Worksheets1A - Herhalingsquiz 2de trimester
Total questions: 55
Worksheet time: 2hrs 33mins
Bereken: −8⋅6=
(a)
Bereken: (−7)⋅(−9)=
(a)
Bereken: 0⋅5=
(a)
Bereken: −25:(−5)=
(a)
Bereken: 0 : 7=
(a)
Bereken: −48 : 4=
(a)
Bereken: −9 : 0=
(a)
Reken uit door de volgorde van bewerkingen toe te passen.
Noteer enkel je antwoord.
( 40 – 5 ) : (– 20 + 13 ) =
(a)
Reken uit door de volgorde van bewerkingen toe te passen.
Noteer enkel je antwoord.
50 – 4 · 3 + 27 : (– 3 ) =
(a)
Geef de eigenschap die wordt toegepast in het voorbeeld:
Het vermenigvuldigen is associatief in Z.
1 is het neutraal getal voor het vermenigvuldigen in Z.
0 is het opslorpend getal voor het vermenigvuldigen in Z.
0 is het neutraal getal voor het optellen in Z.
Geef de eigenschap die wordt toegepast in het voorbeeld:
De som van twee tegengestelde gehele getallen is altijd gelijk aan 0.
1 is het neutraal getal voor het vermenigvuldigen in Z.
0 is het opslorpend getal voor het vermenigvuldigen in Z.
0 is het neutraal getal voor het optellen in Z.
Geef de eigenschap die wordt toegepast in het voorbeeld:
De som van twee tegengestelde gehele getallen is altijd gelijk aan 0.
1 is het neutraal getal voor het vermenigvuldigen in Z.
0 is het opslorpend getal voor het vermenigvuldigen in Z.
0 is het neutraal getal voor het optellen in Z.
Geef de eigenschap die wordt toegepast in het voorbeeld:
De som van twee tegengestelde gehele getallen is altijd gelijk aan 0.
1 is het neutraal getal voor het vermenigvuldigen in Z.
0 is het opslorpend getal voor het vermenigvuldigen in Z.
0 is het neutraal getal voor het optellen in Z.
Reken handig uit:
(Noteer enkel de uitkomst).
−3⋅4⋅12⋅25=
(a)
Reken handig uit:
(Noteer enkel de uitkomst).
−8⋅9⋅125⋅(−3)=
(a)
Noteer zo eenvoudig mogelijk:
14x⋅(−3y)=
(a)
Noteer zo eenvoudig mogelijk:
−7a⋅3⋅2b⋅(−5a)=
(a)
Werk de haakjes weg en reken daarna pas uit.
(Noteer enkel de uitkomst.)
−5⋅(−x+y−3)=
(a)
Werk de haakjes weg en reken daarna pas uit.
(Noteer enkel de uitkomst.)
– 6 c + ( 7a – 3 b) – ( – 6 c + 2 a – 5b) =
(a)
Werk de haakjes weg en reken daarna pas uit.
(Noteer enkel de uitkomst.)
−6⋅(x−12)=
(a)
Reken de vergelijking op een kladblad uit.
Noteer enkel je antwoord.
55 = -11x
(a)
Reken de vergelijking op een kladblad uit.
Noteer enkel je antwoord.
x : (-3) = -7
(a)
Bereken: 19=
(a)
Bereken: 110=
(a)
Bereken: 26=
(a)
Bereken: 34=
(a)
Bereken: 142=
(a)
Bereken: 04=
(a)
Bereken: 49=
(a)
Bereken: 121=
(a)
Bereken: 169=
(a)
Bereken: −225=
(a)
Bereken: −144=
(a)
Bereken: (−2)5=
(a)
Bereken: −72=
(a)
Bereken: (−4)2=
(a)
Bereken: −(−3)3=
(a)
Bereken: −(−1)6=
(a)
Geef de bijbehorende formule.
(a)
Geef de bijbehorende formule.
(a)
Geef de bijbehorende formule.
(a)
Bepaal het aantal gearceerde vakjes als er 212 vakjes per zijde zijn.
(Formule: y = 2x - 1)
(a)
Wat zal het aantal vakjes per zijde zijn als er 317 gearceerde vakjes zijn?
(Formule: y = 2x - 1)
(a)
Geef alle rechthoeken die je ziet op de afbeelding.
1, 2, 4 en 7
2, 4 en 7
2 en 4
2
Geef alle ruiten die je ziet op de afbeelding.
3 en 7
3, 4 en 7
1, 3 en 7
1, 3, 4, 5 en 7
Een parallellogram is een vierhoek met 2 evenwijdige zijden.
Juist
Fout
Een parallellogram met 4 even lange zijden is een vierkant.
Juist
Fout
Een ruit met 4 rechte hoeken is een rechthoek.
Juist
Fout
Bereken de oppervlakte van een rechthoek met een lengte van 5 cm en een breedte van 4 cm.
(a)
Bereken de omtrek in dm van een rechthoek met een lengte van 6 m en een breedte van 30 cm.
(a)
Bereken hoeveel liter water er in een zwembad gaat met een lengte van 7 m, een hoogte van 1,5 m en een breedte van 3 m.
(a)
Een houten kast is 14 dm lang, 50 cm breed en 1,3 m hoog.
Hoeveel cm² houtvezelplaat was er nodig om die kast te maken?
(Je mag hiervoor een rekenmachine gebruiken.)
(a)
Bereken de oppervlakte (met een rekenmachine).
(a)
Bereken de omtrek.
(a)
Bereken de oppervlakte.
(a)
