Font size
Worksheetspresent, perfect or past? Dutch regular verbs
Total questions: 16
Worksheet time: 16mins
Peter (bellen) een uurtje geleden dat hij wat later komt.
(a)
Heb jij de kinderen van school (ophalen) ?
(a)
Marjan heeft het huis weer helemaal (stofzuigen) .
(a)
Sandra (betalen) nu de rekening in het restaurant.
(a)
De jongen heeft het nieuwe gerecht (proeven).
(a)
Wij (bestellen) gisteravond een hamburger bij Burger King.
(a)
Hoeveel heb je voor het eten (betalen)?
(a)
Jack (versieren) zo de kamer voor het feest van vanavond.
(a)
Wij ( verrassen) ze gisteren met onze komst.
(a)
Ik heb je dat al drie keer (vertellen).
(a)
Ik (onderschatten) vorige week de moeilijkheid van het examen.
(a)
Wij (sporten) vroeger vier keer per week.
(a)
Hij is vorig jaar naar Leiden (verhuizen).
(a)
Hij (oplossen) gisteren als eerste het raadsel.
(a)
Heb jij je huiswerk voor morgen al (afmaken)?
(a)
Is het allemaal (lukken)?
(a)
