wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling module 3

Total questions: 47

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

massa...

a)

is een eenheid met gram als grootheid

b)

is een eenheid met gewicht als grootheid

c)

is een grootheid met gram als eenheid

d)

is een grootheid met gewicht als eenheid

2.

mL is...

a)

een grootheid van volume

b)

een eenheid van volume

c)

grootheid van liter

d)

eenheid van liter

3.

40 mL = .....

a)

40 cm3

b)

40 mm3

c)

4000 cm3

d)

4000 mm3

4.

Welke formule is juist omgevormd

a)

A

b)

B

c)

C

5.

Welke is een stofeigenschap?

a)

massa

b)

volume

c)

dichtheid

6.

Welk van deze blokje is het zwaarst?

a)

goud

b)

aluminium

c)

lood

7.

Welk van deze blokjes is het grootst?

a)

goud

b)

aluminium

c)

lood

8.

welk van deze blokjes heeft de grootste dichtheid?

a)

goud

b)

aluminium

c)

lood

9.

Wat is de massa?

Volume = 32,0 cm3

Dichtheid = 2,90 g/cm3

ρ=mV\rho=\frac{m}{V}  

(a)  

10.

Dichtheid:

Volume = 12 cm3

massa = 33 gram

ρ=mV\rho=\frac{m}{V}  

(a)  

11.

Bereken de dichtheid van de steen

a)

1.6

b)

2.7

c)

64

d)

Dat kun je niet zeggen

12.

Hieronder staan een aantal beweringen over deze ijzeren spijker. Welke van deze beweringen is GEEN stofeigenschap?

a)

De spijker is magnetisch

b)

De spijker heeft een hogere dichtheid dan water

c)

De spijker heeft kan goed elektriciteit geleiden

d)

De spijker heeft een scherpe punt

13.

Volume en inhoud gebruiken dezelfde eenheden.

a)

True

b)

False

14.

Het volume van een rechthoekig voorwerp bereken je met:

a)

Onderdompelmethode

b)

V = lbhV\ =\ l\cdot b\cdot h  

c)

V = πr2hV\ =\ \pi\cdot r^2\cdot h  

15.

Het volume van een onregelmatig voorwerp bereken je met:

a)

Onderdompelmethode

b)

V = lbhV\ =\ l\cdot b\cdot h  

c)

V = πr2hV\ =\ \pi\cdot r^2\cdot h  

16.

Welke van onderstaande zijn stofeigenschappen?

a)

Kleur

b)

Smeltpunt

c)

Massa

d)

Dichtheid

17.

Wat betekent de dichtheid van een stof?

a)

Wat de massa van een stof is

b)

Wat het gewicht van een stof is

c)

Wat de massa per cm 3^3 van een stof is

d)

Wat het volume per cmundefinedvan een stof is

18.
Citroenzuur smaakt zuur
a)
Wel een stofeigenschap
b)
Niet een stofeigenschap
19.

Suiker in cola smaakt zoet

a)

Wel een stofeigenschap

b)

Niet een stofeigenschap

20.
Kurk drijft op water
a)
Wel een stofeigenschap
b)
Niet een stofeigenschap
21.

Water kookt bij 100 graden Celcius

a)

Wel een stofeigenschap

b)

Niet een stofeigenschap

22.
Een mok met water weegt 350 g
a)
Wel een stofeigenschap
b)
Niet een stofeigenschap
23.
De rode kleur van een stalen schommel
a)
Wel een stofeigenschap
b)
Niet een stofeigenschap
24.
Een plastic bekertje weegt 40 gram
a)
Wel een stofeigenschap
b)
Niet een stofeigenschap
25.
Bij kamertemperatuur is zuurstof een gas.
a)
Wel een stofeigenschap
b)
Niet een stofeigenschap
26.
Benzine is brandbaar
a)
Wel een stofeigenschap
b)
Niet een stofeigenschap
27.

Water kookt bij 100 graden Celcius

a)

Wel een stofeigenschap

b)

Niet een stofeigenschap

28.
Een mok met water weegt 350 g
a)
Wel een stofeigenschap
b)
Niet een stofeigenschap
29.

In welke fase bevindt regen zich?

a)

Vast

b)

Vloeibaar

c)

Gas

d)

Waterdamp

30.

Wat is de fase-overgang van vast naar vloeibaar?

a)

Smelten

b)

Bevriezen

c)

Condenseren

d)

Rijpen

31.

Wat is de fase-overgang van gas naar vloeibaar?

a)

Smelten

b)

Stollen

c)

Condenseren

d)

Vervluchtigen

32.

Wat is rijpen?

a)

Van vast naar gas

b)

Van gas naar vast

c)

Van vloeibaar naar vast

d)

Van gas naar vloeibaar

33.

Wat is verdampen?

a)

Van gas naar vloeibaar

b)

Van gas naar vast

c)

Van vast naar gas

d)

Van vloeibaar naar gas

34.

Welke fase-overgang is er als mijn trui hangt te drogen aan de waslijn?

a)

Condenseren

b)

Stollen

c)

Verdampen

d)

Vervluchtigen

35.

In welke fase bevindt deze stof zich?

a)

Vast

b)

Vloeibaar

c)

Gas

36.

In welke fase bevindt deze stof zich?

a)

Vast

b)

Vloeibaar

c)

Gas

37.

In welke fase bevindt deze stof zich?

a)

Vast

b)

Vloeibaar

c)

Gas

38.

In welke fase bevindt deze stof zich?

(a)  

39.

In welke fase bevindt deze stof zich?

(a)  

40.

In welke fase bevindt deze stof zich?

(a)  

41.

In welke fase bevindt deze stof zich?

a)

vaste fase

b)

gasvormige fase

c)

vloeibare fase

42.

In welke fase bevindt deze stof zich?

a)

vaste fase

b)

vloeibare fase

c)

gasvormige fase

43.

welke toestand van water zie je?

a)

gas

b)

vast

c)

vloeibaar

44.

welke toestand van water zie je?

a)

gas

b)

vast

c)

vloeibaar

45.

welke toestand van water zie je?

a)

gas

b)

vast

c)

vloeibaar

46.

Een stof die uit twéé of meer soorten moleculen bestaat is een:

a)

zuivere stof

b)

mengsel

c)

atoom

47.

Bij het verwarmen van een vloeibaar mengsel tref je een ......................... aan

a)

kookpunt

b)

kooktraject

c)

smeltpunt

d)

smelttraject