wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H4 steden en staten

Total questions: 27

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Een handige plek om een stad te beginnen in de Middeleeuwen was

a)

bij een kanaal

b)

een kruispunt van wegen

c)

een spoorlijn

d)

bij een landhuis

2.

Een beroep waarbij je producten met de hand maakt.

a)

Gilde

b)

Ambacht

c)

Hanze

d)

Handel

3.
De drie standen in de middeleeuwen waren.....
a)
Koningen, monniken en boeren
b)
Keizers, paus en kardinalen en boeren
c)
Geestelijkheid, adel en boeren
d)
Ridders, Boeren en Horigen
4.

Wat is een Hanze?

a)

Samenwerkingsverband van handelaren en steden

b)

Samenwerkingsverband van een groep geestelijken binnen het Christendom

c)

Een militair verbond tussen Duitse en Hollandse adel

d)

Een samenwerkingsverband tussen verschillende dienstsectoren binnen een stad

5.

Wat was het gevolg van het voedseloverschot op het platteland na 1000

a)

Het voedseloverschot ruilden ze op de markt in de stad voor producten. Er ontstond zo meer handel in de stad.

b)

De boeren werden door het voedseloverschot sterker en kwamen in opstand tegen hun leenheren.

c)

Door een groot tekort aan boeren kon veel voedsel niet verwerkt worden waardoor er hongersnoden ontstonden na het jaar 1000.

d)

Veel burgers in de steden trokken naar het platteland om ook boer te worden.

6.

Wanneer speelde de late middeleeuwen zich af?

a)

500-1500

b)

1000-1500

c)

1500-2000

d)

500-1000

7.

In de late middeleeuwen werd Europa een....

a)

landbouw-stedelijke samenleving

b)

stedelijke samenleving

c)

landbouw samenleving

d)

industriële samenleving

8.

Begrip: Een land met duidelijke grenzen waarin overal dezelfde wetten en regels gelden

a)

schepenen

b)

staat

c)

ontginnen

d)

gezel

9.

begrip: Bestuur vanuit één plaats; overal in het land gelden dezelfde wetten en belastingen.

a)

bedevaart

b)

centraal bestuur

c)

Hanze

d)

kruistocht

10.

Wat was geen stadsrecht?

a)

Een stadsmuur bouwen

b)

Zelf munten slaan

c)

Zelf de schout benoemen

d)

Zelf de stad besturen

11.

Veel koningen in de late middeleeuwen probeerden een ... bestuur in te richten

a)

centraal

b)

gewestelijk

12.

ketters zijn

a)

mensen die van hun geloof houden

b)

mensen die kritiek hebben op de katholieke kerk

c)

mensen die kritiek hebben op de nonnen.

13.

Wat is een handige plek voor een stad?

a)

1. Dit is een rustige plek waar je geen last hebt van het kasteel, de weg en de rivier.

b)

2. Dit is vlakbij het kasteel. Dat is handig als je bescherming nodig hebt.

c)

3. Dit is vlakbij de weg, de rivier en het kasteel. Mensen kunnen gemakkelijk naar de stad komen.

14.

Wat gebeurde er volgens de mensen in de tijd van steden en staten na de dood?

a)

Dan ging je naar het paradijs.

b)

Dan werd je begraven en verder gebeurde er niks.

c)

Dan ging je naar de hemel of naar de hel.

15.

Waarom waren geestelijken in de tijd van steden en staten zo belangrijk voor gelovige mensen??

a)

Zij waren rijk en lieten grote kerken in steden en dorpen bouwen.

b)

Zij hielpen de mensen om zo te leven zodat ze naar de hemel gingen.

c)

Zij hielpen gelovige mensen met het besturen van het land.

16.

Wat was een gilde?

a)

Een club van vooraanstaande mensen

b)

Een beroepsvereniging (soort vakbond)

c)

Het bestuur van een stad

d)

De verzekering van mensen in de middeleeuwen

17.

Wie gaf een stad stadsrechten?

a)

Koning/landheer

b)

de Paus

c)

De bisschop

d)

de rentmeester

18.

Noem drie voorbeelden van stadsrechten

a)

Een stadhuis bouwen

b)

De stad besturen

c)

Rechtspreken

d)

Stadsmuren bouwen

e)

Een weg aanleggen

19.

Welke functie uit het middeleeuwse stadsbestuur bestaat nu nog?

a)

Schepenen

b)

Wethouder

c)

Burgermeester

d)

Schout

20.

Wat kreeg de heer terug voor het verlenen van stadsrechten?

a)

geld in de vorm van belasting

b)

producten zoals graan

c)

volledige en onbeperkte trouw

d)

jaarlijkse feesten

21.

begrip: Een poging van christelijke legers (van 1096 tot 1270) om Jeruzalem in Palestina in bezit te krijgen.

a)

bedevaart

b)

centraal bestuur

c)

Hanze

d)

kruistocht

22.

Waarom gingen ridders op kruistocht?

a)

Het redden van heiligdommen

b)

Vergeving van hun zonden

c)

Voor het avontuur

d)

Hoop op beloning

23.

Welke groep hoort bij de tweede stand?

a)

De Adel

b)

De Boeren

c)

De Burgers

d)

De Geestelijken

24.

Welke groep hoort bij de eerste stand?

a)

De Adel

b)

De Boeren

c)

De Burgers

d)

De Geestelijken

25.

Welke uitspraak over de derde stand is juist?

a)

De derde stand bestaat eerst uit burgers, daarna ook boeren

b)

De derde stand bestaat eerst uit boeren, daarna ook burgers

c)

De derde stand bestaat voor het meest uit burgers

d)

De derde stand heeft het minste leden van alle standen

26.

Welk geloof hadden alle mensen in de middeleeuwen in West-Europa?

a)

Protestant (Christendom)

b)

Islam

c)

Jodendom

d)

Katholiek (christendom)

27.

Welk tijdvak speelt zich af tussen 1000 na Chr. en 1500 na Chr.

a)

De tijd van Monniken en Ridders

b)

De tijd van Steden en Staten

c)

De tijd van Ontdekkers en Hervormers

d)

De tijd van Grieken en Romeinen