wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Brandstoffen en Energie 2022/2023

Total questions: 58

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Kies de juiste voorwaarden voor een verbranding.

a)

Zuurstof

b)

Koolstofdioxide

c)

Ontbandingstemperatuur

d)

Bouwstof

e)

Brandstof

2.

Kies de juiste voorwaarde van een verbranding die weg is gehaald.

Op een kampvuur gaat het vuur uit, omdat er geen hout meer bij wordt gedaan.

a)

brandstof

b)

bouwstof

c)

koolstofdioxide

d)

zuurstof

e)

ontbrandingstemperatuur

3.

Kies de juiste voorwaarde van een verbranding die weg is gehaald.

Op een brandende auto wordt een deken van schuim gespoten.

a)

brandstof

b)

bouwstof

c)

koolstofdioxide

d)

zuurstof

e)

ontbrandingstemperatuur

4.

Kies de juiste voorwaarde van een verbranding die weg is gehaald.

Op een brandend stukje papier wordt een glas water gegooid.

a)

brandstof

b)

bouwstof

c)

koolstofdioxide

d)

zuurstof

e)

ontbrandingstemperatuur

5.

Kies de brandstof die in een auto gebruikt kan worden.

a)

benzine

b)

diesel

c)

glucose

d)

hout

e)

kaarsvet

6.

Kies de stoffen die ontstaan bij een (volledige) verbranding.

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

c)

water(damp)

d)

brandstof

e)

lage temperatuur

7.

Typ het antwoord dat op plek 1 moet komen te staan.

(1) + zuurstof --> water + koolstofdioxide + energie

(a)  

8.

Typ het antwoord dat op plek 2 moet komen te staan.

brandstof + (2) --> water + koolstofdioxide + energie

(a)  

9.

Typ het antwoord dat op plek 3 moet komen te staan.

brandstof + zuurstof --> (3) + koolstofdioxide + energie

(a)  

10.

Typ het antwoord dat op plek 4 moet komen te staan.

brandstof + zuurstof --> water + (4) + energie

(a)  

11.

Kies de juiste scheikundige formule van zuurstof.

a)

CO2CO_2  

b)

O2O_2  

c)

CO2CO^2  

d)

O2O^2  

12.

Kies de juiste scheikundige formule van koolstofdioxide.

a)

CO2CO_2  

b)

O2O_2  

c)

CO2CO^2  

d)

O2O^2  

13.

Kies de juiste scheikundige formule van water.

a)

H2OH_2O  

b)

HO2HO_2  

c)

H2OH^2O  

d)

HO2HO^2  

14.

Kies de juiste scheikundige formule van stikstof.

a)

N2N_2  

b)

N2ON_2O  

c)

N2ON^2O  

d)

N2N^2  

15.

Bij een verbranding ontstaan de stoffen koolstofdioxide en water(damp).

Typ wat er nog méér ontstaat.

(a)  

16.

Typ waar zuurstof in de lucht vandaan komt.

(a)  

17.

Klik de elementen aan die planten nodig hebben voor fotosynthese.

a)

waterdamp

b)

koolstofdioxide

c)

zonlicht

d)

glucose

e)

zuurstof

18.

Klik de elementen aan die ontstaan door fotosynthese in planten.

a)

waterdamp

b)

koolstofdioxide

c)

zonlicht

d)

glucose

e)

zuurstof

19.

Typ het antwoord dat op plek 1 moet komen te staan.

(1) + koolstofdioxide --> glucose + (2)

(a)  

20.

Typ het antwoord dat op plek 2 moet komen te staan.

(1) + koolstofdioxide --> glucose + (2)

(a)  

21.

Typ het element dat in de volgende formule, boven de pijl, mist.

waterdamp + koolstofdioxide --> glucose + zuurstof

(a)  

22.

Fotosynthese vindt plaats in planten.

Typ het onderdeel van de cel van planten waarin fotosynthese plaatsvindt.

(a)  

23.

Planten doen net als wij ook aan verbranding.

a)

juist

b)

onjuist

24.

Planten gebruiken glucose voor verbranding.

a)

juist

b)

onjuist

25.

Planten maken overdag géén glucose, 's nachts wel.

a)

juist

b)

onjuist

26.

Planten gebruiken 's nachts glucose voor verbranding, maar maken 's nachts géén glucose.

a)

juist

b)

onjuist

27.

Klik aan wanneer groene planten alleen glucose verbranden, maar geen glucose maken.

a)

's nachts

b)

overdag

28.

Klik aan wanneer groene planten zowel glucose maken als verbranden.

a)

's nachts

b)

overdag

29.

Typ een ander woord voor een aantoonstof.

(a)  

30.

Typ de indicator voor zetmeel.

(a)  

31.

Klik de indicator aan voor zetmeel.

a)

jodium

b)

rodekoolsap

c)

helder kalkwater

d)

pipet

e)

glucose

32.

... is de kracht die alles in ons universum in beweging houdt.



(a)  

33.

Klik het onderdeel van de plantaardige cel aan dat wordt aangegeven met nummer 1.

a)

Celmembraan

b)

Celwand

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

e)

Celkern

34.

Klik het onderdeel van de plantaardige cel aan dat wordt aangegeven met nummer 2.

a)

Celmembraan

b)

Celwand

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

e)

Celkern

35.

Klik het onderdeel van de plantaardige cel aan dat wordt aangegeven met nummer 3.

a)

Celmembraan

b)

Bladgroenkorrel

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

e)

Celkern

36.

Klik het onderdeel van de plantaardige cel aan dat wordt aangegeven met nummer 4.

a)

Celmembraan

b)

Bladgroenkorrel

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

e)

Celkern

37.

Klik het onderdeel van de plantaardige cel aan dat wordt aangegeven met nummer 5.

a)

Celmembraan

b)

Bladgroenkorrel

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

e)

Celkern

38.

Klik het onderdeel van de plantaardige cel aan dat wordt aangegeven met nummer 6.

a)

Celmembraan

b)

Bladgroenkorrel

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

e)

Celkern

39.

Typ de naam van het onderdeel dat aangegeven wordt met nummer 1.

(a)  

40.

Typ de naam van het onderdeel dat aangegeven wordt met nummer 2.

(a)  

41.

Typ de naam van het onderdeel dat aangegeven wordt met nummer 3.

(a)  

42.

Typ de naam van het onderdeel dat aangegeven wordt met nummer 4.

(a)  

43.

Typ de naam van het onderdeel dat aangegeven wordt met nummer 5.

(a)  

44.

Typ de naam van het onderdeel dat aangegeven wordt met nummer 6.

(a)  

45.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 1.

(a)  

46.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 2.

(a)  

47.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 3.

(a)  

48.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 4.

(a)  

49.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 5.

(a)  

50.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 6.

(a)  

51.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 7.

(a)  

52.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 8.

(a)  

53.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 9.

(a)  

54.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 10.

(a)  

55.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 11.

(a)  

56.

Hoe heten de twee typen lenzen in een microscoop?

a)

oculair

b)

objectief

c)

diafragma

d)

tubus

57.

In de tafel zit een gat. Typ het onderdeel van de microscoop die onder dat gat zit.

(a)  

58.

Wat is de functie van het diafragma?

a)

hoeveelheid licht regelen

b)

licht aan- en uitzetten

c)

ongeveer scherpstellen

d)

hieraan houd je de microscoop vast

Similar Resources on Wayground