wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Th 4 BS 1 + 2_5V

Total questions: 39

Worksheet time: 34mins

Name
Class
Date
1.

Hoeveel basenparen zie je hier?

a)

2

b)

4

c)

6

d)

12

2.

Thymine vormt waterstofbruggen met:

a)

Adenine

b)

Guanine of Adenine

c)

Cytosine

d)

Adenine of Uracil

e)

Cytosine of Uracil

3.

Bij celdeling worden de beide strengen van DNA uit elkaar getrokken door (1). Aan de primers bindt vervolgens (2)

a)

(1) Ligase, (2) DNA-polymerase

b)

(1) Helicase, (2) DNA-polymerase

c)

(1) Ligase, (2) Okazaki-fragment

d)

(1) Helicase, (2) Okazaki-fragment

4.

Het uiteinde van de 'ruggengraat' van DNA met een fosfaatgroep is het (1). Aan de andere kant van dezelfde streng zit een (2).

a)

(1) 3'-uiteinde, (2) eiwit

b)

(1) 5'-uiteinde, (2) eiwit

c)

(1) 3'-uiteinde, (2) suikergroep

d)

(1) 5'-uiteinde, (2) suikergroep

5.

Wat vormt een nucleotide?

a)

Fosfaatgroep en stikstofbase

b)

Fosfaatgroep, suikergroep en stikstofbase

c)

Twee complementaire stikstofbases

d)

Suikergroep en stikstofbase

6.

Zet op volgorde van klein naar groot

a)

DNA-genoom-celkern-chromosoom-cel

b)

Genoom-DNA-chromosoom-celkern-cel

c)

DNA-chromosoom-genoom-celkern-cel

d)

Genoom-chromosoom-celkern-genoom-cel

7.

Een Okazaki-fragment is...

a)

...voor het verbinden van de losse DNA-stukken op de 'lagging strand'

b)

...een stukje DNA dat in één keer gemaakt kan worden bij de replicatie

c)

...het stukje DNA dat vanaf de primer wordt aangemaakt van 5' naar 3'

d)

…het stuk DNA in de leading strand dat wordt afgelezen bij replicatie.

8.

Waar in de cel bevinden zich losse nucleotiden?

a)

In het kernmembraan

b)

In het kernplasma

c)

In het cytoplasma

d)

In een ribosoom

9.

Wat is er mogelijk met PCR-technologie?

a)

DNA-fragmenten vermeerderen

b)

DNA-fragmenten afbreken

c)

DNA-fragmenten splitsen op een gel

d)

DNA-fragmenten isoleren

10.

Bij de celcyclus wordt DNA gedupliceerd in de (1) en vindt celgroei plaats in de (2).

a)

(1) S-fase, (2) G1-fase

b)

(1) S-fase, (2) M-fase

c)

(1) G1-fase, (2) M-fase

d)

(2) G1-fase, (2) S-fase

11.

Als we DNA beschouwen als een ladder, welke delen zijn dan de treden van de ladder?

a)

De stikstofbasenparing

b)

De fosfaat-suiker ruggengraat

c)

De genen

d)

De fosfolipide dubbele membraan

12.

Identificeren #2.

a)

stikstof base

b)

Fosfaat groep

c)

desoxyribose

d)

nucleotide

13.

Wat zijn de 4 stikstofbasen?

a)

adenine, thymine, cytoplasm, and guanine

b)

adenine, thymine cytosine, and guanine

c)

adenine, thymine, cytosine, and gylcerol

d)

adenine, thymine, cytosine, and glucose

14.

DNA is een

a)

atoom

b)

molecuul

c)

nucleus

d)

cel

15.

Het enzym dat het DNA openritst om zich voor te bereiden op replicatie

a)

helicase

b)

replicase

c)

polymerase

d)

synthase

16.

DNA-replicatie resulteert in twee DNA-moleculen,

a)

elk met twee originele strengen

b)

elk met twee nieuwe strengen

c)

elk met een nieuwe streng en een originele streng

d)

een met twee nieuwe strengen en de andere met twee originele strengen

17.

Richting dat DNA wordt gerepliceerd

a)

3' to 5'

b)

5' to 3'

18.

Richting dat DNA wordt GELEZEN?

a)

3' to 5'

b)

5' to 3'

19.

De scheiding van de twee enkele DNA-strengen creëert een 'Y'-vorm?

a)

enzym

b)

unzip

c)

replicatie fork

20.

Welke streng wordt sneller gekopieerd?

a)

Leading (leidende) streng

b)

Lagging (volgende) streng

21.

H is the

a)

leidende streng

b)

Volgende (lagging) streng

c)

Ouderstreng (matrijsstreng)

d)

Geen van bovenstaande antwoorden

22.

Structure G is

a)

primase

b)

ligase

c)

DNA polymerase

d)

helicase

23.

Replicatie vindt plaats WEG VAN de replicatievork op de streng

a)

I, de leidende streng

b)

I, de volgende (lagging) streng

c)

H, de leidende streng

d)

H, de volgende (lagging) streng

24.

Deze structuur is een Okazaki-fragment.

a)

A

b)

D

c)

F

d)

G

25.

De fragmenten op de lagging streng die zijn samengesteld uit zich herhalende segmenten van DNA- en RNA-primers

a)

okazaki fragments

b)

Ligase

c)

Polymerase

d)

unused DNA

26.

DNA-streng heeft de volgende basen AAGCCA wat zijn de basen op de complementaire streng

a)

GGCTTA

b)

TTGGGA

c)

CCAGGT

d)

TTCGGT

27.

Als een DNA-molecuul voor 18% uit Guanine bestaat, welke van de volgende is dan correct?

a)

18% cytosine, 32% adenine, 32% thymine

b)

32% cytosine, 18% adenine, 32% thymine

c)

18% cytosine, 64% adenine, 64% thymine

d)

32% cytosine, 32% adenine, 18% thymine

28.

volgorde van replicatie

a)

3, 4, 2, 1

b)

3, 1, 4, 2

c)

2, 1, 4, 3

d)

3, 4, 1, 2

29.

Waarom repliceert DNA?

a)

Om nog een kopie voor de nieuwe cel te maken

b)

Om een ​​duplicaat te maken voor het geval het origineel beschadigd raakt

c)

Een nieuwe kopie maken om het beschadigde origineel te vervangen

30.

Als een streng leest:

3' A A A T T T C 5'

De overeenkomende streng zou lezen ...

a)

5' T T T A A A G 3'

b)

3' T T T A A A G 5'

c)

5' A A A T T T C 3'

d)

3' U U U A A A G 5'

31.

Een student voerde een gelelektroforese-experiment uit. De resultaten zijn weergegeven in het diagram

onderstaand. Vergeleken met de fragmenten aan de bovenkant van de gel, zijn de fragmenten aan de onderkant dat wel

a)

groter en beweeg langzamer

b)

groter en sneller bewegen

c)

kleiner en sneller bewegen

d)

kleiner en beweeg langzamer

32.

Op basis van deze resultaten wiens bloed werd gevonden in de bloedvlek op de plaats delict?

a)

Bob

b)

Sue

c)

John

d)

Lisa

33.

DNA-fingerprinting werken omdat

a)

De meeste genen zijn dominant

b)

Alle organismen bevatten RNA

c)

De belangrijkste genen zijn bij de meeste mensen verschillend

d)

Geen twee mensen, behalve een identieke tweeling, hebben precies hetzelfde DNA

34.

Waarom bewegen de DNA-fragmenten bij gelelektroforese weg van de negatieve elektrode?

a)

DNA is negatief geladen en wordt dus aangetrokken door het positieve uiteinde van de eenheid

b)

DNA is positief geladen en wordt aangetrokken door het negatieve uiteinde van de eenheid

c)

de agarosegel is negatief geladen

d)

de agarosegel is positief geladen

35.

Wat is het primaire doel van het gebruik van restrictie-enzymen bij gelelektroforese?

a)

Hiermee kunnen de DNA-strengen voor testen in verschillende lengtes worden geknipt

b)

Het beperkt het aantal basenparen dat in een monster kan worden getest

c)

Het maakt het testen eenvoudiger door de strengen sneller in de gel te bewegen

d)

Het laadt de DNA-strengen op

36.

Welke twee vleermuissoorten zijn het nauwst verwant?

a)

 Bat 1 en Bat 2

b)

Bat 1 en Bat 3

c)

Bat 2 en Bat 3

d)

Er is geen manier om het te vertellen

37.

Voor welke toepassingen kan gelelektroforese worden gebruikt?

a)

Parental Testing

b)

strafrechtelijke onderzoeken

c)

Sequentie Bedreigde Soorten DNA

d)

Alle bovenstaande

38.

Een techniek om miljoenen kopieën te maken van een specifiek stukje DNA.

a)

DNA ligase

b)

restriction enzymes

c)

gel electrophoresis

d)

polymerase chain reaction

39.

Wat is de functie van een primer?

a)

Om het specifieke DNA-gebied te identificeren dat door PCR moet worden gekopieerd.

b)

Om DNA te kopiëren

c)

Om DNA-nucleotiden te maken.

d)

Om de temperatuur van de PCR-reactie te handhaven.