wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenquiz 1.2 regelsystemen

Total questions: 50

Worksheet time: 38mins

Name
Class
Date
1.

Wat behoort tot het uitwendig milieu van het menselijk lichaam?

a)

De inhoud van het spijsverteringskanaal

b)

Het weefselvocht rond de cellen

c)

Het bloedplasma tussen de weefsels

d)

De lymfevloeistof in de organen

2.

Welke uitspraak over het inwendig milieu is juist?

a)

Het moet relatief constant blijven

b)

Het verandert voortdurend sterk

c)

Het omvat lucht in de longen

d)

Het is zichtbaar zonder insnijden

3.

Een arts bekijkt de maag met een endoscoop via de slokdarm. Tot welk milieu behoort de binnenkant van de maag tijdens dit onderzoek?

a)

Uitwendig milieu van het lichaam

b)

Inwendig milieu van de cellen

c)

Interne bloedsamenstelling

d)

Weefselvocht omgeving

4.

Waarom reageert een organisme wanneer het inwendig milieu dreigt te veranderen?

a)

Om evenwicht te herstellen en functioneren te behouden

b)

Om sneller groei mogelijk te maken

c)

Om energie te besparen bij stress

d)

Om externe prikkels te versterken

5.

Kies de beste definitie van homeostase.

a)

Het proces dat het inwendig milieu in evenwicht houdt

b)

Het afbreken van voedingsstoffen voor energie

c)

Het transport van zuurstof door het bloed

d)

Het wisselen van stoffen met het uitwendig milieu

6.

Wat is in de biologie de beste omschrijving van een prikkel?

a)

Een interne evenwichtstoestand van het lichaam

b)

Een verandering in de omgeving die reactie uitlokt

c)

Een bewuste beslissing om te bewegen of spreken

d)

Een constante lichaamstemperatuur door homeostase

7.

Welke zintuig registreert vooral chemische prikkels?

a)

Ogen bij lichtwaarneming

b)

Neus bij geurdetectie

c)

Huid bij drukgevoel

d)

Oren bij geluidsopvang

8.

Iemand bijt in een citroen en trekt een zuur gezicht. Wat is hier de reactie?

a)

Een citroen zien op tafel

b)

Een zuur smaakje op de tong

c)

Je trekt een zuur gezicht

d)

De citroen tegen de lip houden

9.

Je sluit je ogen wanneer fel zonlicht op je netvlies valt. Welke zintuigen en processen zijn direct betrokken?

a)

Ogen en lichtdetectie door fotoreceptoren

b)

Huid en drukdetectie door mechanoreceptoren

c)

Tong en smaakdetectie door smaakpapillen

d)

Neus en geurdectectie door reukreceptoren

10.

Waarom is zweten een passende reactie op een hoge omgevingstemperatuur?

a)

Het verhoogt interne warmteproductie snel

b)

Het verlaagt lichaamstemperatuur via verdamping

c)

Het blokkeert prikkels in de zintuigen volledig

d)

Het stopt alle spierbewegingen onmiddellijk

11.

Wat is een uitwendige prikkel?

a)

Een verandering in je omgeving

b)

Een verandering in je bloed

c)

Een signaal uit je hersenen

d)

Een tekort aan voedingsstoffen

12.

Welke van onderstaande is een inwendige prikkel?

a)

Koude wind op je huid

b)

Fel licht in je ogen

c)

Hongergevoel na weinig eten

d)

Lawaai van een sirene

13.

Je voelt dorst en pakt een fles water. Welke redenering klopt het best?

a)

Dorst is uitwendig, water is inwendig

b)

Dorst is inwendig, drinken is reactie

c)

Drinken is prikkel, dorst is reactie

d)

Dorst en drinken zijn beide prikkels

14.

Welke situatie beschrijft het verschil tussen uitwendig en inwendig het duidelijkst?

a)

Regen triggert jas aantrekken

b)

Weinig zout triggert honger

c)

Harde muziek triggert dorst

d)

Donker triggert maagknorren

15.

Een tekort aan water in je lichaam veroorzaakt een dorstgevoel. Wat is de meest waarschijnlijke reactie?

a)

Meer eten kiezen

b)

Rustiger gaan ademen

c)

Water gaan drinken

d)

Je handen warmen

16.

Welke uitspraak beschrijft het best een chemische prikkel?

a)

Wordt veroorzaakt door krachten of energie

b)

Wordt veroorzaakt door stoffen die prikkelend werken

c)

Is altijd uitwendig en nooit inwendig

d)

Komt enkel voor bij licht en geluid

17.

Welke situatie is een voorbeeld van een fysische prikkel?

a)

De geur van vers brood in de keuken

b)

Je huid reageert op releasede geurstoffen

c)

Het geluid van een drilboor op straat

d)

Ontstekingsstoffen vrijkomen in een wond

18.

Wat bedoelt men met prikkeldrempel?

a)

De maximale sterkte die je kunt waarnemen

b)

De minimumsterkte waarbij een prikkel nog waarneembaar is

c)

De gemiddelde sterkte van dagelijkse prikkels

d)

De sterkte waarbij een prikkel schadelijk wordt

19.

Iemand fluistert zo zacht dat je het niet hoort. Wat concludeer je?

a)

Het gefluister ligt onder de prikkeldrempel voor geluid

b)

De prikkeldrempel voor geur is overschreden

c)

Fluisteren is altijd boven elke prikkeldrempel

d)

Geluid is een chemische prikkel in dit geval

20.

Welke combinatie is correct over inwendige en uitwendige prikkels?

a)

Chemische prikkels zijn alleen uitwendig

b)

Fysische prikkels zijn alleen inwendig

c)

Chemische en fysische prikkels kunnen beide inwendig en uitwendig zijn

d)

Alleen chemische prikkels kunnen inwendig zijn

21.

Welke structuur vangt prikkels op in een organisme?

a)

Effectoren in spieren en klieren

b)

Conductoren in het zenuwstelsel

c)

Receptoren in zintuigcellen

d)

Hormonen in het bloed

22.

Welke receptoren zitten in het oog en reageren op licht?

a)

Geurreceptoren in reukzenuw

b)

Lichtreceptoren in netvlies

c)

Smaakreceptoren in tong

d)

Geluidsreceptoren in slakkenhuis

23.

Waar bevinden zich geluidsreceptoren die trillingen registreren?

a)

In de neusholte bij reuk

b)

In het oog bij pupil

c)

In het gehoororgaan

d)

In de huid bij tast

24.

Welke receptoren registreren aanrakingen in de huid?

a)

Smaakreceptoren in papillen

b)

Geurreceptoren in neus

c)

Gevorreceptoren in spieren

d)

Gevoelsreceptoren in huid

25.

Welke zintuigcellen nemen specifieke smaken waar?

a)

Lichtreceptoren in netvlies

b)

Geurreceptoren in neusslijmvlies

c)

Smaakreceptoren in smaakpapillen

d)

Geluidsreceptoren in gehoororgaan

26.

Wat is de functie van een effector?

a)

Prikkel doorgeven naar hersenen

b)

Reactie op prikkel uitvoeren

c)

Chemische stof detecteren

d)

Prikkel omzetten in impuls

27.

Welke weefsels zijn typisch effectoren?

a)

Spieren en klieren

b)

Bloed en lymfe

c)

Botten en pezen

d)

Hersenen en ruggenmerg

28.

Welke zin beschrijft correct de keten bij fel zonlicht: pupil sluit snel.

a)

Effector ontvangt prikkel eerst

b)

Receptor ontvangt prikkel eerst

c)

Hormonen starten als eerste

d)

Geen conductor nodig is

29.

Wat doet het zenuwstelsel in de reactie op prikkels?

a)

Produceert hormonen als reactie

b)

Werkt als receptor voor geur

c)

Leidt signalen tussen onderdelen

d)

Beweegt spieren zonder signalen

30.

Welke term duidt een geleider tussen receptor en effector aan?

a)

Indicator

b)

Conductor

c)

Moderator

d)

Transductor

31.

Welke uitspraak over het hormoonstelsel is juist?

a)

Werkt alleen als receptorcel

b)

Fungeert ook als conductor

c)

Is uitsluitend een effector

d)

Vervangt het zenuwstelsel volledig

32.

Wat is een voorbeeld van een effectorreactie bij opwarming van het lichaam?

a)

Pupillen verwijden sterk

b)

Zweetklieren produceren zweet

c)

Haren richten zich op

d)

Speekselproductie neemt toe

33.

Plaats de stappen in volgorde bij ogen sluiten door fel zonlicht: receptor, conductor, effector.

a)

Effector → conductor → receptor

b)

Receptor → effector → conductor

c)

Conductor → receptor → effector

d)

Receptor → conductor → effector

34.

Waarom treedt een reactie soms snel op bij prikkels zoals fel licht?

a)

Omdat hormonen trager werken

b)

Omdat zenuwgeleiding snel is

c)

Omdat spieren prikkels ontvangen

d)

Omdat receptoren geen drempel hebben

35.

Welke uitspraak over insuline past bij zijn rol in deze context?

a)

Insuline is een effector in huid

b)

Insuline is een receptor in tong

c)

Insuline is een conductor hormoon

d)

Insuline is een spiercontractie

36.

Wat is de functie van receptoren in het zenuwstelsel?

a)

Ze produceren hormonen voor het lichaam

b)

Ze reguleren de bloeddruk

c)

Ze detecteren prikkels uit de omgeving

d)

Ze sturen signalen naar de spieren

37.

Hoe reageert het lichaam op een plotselinge temperatuurstijging?

a)

Het lichaam begint te rillen

b)

Het lichaam verhoogt de hartslag

c)

Het lichaam produceert meer zweet

d)

Het lichaam verliest zijn eetlust

38.

Wat is een voorbeeld van een interne prikkel?

a)

De geur van versgebakken brood

b)

Een hoge temperatuur in de kamer

c)

Het geluid van een alarm

d)

Een tekort aan zuurstof in het bloed

39.

Wat is homeostase?

a)

Een dynamisch evenwicht in het inwendige milieu van organismen

b)

Een constante temperatuur van 36,4 °C

c)

Een statische waarde van lichaamstemperatuur

d)

Een verandering in de omgevingstemperatuur

40.

Wat vormt samen met het bloed het inwendige milieu van een organisme?

a)

Weefselvloeistof

b)

Uitwendige milieu

c)

Darmen

d)

Longen

41.

Conductoren...

a)

... geleiden de informatie van de receptor tot bij de effector.

b)

... voeren de reactie uit.

42.

... spelen een belangrijke rol bij de homeostase van tal van lichaamsparameters.

a)

Spieren en klieren ...

b)

Het zenuwstelsel en het hormonaal stelsel ...

43.

Juist of fout: Geleider of conductor geleidt de informatie naar de receptor.

a)

Juist

b)

Fout

44.

Thermoreceptoren zijn gespecialiseerde cellen die temperatuursveranderingen voelen.

a)

Juist

b)

Fout

45.

Elke verandering in je omgeving die een reactie kan veroorzaken is een ...

a)

prikkel

b)

prikkeldrempelwaarde

c)

interio prikkel

d)

reactie

46.

Voorbeelden van organen waarmee je kan reageren op prikkels zijn....

a)

armspier

b)

speekselklier

c)

tongspier

d)

alveesklier

47.

Prikkels neem je waar met ...

a)

zintuigen

b)

effectoren

c)

conductoren

d)

receptoren

48.

Prikkeldrempelwaarde wil zeggen....

a)

dat je niet alle prikkels kan waarnemen

b)

dat je enkel prikkels in je omgeving kan waarnemen

c)

dat je enkel prikkels die sterk genoeg zijn kan waarnemen

d)

geen enkel van bovenstaande antwoorden is correct

49.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

50.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht