Worksheet time: 3mins

Name
Class
Date
1.

Bij keto-acidose ontstaat een verzuring van het bloed door afbraak en verbranding van suikers.

a)

Juist

b)

Fout

2.

HHNS staat voor hyperglycemisch hyperosmolair non-ketotisch syndroom.

a)

Juist

b)

Fout

3.

Van welke vorm van neuropathie zijn een verlies aan spierkracht en verdwijnen van reflexen mogelijke symptomen?

a)

sensibele neuropathie

b)

motorische neuropathie

c)

autonome neuropathie

4.

Diabetische nefropathie is een vorm van:

a)

microangiopathie

b)

macroangiopathie

c)

neuropathie

d)

retinopathie

5.

Welke langetermijn verwikkeling kan opgespoord worden via de bid-test?

a)

neuropathie

b)

micro-angiopathie

c)

macro-angiopathie

d)

limited joint mobility

6.

Welk advies geef je een zorgvrager met diabetes NIET?

a)

Draag elke dag andere sokken of kousen.

b)

Loop nooit blootvoets.

c)

Neem dagelijks een zuiverend voetbadje van 15 minuten.

d)

Nieuwe schoenen worden best in de late namiddag/avond gekocht.

7.

Welke test gebruikt men om de gemiddelde bloedglucosewaarden over een langere periode na te gaan?

a)

nuchtere ochtendglycemie

b)

HbA1c

c)

C-peptide

d)

orale glucosetolerantie test

8.

De diagnose 'diabetes' wordt gesteld na 1 nuchtere ochtendglycemie boven de 126mg/dl.

a)

Juist

b)

Fout

9.

Mondhygiëne is bij diabeten erg belangrijk omdat ze een verhoogd risico op infecties hebben.

a)

Juist

b)

Fout

10.

Minder mobiliteit, stijfheid en pijn zijn symptomen van limited joint mobility.

a)

Juist

b)

Fout

11.

Type 1 diabeten hebben in hun bloed:

a)

B-cel antilichamen

b)

C-peptiden

c)

zowel B-cel antilichamen als C-peptiden

d)

geen B-cel antilichamen en geen C-peptiden

12.

De controle van het HbA1c gebeurt via een:

a)

nuchtere bloedname

b)

niet-nuchtere bloedname

13.

Een incretine is een darmhormoon dat zorgt voor:

a)

meer aanmaak van insuline en glucagon

b)

minder aanmaak van insuline

c)

meer aanmaak van glucagon

d)

meer aanmaak van insuline, minder aanmaak van glucagon

14.

Een ultrasnelwerkende, analoge insuline dien je toe:

a)

30 min voor de maaltijd

b)

15 min voor de maaltijd

c)

tijdens de maaltijd

d)

na de maaltijd

15.

Een humane meng insuline dien je toe:

a)

30 min voor de maaltijd

b)

15 min voor de maaltijd

c)

tijdens de maaltijd

d)

na de maaltijd