wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Th 5 BS 3 Regeling_4H

Total questions: 44

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Een zenuwcel heeft een cellichaam met uitlopers.

a)

Ja

b)

Nee

2.

Het centrale zenuwstelsel bestaat alleen uit de grote hersenen en de kleine hersenen.

a)

Ja

b)

Nee

3.

Nummer 1 geeft de hersenstam aan.

a)

Ja

b)

Nee

4.

Wat is de functie van de grote hersenen?

a)

Bij bewuste waarnemingen komen impulsen in de grote hersenen aan.

b)

De grote hersenen zorgen dat je lichaam in evenwicht blijft.

c)

In de grote hersenen worden de reflexen van het hele lichaam geregeld.

5.

Als er een vuiltje in je oog komt, knipper je met je oogleden. Dit heet ooglidreflex.

Via welk deel van het centrale zenuwstelsel verlopen de impulsen bij deze ooglidreflex?

a)

Via de grote hersenen

b)

Via de kleine hersenen

c)

Via de hersenstam

d)

Via het ruggenmerg

6.

Met welk nummer is het ruggenmerg aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

7.

Lia eet een ijsje en wordt zich bewust van de aardbeiensmaak. Ze vindt het erg lekker en neemt snel nog een lik van het ijsje.

Met welk deel wordt Lia zich bewust van de aardbeiensmaak?

a)

P

b)

Q

8.

Waaruit bestaat het centraal zenuwstelsel?

a)

Uit hersenen en het ruggenmerg

b)

Uit het ruggenmerg en zenuwen

c)

Het ruggenmerg en zenuwcellen

d)

Uit zenuwen en zenuwcellen

9.

Zijn prikkels elektische signalen?

a)

ja

b)

nee

10.
De grijze kleur van de (vlindervormige) stof in het ruggenmerg wordt veroorzaakt door:
a)
Uitlopers van motorische zenuwcellen.
b)
Uitlopers van sensorische zenuwcellen.
c)
Schakelcellen.
d)
Uitlopers van schakelcellen.
11.

Twee leerlingen doen elk een bewering over schade aan delen van het zintuigenstelsel en het zenuwstelsel.

Mariam zegt: 'Door schade aan een zintuig kunnen in dit zintuig wellicht geen impulsen meer ontstaan.'

June zegt: 'Door schade aan de hersenstam kan verlamming van het gehele lichaam ontstaan.' Wie heeft gelijk?

a)

Mariam heeft gelijk

b)

June heeft gelijk

c)

geen van beiden heeft geljk

d)

beiden hebben gelijk

12.

De ooglidreflex kan ook optreden als de buitenste laag van de ogen te droog wordt. De zenuwuiteinden in de buitenste laag van het oog worden dan geprikkeld.


Van welk type zenuwcellen maken deze zenuwuiteinden deel uit?

a)

van bewegingszenuwen

b)

van gevoelszenuwen

c)

van schakelcellen

13.

Wat is een zenuwcel?

a)

bundel uitlopers

b)

cel die impulsen doorstuurt

c)

cel waarmee je kunt nadenken

d)

cel die werkt als je zenuwachtig bent

14.

Van welk deel is de volgende taak: evenwicht

a)

grote hersenen

b)

kleine hersenen

c)

hersenstam

d)

ruggenmerg

15.

Om welke zenuwcel gaat het?

Vanaf zintuig gaat een:

a)

gevoelszenuwcel

b)

schakelcel

c)

bewegings-zenuwcel

16.

Om welke zenuwcel gaat het?

Cellichaam in zenuwknoop

a)

gevoelszenuwcel

b)

schakelcel

c)

bewegings-zenuwcel

17.

Welke uitlopers zitten er in een gemengde zenuw?

a)

schakel en gevoelzenuwcellen

b)

gevoelzenuwcellen en bewegings-zenuwcellen

c)

bewegings-zenuwcellen en schakelcellen

18.

Schakelcellen zijn...

a)

Geleiden impulsen van de zintuigen naar centrale zenuwstelsel

b)

Geleiden impulsen binnen het centrale zenuwstelsel

c)

Geleiden impulsen van centrale zenuwstelsel naar de spieren

19.

De grijze stof ligt oa. in je ruggenmerg. Grijze stof bestaat uit...

a)

Cellichamen van schakelcellen en bewegingszenuwcellen

b)

Cellichamen van gevoelszenuwcellen en bewegingszenuwcellen

c)

Uitlopers van gevoelszenuwcellen en bewegingszenuwcellen

20.

Bewegingszenuwcellen liggen...

a)

Aan de rugzijde

b)

Aan de buikzijde

c)

Centraal

21.

Gevoelscentra zijn...

a)

Delen van de grote hersenen die impulsen van zintuigen verwerken

b)

Delen van de kleine hersenen die impulsen van zintuigen verwerken

c)

Delen van de grote hersenen die impulsen van spieren verwerken

d)

Delen van de kleine hersenen die impulsen van spieren verwerken

22.

Grijze van de hersenen stof ligt...

a)

In de hersenschors

b)

Binnenste gedeelte van de hersenen

23.

Met welk deel van het centrale zenuwstelsel zijn de meeste zenuwen verbonden?

a)

Het ruggenmerg

b)

De grote hersenen

c)

De kleine hersenen

d)

De hersenstam

24.

Wat is een zenuw?

a)

Een bundel uitlopers van cellichamen van zenuwcellen

b)

Een bundel uitlopers van zenuwcellen

c)

Een cel die impulsen kan geleiden

d)

Twee zenuwcellen die met elkaar verbonden zijn

25.

Met welk deel van het centrale zenuwstelsel is de tong verbonden door middel van zenuwen?

a)

Met de grote hersenen

b)

Met de hersenstam

c)

Met de kleine hersenen

d)

Met het ruggenmerg

26.

Waar komen in het ruggenmerg de impulsen aan die afkomstig zijn van zintuigen?

a)

Aan de buikzijde

b)

Aan de rugzijde

27.

Waar verlaten de impulsen het ruggenmerg?

a)

Aan de buikzijde

b)

Aan de rugzijde

28.

Wat is geen functie van het zenuwstelsel?

a)

Impulsen verwerken die afkomstig zijn van zintuigen

b)

De werking regelen van spieren en klieren

c)

Hormonen door het lichaam rondpompen

29.

Kijk naar de reflexboog in het diagram. Welk neuron is gemarkeerd met de letter X?

a)

gevoelszenuwcel

b)

schakelzenuwcel

c)

bewegingszenuwcel

d)

centrale zenuwstelsel

30.

Kijk naar de reflexboog in het diagram. Welk neuron is gemarkeerd met de letter Y?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Schakelneuron

c)

Bewegingszenuwcel

d)

Centrale zenuwstelsel

31.

Nummer 1 geeft de hersenstam aan.

a)

Ja

b)

Nee

32.

Wat is de functie van de grote hersenen?

a)

Bij bewuste waarnemingen komen impulsen in de grote hersenen aan.

b)

De grote hersenen zorgen dat je lichaam in evenwicht blijft.

c)

In de grote hersenen worden de reflexen van het hele lichaam geregeld.

33.

Als er een vuiltje in je oog komt, knipper je met je oogleden. Dit heet ooglidreflex.

Via welk deel van het centrale zenuwstelsel verlopen de impulsen bij deze ooglidreflex?

a)

Via de grote hersenen

b)

Via de kleine hersenen

c)

Via de hersenstam

d)

Via het ruggenmerg

34.

Met welk nummer is het ruggenmerg aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

35.
Wat is een reflex?
a)
Vaste, snelle, onbewuste reactie
b)
Trage reactie
c)
Bewuste reactie
36.

Maak de volgende zin af:

Je neemt pas bewust waar, als de impulsen

a)

in je hersenen zijn aangekomen

b)

onderweg zijn naar je hersenen

c)

in je ruggenmerg zijn aangekomen

d)

in je spieren zijn aangekomen

37.
Waarom heb je reflexen?
a)
Reflexen beschermen het lichaam
b)
Omdat het leuk is
c)
Reflexen zorgen ervoor dat je weet wanneer je het warm of koud heb
38.
Zenuwen komen samen in
a)
je spieren
b)
je hersenen
c)
je ruggenmerg
d)
je skelet
39.

welke drie soorten zenuwcellen zijn er?

(a)  

40.

het grijze stof bestaat vooral uit cellichamen

a)

juist

b)

onjuist

41.

welk deel van het zenuwstelsel stimuleert de 'vecht-modus'?

a)

ortho-sympatisch deel

b)

para-sympathisch deel

42.

In welke kant van het ruggenmerg worden gevoelszenuwcellen ontvangen?

a)

de rugzijde

b)

de buikzijde

c)

aan allebei kanten

43.

Twee leerlingen doen elk een bewering over schade aan delen van het zintuigenstelsel en het zenuwstelsel.

Mariam zegt: 'Door schade aan een zintuig kunnen in dit zintuig wellicht geen impulsen meer ontstaan.'

June zegt: 'Door schade aan de hersenstam kan verlamming van het gehele lichaam ontstaan.' Wie heeft gelijk?

a)

Mariam heeft gelijk

b)

June heeft gelijk

c)

geen van beiden heeft geljk

d)

beiden hebben gelijk

44.

De ooglidreflex kan ook optreden als de buitenste laag van de ogen te droog wordt. De zenuwuiteinden in de buitenste laag van het oog worden dan geprikkeld.


Van welk type zenuwcellen maken deze zenuwuiteinden deel uit?

a)

van bewegingszenuwen

b)

van gevoelszenuwen

c)

van schakelcellen