wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

uitscheiding en bloed

Total questions: 63

Worksheet time: 1hrs 27mins

Name
Class
Date
1.

Een atleet uit Nederland traint enkele maanden in het hooggebergte. Hierna blijkt hij in Nederland tot een grotere prestatie te komen.


Welke verandering in het bloed zal mede tot deze grotere prestatie geleid hebben?

a)

een groter aantal witte bloedcellen

b)

een groter aantal rode bloedcellen

c)

een groter aantal bloedplaatjes

d)

een grotere hoeveelheid bloedplasma

2.

Bij iemand komt een afwijking van de bloedplaatjes voor, waardoor deze hun inhoud niet kunnen afgegeven.


Wat kan daarvan het gevolg zijn?

a)

het bloed stolt te snel

b)

het bloed kan niet stollen

c)

het bloed kan geen zuurstof vervoeren

d)

het bloed kan een virus niet meer aanvallen

3.

Het bloed stroomt van een kuitspier via de longen weer terug naar dezelfde kuitspier. Het bloed gaat daarbij minstens tweemaal door het hart. De weg die het bloed hierbij door het hart aflegt is achtereenvolgens:

a)

linkerkamer - linkerboezem - rechterkamer - rechterboezem

b)

linkerboezem - linkerkamer - rechterboezem - rechterkamer

c)

rechterkamer - rechterboezem - linkerkamer - linkerboezem

d)

rechterboezem - rechterkamer - linkerboezem - linkerkamer

4.

De afbeelding geeft de doorsnede van een bloedvat uit het been van een mens weer.


Is dit een beenader of beenslagader?

Vervoert dit bloedvat zuurstofarm of zuurstofrijk bloed?

a)

beenader / zuurstofarm

b)

beenslagader / zuurstofarm

c)

beenader / zuurstofrijk

d)

beenslagader / zuurstofrijk

5.

Over het hart van de mens worden twee beweringen gedaan:


1) In de wand van het hart vindt dissimilatie van glucose plaats

2) In de rechterkamer van het hart is de glucoseconcentratie in het bloed lager dan die in de linkerkamer


Welke bewering(en) is of zijn juist?

a)

Alleen bewering 1

b)

Alleen bewering 2

c)

Bewering 1 en 2

d)

Beide zijn onjuist

6.

Bekijk onderstaande stellingen:


1) Alle slagaders vervoeren zuurstofrijk bloed

2) De poortader vervoert zuurstofrijk bloed naar de darmen


Welke is/zijn juist of onjuist?

a)

Beide juist

b)

Alleen 1 is juist

c)

Alleen 2 is juist

d)

Beide onjuist

7.

Een kransslagader van de mens is een aftakking van

a)

de aorta

b)

de armslagader

c)

de halsslagader

d)

de longslagader

8.

Welke weg volgt het bloed in een vis?

a)

hart – de overige organen – kieuwen

b)

hart – kieuwen – de overige organen

c)

Hart – kieuwen – hart – de overige organen

9.

Wat is geen onderdeel van het inwendige milieu?

a)

Weefselvloeistof

b)

Slijmlaag in de longen

c)

Bloedplasma

10.

Voedingsstoffen in je bloed horen bij...

a)

Inwendig mileu

b)

Uitwendig milieu

11.

Welke stof produceert de lever?

a)

Gal

b)

Maagzuur

c)

Bloedcellen

d)

Speeksel

12.

Wat hoort bij de beschrijving:

VAN inwendig milieu NAAR uitwendig milieu

a)

Uitscheiding

b)

Voedsel opnemen

c)

Reserves aanvullen

d)

Inademen

13.

Wat doen de nieren met je urine?

a)

Opslaan

b)

Uitscheiden

c)

Opnemen

14.

De lucht in je longen hoort bij het ...

a)

Inwendige milieu

b)

Uitwendige milieu

c)

Allebei

15.

Waar hoort bloed bij?

a)

Inwendig milieu

b)

Uitwendig milieu

16.

Wat krijg je ingeënt bij een vaccinatie?

a)

Dode ziekteverwekkers

b)

Zwakke ziekteverwekkers

c)

Levende ziekteverwekkers

d)

1 ziekteverwekker

17.

Hoe kan je immuun raken?

a)

Wanneer je een vaccinatie hebt gehad

b)

Wanneer je de ziekte al een keer hebt gehad

c)

Beide antwoorden zijn goed

18.

Welke organismen kan je bestrijden met antibiotica?

a)

Virussen

b)

Schimmels

c)

Bacteriën

d)

Allemaal

19.

Wat is de functie van koorts?

a)

Bacteriën er uit zweten

b)

Ziekteverwekkers kunnen dan niet goed groeien

c)

Dat krijg je als het koud is

d)

Virussen er uit zweten

20.

Welke onderdelen in het bloed treden in actie tegen ziekteverwekkers?

a)

Rode bloedcellen

b)

Bloedplaatjes

c)

Bloedplasma

d)

Witte bloedcellen

21.

Wat gebeurt er wanneer je het warm hebt?

a)

Bloedvaten worden wijder

b)

Bloedvaten worden nauwer

c)

Je krijgt kippenvel

d)

Je gaat zweten

22.

Wat is de functie van talg?

a)

De huid soepel houden

b)

Bacteriën onschadelijk maken

c)

Virussen onschadelijk maken

d)

Het heeft geen functie

23.

Waar bestaat eelt uit?

a)

Veel dode huidcellen

b)

Veel levende huidcellen

c)

Het is een dikke lederhuid

d)

Het is een dikke kiemlaag

24.

Welke laag van de opperhuid bestaat uit dode cellen?

a)

Onderhuids bindweefsel

b)

Lederhuid

c)

Kiemlaag

d)

Hoornlaag

25.

In welke onderdelen van de nier vindt uitscheiding plaats van water en afvalstoffen?

a)

Nierschors

b)

Nierbekken

c)

Niermerg

d)

Urineleider

26.

Via waar wordt urine uit ons lichaam vervoert?

a)

Urinebuis

b)

Urineleider

c)

Nierbekken

d)

Nierschors

27.

Welke stof produceert de lever die belangrijk is voor de bloedstolling?

a)

Fibrine

b)

Fibrinogeen

c)

Bloedplaatjes

d)

Witte bloedcellen

28.

Wat is de functie van gal?

a)

Emulgeert vetten

b)

Breekt glucose af

c)

Zorgt voor de opbouw van rode bloedcellen

d)

Maakt vetten

29.

Welke giftige stof ontstaat in de lever bij de afbraak van eiwitten?

a)

Ureum

b)

Fibrinogeen

c)

Gal

d)

Glycogeen

30.

Wat zijn de functies van de lever?

a)

Gal maken

b)

Gifstoffen afbreken

c)

Afvalstoffen afbreken

d)

Rode bloedcellen maken

31.

Hoe heet het virus dat voor een ontstoken lever kan zorgen?

(a)  

32.

Waar in ons lichaam slaan we glucose op?

a)

Alleen de lever

b)

Alleen de spieren

c)

Lever en spieren

d)

Onderhuids bindweefsel

33.

Waar slaan we in ons lichaam vet op?

a)

Onderhuids bindweefsel

b)

Lever

c)

Gele beenmerg

d)

Alle antwoorden zijn goed

34.

Waar hoort urine bij?

a)

Inwendig milieu

b)

Uitwendig milieu

35.

Waar hoort weefselvocht bij?

a)

Inwendig milieu

b)

Uitwendig milieu

36.

Een weefsel is een

a)

Groep cellen dat bij elkaar ligt

b)

Groep cellen met dezelfde vorm

c)

Groep cellen met dezelfde functie

d)

Groep cellen met dezelfde vorm en functie

37.

De bouwstenen van een organisme noemen we

a)

de celkern

b)

organen

c)

cellen

d)

weefsels

38.

In welk gedeelte van het hart is de wand het dikst?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

39.

Waar heb je last van bij een lymfe oedeem?

a)

Bloed ophoping in je haarvaten

b)

Vocht ophoping in je weefsel

c)

Vocht ophoping in je haarvaten

d)

Bloed ophoping in je weefsel

40.
Wat is JUIST als het om slagaders gaat?
a)
Er stroomt altijd zuurstofrijk bloed door.
b)
Bloed stroomt altijd van het hart af.
c)
Bloed is altijd helderrood dat hier doorheen stroomt.
d)
Je hebt er maar 4 van in je lichaam.
41.

Welk type bloedvat kenmerkt zich door het hebben van kleppen?

a)

Kransslagaders

b)

Haarvaten

c)

Slagaders

d)

Aders

42.
Waaruit bestaat bloed?
a)
Witte bloedcellen, Rode bloedcellen, Bloedplaatjes en Bloedplasma
b)
Rode bloedcellen, Bloedplaatjes, Witte Bloedcellen en Water
c)
Opgeloste stoffen, Rode Bloedcellen en Witte Bloedcellen
d)
Rode bloedcellen, Witte bloedcellen en Bloedplaatjes
43.
Rode Bloedcellen hebben een celkern en vervoeren zuurstof
a)
Juist
b)
Onjuist
44.
Witte bloedcellen hebben een celkern en kunnen van vorm veranderen
a)
Juist
b)
Onjuist
45.
Wat is etter of pus?
a)
Dode rode bloedcellen en kapotte bloedplaatjes
b)
Dode rode- en witte bloedcellen
c)
Dode witte bloedcellen en gedode bloedplaatjes
d)
Dode witte bloedcellen en gedode bacteriën
46.
Bloedvat B is een
a)
slagader
b)
ader
c)
haarvat
47.

Welke bloedgroep is de algemene donor?

a)

A

b)

B

c)

AB

d)

O

48.

Welke antistoffen heeft een persoon met bloedgroep A positief in zijn bloed zitten?

a)

antistof A en resusantistof

b)

antistof B en resusantistof

c)

antistof A en antistof B

d)

antistof B

49.

Welke antigenen heeft iemand met bloedgroep AB op zijn cellen?

a)

geen antigenen

b)

antigeen a

c)

antigeen a en antigeen b

d)

antigeen b

50.

Welke bloedgroepen kan je toedienen bij iemand met bloedgroep A+ (meerdere juiste antwoorden!)

a)

B+

b)

AB+

c)

A-

d)

A+

e)

O+

51.

Wat gebeurt er als je de verkeerde bloedgroep krijgt bij een transfusie?

a)

Niks

b)

Rode bloedcellen klonteren

c)

Rode bloedcellen barsten

d)

Witte bloedcellen klonteren

52.

Wat bepaalt een bloedgroep?

a)

De antigenen op de witte bloedcellen

b)

De antigenen op de rode bloedcellen

c)

De antistoffen die je aanmaakt

d)

De antistoffen op de rode bloedcellen

53.

Er is een risico op klontering als bij een zwangerschap de moeder resus ..... is.

a)

positief

b)

negatief

54.

Welke antigenen heeft iemand met bloedgroep AB op zijn cellen?

a)

geen antigenen

b)

antigeen a

c)

antigeen a en antigeen b

d)

antigeen b

55.

Welke bloedgroep is de algemene ontvanger?

a)

A

b)

B

c)

AB

d)

O

56.

Welke antistoffen heeft een persoon met bloedgroep A positief in zijn bloed zitten?

a)

antistof A en resusantistof

b)

antistof B en resusantistof

c)

antistof A en antistof B

d)

antistof B

57.

Kunstmatige immuniteit is...

a)

...als je een vaccin toegediend krijgt

b)

...als je witte bloedcellen ingespoten krijgt

c)

...als jouw lichaam zelf antistoffen aanmaakt na een vaccinatie

d)

... als jouw lichaam zelf antigenen aanmaakt na een vaccinatie

58.

Natuurlijk immuniteit is...

a)

wanneer je natuurlijke antistoffen ingespoten krijgt

b)

wanneer je kunstmatige antistoffen ingespoten krijgt

c)

wanneer je zelf natuurlijke antistoffen maakt

d)

wanneer je zelf kunstmatige antistoffen maakt

59.

Na een inenting(vaccin) gaat je lichaam....

a)

Antigenen maken

b)

Antistoffen maken

c)

Vreetcellen maken

60.

Elke ziekteverwekker heeft zijn eigen specifieke antigenen waar een antistof tegen wordt gemaakt.

Een antistof past dus maar op een soort antigeen.

a)

Waar

b)

Niet waar

61.

............................. zijn herkenningspunten aan de buitenkant van een cel. Hieraan kun je een cel herkennen.

a)

Antistoffen

b)

Bacteriën

c)

Antigenen

d)

Vaccinatie

62.

Welke letter geeft antistof aan

a)

P

b)

Q

c)

R

63.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën