wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Heden/verleden/toekomst H1-H2

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

De rente waartegen banken geld lenen bij de centrale bank heet ook wel de...

a)

Depositorente

b)

Reporente

c)

Algemene prijs van tijd

d)

Individuele prijs van tijd

2.

Het punt waarbij het groene gedeelte stopt is bij...

a)

Overlijden

b)

Start werken

c)

Pensioen

d)

Start studeren

3.

Wat is GEEN voorbeeld van ruilen over de tijd?

a)

Het aangaan van een hypothecaire lening

b)

Het sparen voor een vakantie

c)

Het kopen van een nieuwe laptop

d)

Studiefinanciering aannemen om een studie te bekostigen

4.

POLL-vraag (geen goed of fout antwoord):

Hoe goed denk je de stof van H1-H2 te beheersen?

a)

Zeer goed

b)

Goed

c)

Matig

d)

Slecht

e)

Zeer slecht

5.

Wat is ook alweer de juiste formule om het reëel rendement uit te rekenen?

a)

NIC = RIC/PIC X 100

b)

NIC = PIC/RIC x 100

c)

RIC = NIC/PIC x 100

d)

RIC = PIC/NIC x 100

6.

Wat is NIET waar over het CPI?

a)

Het CPI meet de inflatie a.d.h.v. indexcijfers

b)

Het CBS meet het CPI

c)

Het CPI maakt gebruik van wegingsfactoren, het zogenaamde goederenmandje

d)

Het CPI is net als inflatie voor iedere Nederlander hetzelfde

7.

Wat is waar over deflatie?

a)

Bij deflatie kun je minder kopen met hetzelfde geld

b)

Bij deflatie worden producten in de winkel duurder

c)

Deflatie is eigenlijk inflatie maar dan negatief

d)

Deflatie komt niet voor in de praktijk, alleen in theorie

8.

Iemand die risico-avers is...

a)

Heeft een hoge prijs van tijd

b)

Heeft een lage prijs van tijd

c)

Is snel van plan om te sparen

d)

Is iemand die nooit risico's neemt

9.

Wat is waar over inflatie?

a)

Inflatie zorgt ervoor dat er meer gekocht kan worden met een munt

b)

Door inflatie daalt de reële waarde van geld

c)

Door inflatie stijgt de reële waarde van geld

d)

Loonsverhogingen hebben geen invloed op de inflatie

10.

Wat is nog meer waar over het CPI?

a)

CPI = NIC

b)

CPI = RIC

c)

CPI = PIC

11.

Wat is NIET waar over de leerplicht?

a)

De leerplicht zorgt voor een hogere arbeidsproductiviteit

b)

De leerplicht zorgt voor een hogere economische groei

c)

De leerplicht zorgt voor een hogere inflatie.

12.

Waar staat CAO voor?

a)

Collectieve armen organisatie

b)

Collectieve arbeiders organisatie

c)

Collectieve arbeids overeenkomst

d)

Collectieve aanhouders overeenkomst

13.

Wat is waar over het permanent consumptieniveau?

a)

Dit is gelijk aan het startsalaris

b)

Dit is gelijk aan het maximumsalaris

c)

Dit is niet stabiel en afhankelijk van het huidige salaris

d)

Dit is gelijk aan het gemiddelde salaris

14.

Wat is een goed argument voor demotie?

a)

Om de belastingdruk te verlagen

b)

Om jongeren de kans te geven carriere te maken

c)

Om ouderen de kans te geven eerder met pensioen te gaan

d)

Om de winstgevenheid van bedrijven te verhogen

15.

Wat is geen manier om geld te verdienen aan aandelen?

a)

Obligatieuitkering

b)

Koersverandering

c)

Dividend

16.

Op welke manier van de ECB de inflatie inperken?

a)

Het verlagen van de algemene rente

b)

Het verhogen van de algemene rente

c)

Het vergroten van de maatschappelijke geldhoeveelheid

d)

Het bijdrukken van geld

17.

Wat is de betekenis van ontsparen?

a)

Geld lenen

b)

Geld uitgeven

c)

Je spaargeld gebruiken

d)

Met pensioen gaan

18.

Wanneer is er sprake van koopkrachtdaling?

a)

Wanneer de loonstijging hoger is dan de inflatie

b)

Wanneer de loonstijging lager is dan de inflatie

c)

Wanneer de loonstijging hoger is dan de deflatie

d)

Wanneer er geen loonsverhoging is

19.

Indy leent geld om pokemonkaarten te kopen. Hij denkt dat dit is een goede investering is voor later. Dit is een voorbeeld van (twee antwoorden goed)

a)

Ruilen over de tijd

b)

Risico-aversie

c)

Hoge prijs van tijd

d)

Lage prijs van tijd

20.

Bram heeft dit jaar €400 spaargeld gekregen. Hij denkt dat hij €400 rijker is geworden. Er is sprake van:

a)

Menselijk kapitaal

b)

Geldillusie

c)

Reel rendement