wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

B3 Herhaling Th 4 Stevigheid en Beweging

Total questions: 48

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Welk type gewricht zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Zadelgewricht

2.

Welk type gewricht zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Zadelgewricht

3.

Waarmee zitten de twee botten van een gewricht aan elkaar vast?

a)

Kraakbeen

b)

Gewrichtskapsel

c)

Bot

4.

Een voorbeeld van een vergroeid bot is het ...

a)

Opperarmbeen

b)

Dijbeen

c)

Heiligbeen

5.

Botten die verbonden zijn met kraakbeen kunnen ...

a)

Niet bewegen ten opzichte van elkaar.

b)

Een beetje bewegen ten opzichte van elkaar.

c)

Veel bewegen ten opzichte van elkaar.

6.

Welke verbinding zit er tussen je ribben en je borstbeen?

a)

Gewricht

b)

Kraakbeen

c)

Naad

d)

Vergroeid

7.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 2?

a)

Kraakbeenlaagje

b)

Gewrichtskapsel

c)

Kapselband

d)

Gewrichtssmeer

8.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 6?

a)

Kapselband

b)

Gewrichtskapsel

c)

Kraakbeenlaagje

d)

Gewrichtssmeer

9.

De beenderen bij baby's bestaan voornamelijk uit kraakbeen.

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

Lijmstof verbrandt in een vlam.

a)

Juist

b)

Onjuist

11.

Been is buigzamer dan kraakbeen.

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

In de loop van je leven:

a)

Komen er minder kalkzouten in je botten.

b)

Komt er minder lijmstof in je botten.

c)

Blijft de hoeveelheid kalkzouten en lijmstof gelijk.

d)

Komt er meer lijmstof in je botten.

13.
Welk type weefsel is dit?
a)
Beenweefsel
b)
Kraakbeenweefsel
c)
Tussencelstrof
d)
Zwakbeenweefsel
14.

Piet legt een kippenboutje een paar uur in verdund zoutzuur. Nadat hij het kippenboutje eruit gehaald heeft bestudeert hij het aandachtig.

Wat neemt Piet waar en waardoor is dit veroorzaakt?

a)

Het kippenboutje is buigzaam doordat de lijmstof is opgelost.

b)

Het kippenboutje is buigzaam doordat de kalkzouten opgelost zijn.

c)

Het kippenboutje is breekbaar doordat de kalkzouten opgelost zijn.

d)

Het kippenboutje is breekbaar doordat de lijmstof opgelost is.

15.

Typ een ander woord voor skelet.

(a)  

16.

Kies het woord dat op plek 5 moet staan.

a)

ledematen

b)

arm

c)

been

d)

hoofd

e)

romp

17.

Kies het woord dat op plek 1 moet staan.

a)

ledematen

b)

arm

c)

been

d)

hoofd

e)

romp

18.

Kies het woord dat op plek 4 moet staan.

a)

ledematen

b)

arm

c)

been

d)

hoofd

e)

romp

19.

De schoudergordel bestaat uit:

a)

sleutelbeenderen

b)

schouderbladen

c)

ribben

d)

borstbeen

e)

heupbeenderen

20.

De borstkas bestaat uit:

a)

sleutelbeenderen

b)

schouderbladen

c)

ribben

d)

borstbeen

e)

heupbeenderen

21.

De schedel bestaat uit:

a)

hals-, borst- en lendenwervels

b)

schedelbeenderen

c)

bovenkaak

d)

onderkaak

e)

kinbeen

22.

Kies de juiste functie van het skelet.

Je strekt je arm om je pen te pakken.

a)

bescherming

b)

beweging

c)

stevigheid

d)

vorm

23.

Kies de juiste functie van het skelet.

Iemand stoot met zijn schouders tegen je borstkas aan.

a)

bescherming

b)

beweging

c)

stevigheid

d)

vorm

24.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 4?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
25.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 2?
a)
Spaakbeen
b)
Schouderblad
c)
Borstbeen
d)
Wandbeen
26.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 10?
a)
Scheenbeen
b)
Knieschijf
c)
Scheenbeen
d)
Opperarmbeen
27.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 11?
a)
Heiligbeen
b)
Staartbeen
c)
Heupbeen
d)
Bekken
28.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 6?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
29.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 14?
a)
Ellepijp
b)
Sleutelbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
30.

Welke is GEEN functie van het skelet?

a)

Het houdt ons recht.

b)

Het beschermt een deel van onze organen.

c)

Het beschermt ons tegen bacteriën.

d)

Het vormt ons lichaam.

31.
Wat gebeurt er met een spier als hij zich aanspant?
a)
Wordt kort en dun
b)
Wordt lang en dun
c)
Wordt kort en dik
d)
Wordt lang en dik
32.

Wat is een antagonist?

a)

spieren die samentrekken.

b)

spieren die met elkaar strekken, dit zorgt voor beweging van de botten en spieren.

c)

Spieren waarbij het samentrekken een tegenovergesteld effect heeft.

d)

Spieren die belangrijk zijn voor de de zuurstofaanvoer in ons lichaam.

33.

De biceps zorgt voor het strekken van de arm.

a)

waar

b)

niet waar

34.

wat is de volgorde van groot naar klein?

a)

spierbundel, spier, spiervezel, spiercel

b)

spiercel. spierbundel, spiervezel, spiercel

c)

Spier, spierbundel, spiervezel, spiercel

d)

spier, spiervezel, spierbundel, spiercel

35.
a)

6 is voorste dijspier

b)

6 is buikspier

c)

6 is kuitspier

d)

6 is hamstring

36.

Welke spier is spier 2?

a)

2 is biceps

b)

2 is triceps

c)

2 is kuitspier

d)

2 is hamstring

37.

Wat is een aanhechtingspunt?

a)

verbinding tussen de organen en weefsel

b)

plaats waar de pees vastzit aan het bot

c)

punt waar zuurstof wordt gehecht aan de spier

38.

Wat is de werking van een spier?

a)

Een spier trekt samen, hierdoor wordt de spier korter. De botten die aan de spieren vast zitten, worden naar elkaar toegetrokken.

b)

Een spier trekt samen doordat er zuurstof bij de spier komt, het zuurstof zorgt voor de samentrekking van deze spieren.

c)

Een spier rekt uit, hierdoor wordt de spier langer. De botten die aan de spieren vast zitten, worden van elkaar weggeduwd.

39.

Een kraakbeenschijf puilt tussen de wervels uit. Bij welke blessure hoort dit?

a)

Voetbalknie

b)

Hernia

c)

Spierkneuzing

d)

Spierpijn

40.

Zweepslag is een ander woord voor spierkramp

a)

Juist

b)

Onjuist

41.

Dit voel je als afvalstoffen in je spieren achterblijven.

a)

Verstuiking

b)

Spierpijn

c)

Rugpijn

42.

Wat is een ontwrichting?

a)

Bij een ontwrichting zijn de gewrichtsbanden uitgerekt.

b)

Bij een ontwrichting is de gewrichtsknobbel uit de gewrichtskom geschoten.

c)

Bij een ontwrichting heb je spierpijn.

43.

Het kleinste deel van een spier is een spiervezel

a)

waar

b)

niet waar

44.

bij een verzwikking moet je het volgende doen:

a)

gips om de enkel heen doen

b)

het gewricht masseren

c)

het gewricht koelen met ijs

d)

het gewricht met rust laten

45.

Cooling-down bevordert de doorbloeding van de spieren om de afvalstoffen af te voeren.

a)

Juist

b)

Onjuist

46.

vorm van het menselijk wervelkolom

a)

afhankelijk van skelet

b)

dubbele Z-vorm

c)

dubbele s-vorm

d)

s-vormig

47.

Welke lichaamshouding is correct?

a)
b)
c)
d)
48.

Waarom is beweging belangrijk?

a)

Het zorgt voor een goede conditie

b)

Het zorgt voor een goede coördinatie

c)

Het versterkt spieren.

d)

Zodat je niet lui wordt.