wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1NED_TRIM2

Total questions: 115

Worksheet time: 2hrs 45mins

Name
Class
Date
1.

Welke zin is goed?

a)

De klant heeft contant betaald.

b)

De klant heeft contant betaalt.

c)

De klant heeft contant betaaldt.

2.

Welke zin is goed?

a)

De kleuring heeft het grijze haar gedekd.

b)

De kleuring heeft het grijze haar gedekt.

c)

De kleuring heeft het grijze haar gedekdt.

3.

Welke zin is goed?

a)

De klant is van stoel gewisseld.

b)

De klant is van stoel gewisselt.

c)

De klant is van stoel gewisseldt.

4.

Welke zin is goed?

a)

Zij heeft de klant gepermanend.

b)

Zij heeft de klant gepermanent.

c)

Zij heeft de klant gepermanendt.

5.

Welke zin is goed?

a)

De blondeerpoeder heeft irritatie veroorzaakd.

b)

De blondeerpoeder heeft irritatie veroorzaakt.

c)

De blondeerpoeder heeft irritatie veroorzaakdt.

6.

Welke zin is goed?

a)

Het haar wordt eerst gewatergolfd.

b)

Het haar wordt eerst gewatergolft.

c)

Het haar wordt eerst gewatergolfdt.

7.

Welke zin is goed?

a)

Ik heb de oude rollers weggegooid.

b)

Ik heb de oude rollers weggegooit.

c)

Ik heb de oude rollers weggegooidt.

8.

Welke zin is goed?

a)

Mimi heeft het wondje opengekrabd.

b)

Mimi heeft het wondje opengekrabt.

c)

Mimi heeft het wondje opengekrabdt.

9.

Welke zin is goed?

a)

Het haar is gedroogd onder de droogkap.

b)

Het haar is gedroogt onder de droogkap.

c)

Het haar is gedroogdt onder de droogkap.

10.

Welke zin is goed?

a)

Het haar is enorm beschadigd.

b)

Het haar is enorm beschadigt.

c)

Het haar is enorm beschadigdt.

11.

Welke zin staat in de voltooide tijd?

a)

Gisteren liep ik op straat.

b)

Liep ik gisteren op straat?

c)

Ik heb gisteren op straat gelopen.

12.

Welke zin staat in de voltooide tijd?

a)

Gisteren had ik gitaarles.

b)

Ik ben naar gitaarles geweest.

c)

Had ik gisteren gitaarles?

13.

Welke zin staat in de voltooide tijd?

a)

Karel is naar huis gegaan.

b)

Ging Karel naar huis?

c)

Karel ging naar huis.

14.

Welke zin staat in de voltooide tijd?

a)

Gingen jullie op vakantie?

b)

Wij gingen op vakantie.

c)

Ik ben op vakantie geweest.

15.

Welke zin staat in de voltooide tijd?

a)

Anne slaapt morgen bij haar buurmeisje.

b)

Anne heeft bij haar buurmeisje geslapen.

c)

Sliep Anne bij haar buurmeisje?

16.

Wat is het hulpwerkwoord?


Het heeft de hele dag geregend.

a)

geregend

b)

heeft

c)

hele

17.

Wat is het hulpwerkwoord?


Jullie worden naar school gebracht.

a)

worden

b)

gebracht

c)

naar

18.

Wat is het hulpwerkwoord?


Ik heb koekjes gebakken.

a)

gebakken

b)

heb

c)

ik

19.

Wat is het hulpwerkwoord?


De meisjes worden door moeder geroepen.

a)

meisjes

b)

geroepen

c)

worden

20.

Wat is het hulpwerkwoord?


Ik heb 100 Euro gewonnen.

a)

Euro

b)

gewonnen

c)

heb

21.

Moet je de zin letterlijk of figuurlijk opvatten?


'De tandarts voelde aan Stefs tand.'

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

22.

Moet je de zin letterlijk of figuurlijk opvatten?


'Hij begeeft zich in een wespennest.'

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

23.

Moet je de zin letterlijk of figuurlijk opvatten?


'Tijdens de gure winter liet men de daklozen in de kou staan.'

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

24.

In welke zinnen wordt het woord 'zwaar' letterlijk gebruikt?

a)

Kun jij dit tillen? Die stapel boeken is echt wel zwaar.

b)

Spreken ze je naam verkeerd uit? Daar moet je niet zo zwaar aan tillen.

c)

De vorige training vond ik echt wel zwaar.

d)

De dronken chauffeur kreeg een zware boete.

25.

In welke zinnen wordt het woord 'zwaar' figuurlijk gebruikt?

a)

Een zware stem nodigde ons uit om het spookkasteel te bezoeken.

b)

Een kilo pluimen is net zo zwaar als een kilo lood.

c)

Een zware jongen is een misdadiger.

26.

In welke zinnen wordt het woord 'diep' letterlijk gebruikt?

a)

Toen opa mijn rapport zag, slaakte hij een diepe zucht.

b)

Laat broertje niet bij de vijverrand spelen. Het water is er erg diep.

c)

Ik heb zo diep geslapen dat ik de wekker niet hoorde.

d)

Speleologen willen die diepe grotten verkennen.

e)

Dat net jij mij beschuldigt, dat raakt mij diep.

27.

Hoofdletter?

a)

anna

b)

talen

c)

werken

d)

fiets

28.

Hoofdletter?

a)

zingen

b)

antwoorden

c)

appel

d)

tweede wereldoorlog

29.

Hoofdletter?

a)

groot-brittanië

b)

krant

c)

feestdag

d)

water

30.

Hoofdletter?

a)

jongen

b)

rusland

c)

geeuwen

d)

the new york times

31.

Welke woorden moet je met een hoofdletter schrijven?

deze man komt uit mexico

a)

deze

b)

man

c)

komt

d)

uit

e)

mexico

32.

Welke woorden moet je met een hoofdletter schrijven?

maria kijkt met kerstmis the grugde

a)

maria

b)

kijkt

c)

met

d)

kertsmis

e)

the grudge

33.

Hoofdletter?

a)

polen

b)

afleiding

c)

west-vlaanderen

d)

vredestraat

34.

Welke woorden moet je met een hoofdletter schrijven?

leest mark elke dag het laatste nieuws?

a)

leest

b)

mark

c)

elke

d)

dag

e)

het laatste nieuws

35.

Waar moet je een hoofdletter schrijven? Typ de zin over.


de verenigde staten bestaat uit 50 staten en grenst aan canada en mexico.

(a)  

36.

Waar moet je een hoofdletter schrijven? Typ de zin over.


met nieuwjaar leest pieter altijd een nieuwjaarsbrief in het engels voor.

(a)  

37.

Correcte spelling?

8 januari was er iemand jarig.

a)

Juist

b)

Fout

38.

Correcte spelling?

Onlangs stond er in De Standaard een artikel over de oorzaak van de aardbevingen in Turkije en syrië.

a)

Juist

b)

Fout

39.

Correcte spelling?

Staat de poolster in het noorden of in het oosten?

a)

Juist

b)

Fout

40.

Correcte spelling?

De Canal grande, een grote mooie rivier, loopt dwars door Venetië, waar ongeveer 400 bruggen zijn.

a)

Juist

b)

Fout

41.

Correcte spelling?

De basken die hier op reis waren vanuit Noord-Spanje, merkten op dat er in Gent veel roma zijn. Dit zijn zigeuners die oorspronkelijk uit India en Iran komen.

a)

Juist

b)

Fout

42.

Correcte spelling?

Gelooft je broer nog in sinterklaas of heeft hij liever de paashaas?

a)

Juist

b)

Fout

43.

Correcte spelling?

Sommige moslims en christenen weten niet dat er veel gelijkenissen zijn tussen de Bijbel en de Koran.

a)

Juist

b)

Fout

44.

Correcte spelling?

Een leuke film die je op Netflix kan bekijken is the life op Pi.

a)

Juist

b)

Fout

45.

Correcte spelling?

De Ziekte van Parkinson is heel erg.

a)

Juist

b)

Fout

46.

Correcte spelling?

Waren er meer slachtoffers bij Wereldoorlog 1 dan bij de pest in de middeleeuwen?

a)

Juist

b)

Fout

47.

Correcte spelling?

Is de beschrijving bij het monument het graf van de onbekende soldaat in het Limburgs dialect?

a)

Juist

b)

Fout

48.

Correcte spelling?

Kwam Koningin Mathilde naar de opening van het Smak?

a)

Juist

b)

Fout

49.

Hoelang is hij al populair?

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

50.

Hoelang is hij al populair?

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

51.

We hebben een jaar voor dit reisje gespaard.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

52.

Hij las het verslag aan het begin van de vergadering voor.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

53.

Het bouwen van die brug was niet gemakkelijk.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

54.

Het blussen van de brand duurde uren.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

55.

Is er in de zin sprake van een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde?:


Tijdens de wedstrijd wordt iedereen uitvoerig beoordeeld.

a)

werkwoordelijke gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

56.

Is er in de zin sprake van een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde?:


Sommige wiskundesommen blijven lastig.

a)

werkwoordelijke gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

57.

Is er in de zin sprake van een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde?:


Gisteren bleek zijn fiets onbruikbaar.

a)

werkwoordelijke gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

58.

Is er in de zin sprake van een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde?:


De zon schijnt fel mijn slaapkamer in.

a)

werkwoordelijke gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

59.

Is er in de zin sprake van een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde?:


In mijn pauze heb ik een kopje thee gedronken.

a)

werkwoordelijke gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

60.

Is er in de zin sprake van een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde?:

Mijn nieuwe tandarts is een aardige man.

a)

werkwoordelijke gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

61.
Heeft de zin een werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
Wij hebben ijs gegeten
a)
ww gez.
b)
nw gez.
62.
Is het onderstreepte zinsdeel werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
Deze fiets trapt heel zwaar.
a)
ww gez.
b)
nw gez.
63.
Is het onderstreepte zinsdeel werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
Zij is vaak ziek
a)
ww gez.
b)
nw gez.
64.
Is het onderstreepte zinsdeel werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
Jullie zijn laat.
a)
ww gez.
b)
nw gez.
65.
Is het onderstreepte zinsdeel werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
Mijn broer is geslaagd.
a)
ww gez.
b)
nw gez.
66.
Is het onderstreepte zinsdeel werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
De tuin wordt morgen omgespit.
a)
ww gez.
b)
nw gez.
67.
Is het onderstreepte zinsdeel werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
Je zou toch niet komen?
a)
ww gez.
b)
nw gez.
68.
Is het onderstreepte zinsdeel werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
Mijn schoenen knellen.
a)
ww gez.
b)
nw gez.
69.
Is het onderstreepte zinsdeel werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
Hebben zij de toets wel gemaakt?
a)
ww gez.
b)
nw gez.
70.
Is het onderstreepte zinsdeel werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
De ramen zijn vies.
a)
ww gez.
b)
nw gez.
71.
Is het onderstreepte zinsdeel werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
Zij moeten worden gezeemd
a)
ww gez.
b)
nw gez.
72.
Is het onderstreepte zinsdeel werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
Dit lijkt me heel duur.
a)
ww gez.
b)
nw gez.
73.
Is het onderstreepte zinsdeel werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
Oma is gevallen.
a)
ww gez.
b)
nw gez.
74.
Is het onderstreepte zinsdeel werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
Zij heeft haar heup gebroken.
a)
ww gez.
b)
nw gez.
75.
Is het onderstreepte zinsdeel werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?
Zij zal moeten worden geopereerd.
a)
ww gez.
b)
nw gez.
76.

Die film duurt 160 minuten.

a)

Feit

b)

Mening

77.

Dit waren de saaiste uren uit mijn leven!

a)

Feit

b)

Mening

78.

Gamen is tijdverlies.

a)

Feit

b)

Mening

79.

Brussel is de hoofdstad van België.

a)

Feit

b)

Mening

80.

Het is een mooie zonsondergang.

a)

Feit

b)

Mening

81.

Moslims doen hun schoenen uit als ze de moskee binnengaan.

a)

feit

b)

mening

82.

Een DOZIJN rode rozen zijn twaalf rozen.

a)

feit

b)

mening

83.

Je moet respect hebben voor anderen

a)

feit

b)

mening

84.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Ik ga alle boodschappen op mijn lijstje … .

(a)  

85.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Ik kreeg het … veel te oefenen op evenwichtsoefeningen.

(a)  

86.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Op basis van welke criteria ga je mijn opdracht … ?

(a)  

87.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Jouw … van de gebeurtenissen wijkt af van de zijne.

(a)  

88.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Als je de spellingregels goed …, maak je weinig fouten.

(a)  

89.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Alle aanwezigen worden … op de lijst.

(a)  

90.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Voor ik aan mijn huiswerk begin, … ik alle taken en lessen.

(a)  

91.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Als je voldoende fruit en groenten eet, zijn vitamines … .

(a)  

92.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Je mag de namen van je buren op alfabetische volgorde … .

(a)  

93.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Moeten we de namen van historische figuren ook … schrijven?

(a)  

94.

Vul aan in de verleden tijd:

Waarom (a)   (reageren) je niet op mijn bericht?

95.

Vul aan in de verleden tijd:

Ik (a)   (beantwoorden) gisteren al mijn mails.

96.

Vul aan in de verleden tijd:

Wat (a)   (vragen) jullie hem?

97.

Vul aan in de verleden tijd:

Bo (a)   (verrassen) me met een lekkere taart.

98.

Vul aan in de verleden tijd:

Hij (a)   (verliezen) zijn duur horloge.

99.

Vul aan in de verleden tijd:

Oom en tante (a)   (verwennen) dat kereltje vroeger altijd.

100.

Vul aan in de verleden tijd:

Mijn huid (a)   (verbanden) gelukkig nog nooit.

101.

Vul aan in de verleden tijd:

Janne (a)   (stofzuigen) de kattenmand.

102.

Vul aan in de verleden tijd:

De kat (a)   (haasten) zich naar buiten.

103.

Vul aan in de verleden tijd:

De auto (a)   (crashen) tegen een lantaarnpaal.

104.

Vul aan met het voltooid deelwoord:

De leraar was (a)   (verbazen) over het knappe werk.

105.

Vul aan met het voltooid deelwoord:

Word jij ook (a)   (verwennen)?

106.

Vul aan met het voltooid deelwoord:

Heb jij al in zeewater van meer dan 25 °C (a)   (zwemmen)?

107.

Vul aan met het voltooid deelwoord:

Ik heb dat toch nooit (a)   (beweren)!

108.

Vul aan met het voltooid deelwoord:

Alexander heeft koffie (a)   (morsen).

109.

Vul aan met het voltooid deelwoord:

Eva heeft een paard (a)   (kopen).

110.

Vul aan met het voltooid deelwoord:

Ik heb die vuile sokken (a)   (wassen).

111.

Vul aan met het voltooid deelwoord:

Wat is hier (a)   (gebeuren)?

112.

Vul aan met het voltooid deelwoord:

Heeft de kat dat boek (a)   (vernielen)?

113.

Vul aan met het voltooid deelwoord:

Jasper heeft me met opruimen (a)   (helpen).

114.

Vul aan in de tegenwoordige tijd:

Het Amazonewoud (a)   (branden) heviger dan ooit.

115.

Vul aan in de tegenwoordige tijd:

Brazilië (a)   (detecteren) sinds begin dit jaar al 83 329 branden.