Font size
WorksheetsKen doe 4.4 - Les subordonnées
Total questions: 12
Worksheet time: 16mins
Maak één zin van deze twee zinnen. Gebruik het woord tussen de haakjes.
Ik studeer veel. Ik zal volgend jaar slagen. (opdat)
(a)
Vul het juiste voegwoord in.
... ik klein was, speelde ik vaak met mijn buurmeisje.
als
toen
opdat
sinds
Welk voegwoord past op de puntjes?
Ik kom niet naar je feestje ... ik ben ziek.
omdat
aangezien
sinds
want
Welk voegwoord past op de puntjes?
Hij traint elke dag ... hij de wedstrijd zou winnen.
opdat
omdat
want
aangezien
Verbind de twee zinnen met het woord tussen de haakjes.
Hij heeft gisteren paardgereden. Hij heeft zijn helm opgezet. (zonder dat)
(a)
Verbind de twee zinnen met het woord tussen de haakjes.
Hij doet zijn schaatsen aan. Hij heeft pijn aan zijn voeten. (telkens).
(a)
Verbind de twee zinnen met het woord tussen de haakjes.
Lisa traint elke dag. Ze zal de wedstrijd niet winnen. (zelfs als)
(a)
Vertaal de volgende zin:
Les enfants ne sont pas contents parce qu'ils n'ont pas mangé.
(a)
Vertaal de zin:
Elle n'aime pas lire des livres vu qu'elle fait ça à l'école.
(a)
Vertaal de volgende zin:
Pour qu'il puisse gagner la compétition il mange des bananes.
(a)
Vertaal de volgende zin:
Bien que nous avons couru vite nous n'avons pas gagné.
(a)
Vertaal de volgende zin:
Il aimerait monter à cheval bien qu'il n'aime pas les animaux.
(a)
