Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3d: Toets week

Total questions: 22

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Wat is geen stof eigenschap?

a)

oplosbaarheid

b)

vorm

c)

smeltpunt

d)

kleur

2.

De molecuulmassa van penteen (C5H10) is (a)  

3.

De molecuulmassa van glucose (C6H12O6) is (a)  

4.

De molecuulmassa van methanal (CH2O) is (a)  

5.

Barium en fluor reageren tot bariumfluoride (BaF2). De moleculemassa van barium is ....................

a)

175,3 mg

b)

175,3 u

c)

175,3 g

d)

175,3 kg

6.

Ba (s)+2 F (s) ⟶ BaF2 (s)Ba\ \left(s\right)+2\ F\ \left(s\right)\ \longrightarrow\ BaF_2\ \left(s\right)

a)

De reactie vergelijking is juist.

b)

De reactie vergelijking is niet juist.

7.

Dit is een voorbeeld van een .........................

a)

verbrandingsreactie

b)

ontledingsreactie

8.

Dit is een voorbeeld van een .........................

a)

verbrandingsreactie

b)

ontledingsreactie

9.

K2O

a)

metaal oxide

b)

niet metaal oxide

c)

geen van beide

10.

Li2O

a)

metaal oxide

b)

niet metaal oxide

c)

geen van beide

11.

Fe2O3

a)

metaal oxide

b)

niet metaal oxide

c)

geen van beide

12.

NO2

a)

metaal oxide

b)

niet metaal oxide

c)

geen van beide

13.

Een reactie dat energie nodig heeft, heet een ....................................

a)

Endotherme reactie

b)

Exotherme reactie

c)

Geen van beide

14.

De toestel van Hofmann maakt een ................ mogelijk.

a)

Endotherme reactie

b)

Exotherme reactie

c)

Geen van beide

15.

Welk factor heeft geen invloed op de reactiesnelheid.

a)

Concentratie

b)

Volume

c)

Katalysator

d)

Soort beginstof

e)

Verdelingsgraad

16.

Klopt de reactie vergelijking hieronder?

4 NH₃ (g)  + 7 O₂ (g) → 5 NO₂ (g) + 6 H₂O  (l)

a)

Ja, het klopt

b)

Nee, het klopt niet

c)

Het maakt niet uit.

17.

Klopt de reactie vergelijking hieronder?

3 Ca(OH)₂ + 2 H₃PO₄ → Ca₃(PO₄)₂ + 6 H₂O

a)

Ja, het klopt

b)

Nee, het klopt niet

c)

Het maakt niet uit.

18.

De massaverhouding tussen zuurstof en peroxide is 32 : 34. Hoeveel peroxide kan ontstaan uit 88 gram zuurstof?

a)

82,8 kg

b)

82,8 g

c)

93,5 g

d)

93,5 kg

19.

Dit is een voorbeeld van een ..................

a)

verbinding

b)

element

c)

geen van beide

20.

Dit is een voorbeeld van een ................

a)

verbinding

b)

element

c)

geen van beide

21.

Welk element is geen 'Twee-atomige moleculen'?

a)

Broom

b)

Koolstof

c)

Jood

d)

Stikstof

e)

Chloor

22.

Wat is de massapercentage waterstof in decaan (C10H22).

a)

0,85 %

b)

84,5 %

c)

0,16 %

d)

15,5 %