Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Verloskunde en JGZ (psychologie)

Total questions: 46

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Hoe oud is een baby?

a)

0-1,5 jaar

b)

1,5 tot 4 jaar

c)

4 tot 6 jaar

d)

6 tot 12 jaar

e)

12 tot 18 jaar

2.

Hoe oud is een peuter?

a)

0-1,5 jaar

b)

1,5 tot 4 jaar

c)

4 tot 6 jaar

d)

6 tot 12 jaar

e)

12 tot 18 jaar

3.

Hoe oud is een kleuter?

a)

0-1,5 jaar

b)

1,5 tot 4 jaar

c)

4 tot 6 jaar

d)

6 tot 12 jaar

e)

12 tot 18 jaar

4.

Hoe oud is een schoolkind?

a)

0-1,5 jaar

b)

1,5 tot 4 jaar

c)

4 tot 6 jaar

d)

6 tot 12 jaar

e)

12 tot 18 jaar

5.

Hoe oud is een puber?

a)

0-1,5 jaar

b)

1,5 tot 4 jaar

c)

4 tot 6 jaar

d)

6 tot 12 jaar

e)

12 tot 18 jaar

6.

Bij welke term past de volgende omschrijving?

Mentaal proces waarbij je nieuwe informatie opneemt in bestaande schema's. Middels de nieuw ervaringen een andere interpretatie.

a)

Assimilatie

b)

Accommodatie

c)

Equilibrium

d)

Disequilibrium

7.

Bij welke term past de volgende omschrijving?

Mentaal proces waarbij je bestaande schema's aanpast om nieuwe informatie beter te kunnen opnemen. Aanpassen aan de omgeving.

a)

Assimilatie

b)

Accommodatie

c)

Equilibrium

d)

Disequilibrium

8.

Bij welke term past de volgende omschrijving?

Wanneer nieuwe informatie in het oude schema past.

a)

Assimilatie

b)

Accommodatie

c)

Equilibrium

d)

Disequilibrium

9.

Bij welke term past de volgende omschrijving?

Wanneer nieuwe informatie niet in het oude schema past.

a)

Assimilatie

b)

Accommodatie

c)

Equilibrium

d)

Disequilibrium

10.

Wat is de eerste fase van cognitieve ontwikkeling volgens Piaget?

a)

Sensomotorische fase

b)

Pre-operationele fase

c)

Concreet operationele fase

d)

Formeel operationele fase

11.

Wat is de tweede fase van cognitieve ontwikkeling volgens Piaget?

a)

Sensomotorische fase

b)

Pre-operationele fase

c)

Concreet operationele fase

d)

Formeel operationele fase

12.

Wat is de derde fase van cognitieve ontwikkeling volgens Piaget?

a)

Sensomotorische fase

b)

Pre-operationele fase

c)

Concreet operationele fase

d)

Formeel operationele fase

13.

Wat is de vierde fase van cognitieve ontwikkeling volgens Piaget?

a)

Sensomotorische fase

b)

Pre-operationele fase

c)

Concreet operationele fase

d)

Formeel operationele fase

14.

Welke leeftijd hoort bij de volgende cognitieve ontwikkelingsfase?

Sensomotorische fase

a)

0 tot 2 jaar

b)

2 tot 7 jaar

c)

7 tot 11 jaar

d)

Ouder dan 11 jaar

15.

Welke leeftijd hoort bij de volgende cognitieve ontwikkelingsfase?

Pre operationele fase

a)

0 tot 2 jaar

b)

2 tot 7 jaar

c)

7 tot 11 jaar

d)

Ouder dan 11 jaar

16.

Welke leeftijd hoort bij de volgende cognitieve ontwikkelingsfase?

Concreet operationele fase

a)

0 tot 2 jaar

b)

2 tot 7 jaar

c)

7 tot 11 jaar

d)

Ouder dan 11 jaar

17.

Welke leeftijd hoort bij de volgende cognitieve ontwikkelingsfase?

Formeel operationele fase

a)

0 tot 2 jaar

b)

2 tot 7 jaar

c)

7 tot 11 jaar

d)

Ouder dan 11 jaar

18.

Welke term past het beste bij de volgende omschrijving?

Het leren dat objecten blijven bestaan ook al zie je ze niet meer.

a)

Objectpermanentie

b)

Animisme

c)

Ordenen

d)

Magisch denken

e)

Theorie of mind

19.

Welke term past het beste bij de volgende omschrijving?

Het geloof dat levenloze objecten een leven hebben en mentale processen kennen.

a)

Objectpermanentie

b)

Animisme

c)

Ordenen

d)

Magisch denken

e)

Theorie of mind

20.

Welke term past het beste bij de volgende omschrijving?

Het vermogen om innerlijke beelden te vormen van objecten en gebeurtenissen.

a)

Objectpermanentie

b)

Animisme

c)

Mentale representatie

d)

Egocentrisme

e)

Theorie of mind

21.

Welke term past het beste bij de volgende omschrijving?

Het onvermogen van het kind om zich voor te kunnen stellen dat er ook een ander standpunt is.

a)

Objectpermanentie

b)

Animisme

c)

Mentale representatie

d)

Egocentrisme

e)

Theorie of mind

22.

Welke term past het beste bij de volgende omschrijving?

Het besef dat het uiterlijk van een object/substantie niet veranderd als het uiterlijk van het object verandert.

a)

Objectpermanentie

b)

Animisme

c)

Mentale representatie

d)

Egocentrisme

e)

Conservatie

23.

Welke term past het beste bij de volgende omschrijving?

Het oplossen van problemen door beelden in de gedachten te manipuleren.

a)

Logische operatie

b)

Animisme

c)

Mentale representatie

d)

Egocentrisme

e)

Conservatie

24.

Vanaf welke leeftijd begint een kind met het spreken van losse woordjes?

a)

6 maanden

b)

12 maanden

c)

18 maanden

d)

2 tot 3 jaar

e)

3 tot 6jaar

25.

Vanaf welke leeftijd begint een kind met het spreken van tweewoordzinnen?

a)

6 maanden

b)

12 maanden

c)

18 maanden

d)

2 tot 3 jaar

e)

3 tot 6jaar

26.

Vanaf welke leeftijd krijgt een kind besef van zinstructuren?

a)

6 maanden

b)

12 maanden

c)

18 maanden

d)

2 tot 3 jaar

e)

3 tot 6jaar

27.

Vanaf welke leeftijd krijgt een kind besef van grammaticale regels en overregulering zinstructuren?

a)

6 maanden

b)

12 maanden

c)

18 maanden

d)

2 tot 3 jaar

e)

3 tot 6jaar

28.

Welke kenmerken zij kenmerkend voor een veilig gehecht kind?

a)

Ontspannen

b)

Op hun gemak bij ouders

c)

Zijn verdraagzaam tegen vreemde (situaties)

d)

Verlatingsangst

e)

Contact vermijdend

29.

Welke kenmerken zij kenmerkend voor een onveilig gehecht kind?

a)

Niet troostbaar door ouders

b)

Op hun gemak bij ouders

c)

Zijn verdraagzaam tegen vreemde (situaties)

d)

Verlatingsangst

e)

Contact vermijdend

30.

65% van de kinderen zijn veilig gehecht.

a)

Juist

b)

Onjuist

31.

20% van de kinderen zijn angstig-ambivalent gehecht.

a)

Juist

b)

Onjuist

32.

15% van de kinderen zijn angstig-vermijdend gehecht.

a)

Juist

b)

Onjuist

33.

Kies de juiste hechtstijl bij de volgende beschrijving.

Hechtingsstijl waarbij kinderen ontspannen en op hun gemak zijn bij hun verzorgers.

a)

Veilige hechting

b)

Angstig ambivalente hechting

c)

Angstig vermijdende hechting

d)

Gedesoriënteerde hechting

34.

Kies de juiste hechtstijl bij de volgende beschrijving.

Hechtvorm waarbij het kind contact wilt met zijn verzorger, en huilde van angst/woede wanneer het kind van zijn verzorger werd gescheiden, waarbij het kind moeilijk te troosten was, zelfs nadat het kind weer was herenigd met zijn verzorger.

a)

Veilige hechting

b)

Angstig ambivalente hechting

c)

Angstig vermijdende hechting

d)

Gedesoriënteerde hechting

35.

Kies de juiste hechtstijl bij de volgende beschrijving.

Het kind is niet geïnteresseerd in contact en gaf geen blijk van verdriet wanneer het van hun verzorgers werd gescheiden, en toonde hierna geen toon van blijdschap nadat ze weer herenigd waren met hun verzorger.

a)

Veilige hechting

b)

Angstig ambivalente hechting

c)

Angstig vermijdende hechting

d)

Gedesoriënteerde hechting

36.

Kies de juiste hechtstijl bij de volgende beschrijving.

Het kind vertoont vaak inconsistent en tegenstrijdig gedrag vertonen. Deze hechtingsvorm wordt beschouwd als de minst veilige hechtvorm.

a)

Veilige hechting

b)

Angstig ambivalente hechting

c)

Angstig vermijdende hechting

d)

Gedesorganiseerde hechting

37.

Tijdens eerste fases van de morele ontwikkeling (kohlberg) is het kind gericht op eigen belang.

a)

Juist

b)

Onjuist

38.

Alle volwassenen bereiken de laatste fase van morele ontwikkeling (kohlberg).

a)

Juist

b)

Onjuist

39.

Welke opvoedstijl past bij de volgende omschrijving.

wordt gekenmerkt door het eisen van aanpassingen en gehoorzaamheid. regels worden afgedwongen met straffen.

a)

Autoritaire opvoedstijl

b)

Autoritatieve opvoedstijl

c)

Permissieve opvoedstijl

d)

Onverschillige opvoedstijl

40.

Welke opvoedstijl past bij de volgende omschrijving.

Wordt gekenmerkt door hoge verwachtingen, met consequentie gerelateerd aan de verwachtingen. Ouders zijn bereid om te luisteren naar de ideeën en gevoelens van het kind, stimuleren democratische sfeer.

a)

Autoritaire opvoedstijl

b)

Autoritatieve opvoedstijl

c)

Permissieve opvoedstijl

d)

Onverschillige opvoedstijl

41.

Welke opvoedstijl past bij de volgende omschrijving.

Wordt gekenmerkt doordat er weinig regels zijn, waardoor kinderen hun eigen beslissingen mogen maken. Waarbij de ouders denken dat het kind meer kan leren van de consequenties van zijn/haar gedrag dan de regels die door de ouders zijn opgesteld.

a)

Autoritaire opvoedstijl

b)

Autoritatieve opvoedstijl

c)

Permissieve opvoedstijl

d)

Onverschillige opvoedstijl

42.

Welke opvoedstijl past bij de volgende omschrijving.

Wordt gekenmerkt door onverschilligheid of afwijzing, soms in die mate dat van verwaarlozing of mishandeling sprake is. Meestal leiden ouders in deze groep zulke stressvolle levens dat ze weinig tijd of energie hebben voor hun kinderen.

a)

Autoritaire opvoedstijl

b)

Autoritatieve opvoedstijl

c)

Permissieve opvoedstijl

d)

Onverschillige opvoedstijl

43.

Welk begrip past bij de volgende beschrijving?

Het proces waarbij eerder gevormde synaptische verbindingen (de contactplaatsen tussen zenuwcellen, spiervezels en kliercellen) weer ongedaan gemaakt worden.

a)

Pruning

b)

Peargroup

c)

Puberteit

d)

Adolescentie

44.

Welk begrip past bij de volgende beschrijving?

Seksueel rijp zijn/ instaat zijn om voort te planten.

a)

Pruning

b)

Peargroup

c)

Puberteit

d)

Adolescentie

45.

Welk begrip past bij de volgende beschrijving?

Vrienden groep om je heen.

a)

Pruning

b)

Peargroup

c)

Puberteit

d)

Adolescentie

46.

De puberteit en adolescentie beginnen en eindigen op hetzelfde moment.

a)

Juist

b)

Onjuist