wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Check Havo 5 Domein Wereld (H1 + H 4)

Total questions: 87

Worksheet time: 3hrs 54mins

Name
Class
Date
1.

Deze foto is een voorbeeld van?

a)

Tijd-ruimtecompressie

b)

Transport technologie

c)

Informatie- of communicatietechnologie

d)

Global village

2.

Deze foto is een voorbeeld van?

a)

relatieve afstand

b)

absolute afstand

3.

Wat zijn Agglomeratievoordelen?

a)

Dit zijn voordelen voor de aanleg van een groot stedelijke gebied.

b)

Dit zijn voordelen voor de locatie van bedrijventerrein.

c)

Dit zijn voordelen voor de locatie van bedrijven in grote stedelijke gebieden.

d)

Steeds verder toenemende mate van globalisering in Deventer.

4.

WTO staat voor

a)

World Tourism Organization

b)

World Trade Organization

c)

World Tarrif Organization

d)

World Tournament Organization

5.

Wat kun je zeggen over de productieketen tegenwoordig?

a)

Deze wordt de productieketen regionaal uitgevoerd en verspreid over de binnen een continent om meer winst te kunnen maken.

b)

Deze wordt de productieketen lokaal uitgevoerd en verspreid over de binnen een land om meer winst te kunnen maken.

c)

Deze wordt de productieketen opgedeeld en verspreid over de wereld om meer winst te kunnen maken.

d)

De productie van goederen binnen één bedrijf en één regio.

6.

Deze foto laat zien...

a)

Grondstof

b)

Halffabricaat

c)

Eindproduct

d)

Onderzoek en ontwikkeling (Research & Development)

e)

Marketing en verkoop

7.

Deze foto laat vind plaats in...

a)

Ontwikkeld rijk land?

b)

Ontwikkelingsland

8.

Deze foto laat zien...

a)

Grondstof

b)

Halffabricaat

c)

Eindproduct

d)

Onderzoek en ontwikkeling (Research & Development)

e)

Marketing en verkoop

9.

Deze foto vind plaats in...

a)

Centrum land

b)

semi-periferie land

c)

Periferie land

10.

Deze foto vind plaats in...

a)

Centrum land

b)

semi-periferie land

c)

Periferie land

11.

Deze foto laat zien...

a)

Grondstof

b)

Halffabricaat

c)

Eindproduct

d)

Onderzoek en ontwikkeling (Research & Development)

e)

Marketing en verkoop

12.

Deze foto vind plaats in...

a)

Centrum land

b)

semi-periferie land

c)

Periferie land

13.

Dit zijn de

a)

Newly-industrialized countries

b)

BRIC landen

c)

Tijger Economieën

d)

WTO leden

e)

Permanente leden VN veiligheidsraad

14.

Dit is een voorbeeld van..

a)

Homogenisering van cultuurelementen

b)

Heterogenisering van cultuurelementen

15.

Dit is een voorbeeld van een

a)

Homogenisering

b)

Amerikanisering

c)

Triadisch netwerk

d)

Lingua Franca

16.

Dit is een voorbeeld van een

a)

Homogenisering

b)

Heterogenisering

c)

Triadisch netwerk

d)

Lingua Franca

17.

Dit is een voorbeeld van een

a)

Homogenisering

b)

Heterogenisering

c)

Triadisch netwerk

d)

Lingua Franca

18.

Tijdruimte-compressie…….

zorgt voor snelle communicatie tussen vertrek en vestigingsplaatsen, maar ook voor....

a)

rooskleurige beeldvorming

b)

snelle televisie

c)

platte schermen

19.

Wat kun je concluderen uit deze grafieken?

a)

Turkse en Marokkaanse Nederlanders trouwen vaker met elkaar en halen minder vaak partners uit hun land van herkomst.

b)

Turkse en Marokkaanse Nederlanders trouwen vaker en halen vaak partners uit hun land van herkomst.

c)

Turkse en Marokkaanse Nederlanders trouwen nauwelijks met elkaar en halen altijd partners uit hun land van herkomst.

20.

Er zijn vier manieren waarop de internationale migratie door globalisering toeneemt. Welke hoort er niet bij?

a)

Welvaartsverschillen

b)

Verbetering transport- en communicatietechnologie

c)

Verschil in leeftijdsopbouw

d)

Protectionistische maatregelen

e)

Ontschotting’ tussen landen

21.

Welke eigenschappen horen bij een wereldstad.

a)

Een wereldstad is een grote stad die voor een deel van de wereld belangrijk is als cultureel centrum.

b)

Een wereldstad is een megastad.

c)

Een wereldstad is altijd een hoofdstad

d)

Een wereldstad is een internationaal knooppunt

e)

Een wereldstad is een grote stad die voor een deel van de wereld belangrijk is als politiek centrum.

22.

Klik aan welke bewering(en) goed is/zijn.

1.Kolonisten leveren een financiële bijdrage aan hun thuisland.

2.Immigratielanden hebben een grote grijze druk.

3.Doorgangslanden hebben een ongunstige geografische ligging.

a)

Bewering 1 is juist

b)

Bewering 2 is juist

c)

Bewering 3 is juist

23.

Zijn alle globale steden megasteden?

a)

Ja

b)

Nee

24.

Welke stad of steden is geen voorbeeld van een megastad?

a)

Amsterdam

b)

São Paulo

c)

Lagos

d)

Madrid

e)

Tokyo

25.

Een transitieland is een land dat de status van ontwikkelingsland achter zich heeft gelaten. Zo'n land bevind zich meestal in de overgangsfase tussen een (min of meer) centraal geleide economie en een (min of meer) vrijemarkteconomie. Welke onderstaande landen zijn transitielanden?

a)

India

b)

China

c)

USA

d)

Japan

e)

Verenigd Koninkrijk

26.

Vrijhandel is een vrij, onbelemmerd verkeer van goederen en diensten tussen verschillende landen. In de meest brede betekenis is het een vrije wereldhandel. De internationale handel wordt dan niet belemmerd door allerlei vormen van belemmeringen, zodat landen zich kunnen toeleggen op het maken van de producten waarin zij comparatieve kostenvoordelen hebben.

Welk begrip is de tegenhanger van vrijhandel?

a)

Global shift

b)

Specialisatie

c)

Protectie

d)

Concurrentie

27.

Bekijk de afbeelding.

Comparatief voordeel zorgt ervoor dat landen zich specialiseren. Welk positie neemt de industrie van Bangladesh in?

a)

Industrie A

b)

Industrie B

c)

Industrie C

d)

Industrie D

28.

Bekijk de afbeelding.

Comparatief voordeel zorgt ervoor dat landen zich specialiseren. Welk positie neemt de industrie van China in?

a)

Industrie A

b)

Industrie B

c)

Industrie C

d)

Industrie D

29.

Bekijk de afbeelding.

Comparatief voordeel zorgt ervoor dat landen zich specialiseren. Welk positie neemt de industrie van Japan in?

a)

Industrie A

b)

Industrie B

c)

Industrie C

d)

Industrie D

30.

Industrieën zoeken ook naar comparatief voordeel.

Voor welke vorm van industrie is dit model het meest geschikt?

a)

Assemblage industrie van hightech medische apparatuur

b)

Assemblage industrie van mobile telefoons

c)

Research & Development afdeling van een computer micro chips fabrikant

d)

Research & Development afdeling van een sportschoenen fabrikant

31.

Klik aan wat van toepassing is bij deze afbeelding.

a)

Overname cultuur elementen vooral beperkt tot materiële zaken

b)

Alleen rijke bovenlaag van een land kan zich westerse cultuurelementen veroorloven.

c)

Westerse wereld staat ook onder invloed van niet-westerse cultuur

d)

De lokalen en regionale culturen vullen de invloed van buitenaf steeds op een andere manier in.

32.

Wat is het BNP?

a)

Een manier om de welzijn te meten van een land.

b)

Het inkomen van één jaar van elke inwoner uit een land.

c)

Het gemiddelde inkomen per jaar van een inwoner van een land.

d)

Een manier om de koopkracht te bepalen.

33.

Wat is waar over centrumlanden?

a)

Centrumlanden hebben een laag bnp/hoofd.

b)

In centrumlanden is de tertiaire sector vaak het grootst.

c)

Centrumlanden liggen vooral in Afrika.

d)

In Centrumlanden is geen ongelijkheid.

34.

Waarmee kan je welzijn meten?

Er zijn meerdere antwoorden goed.

a)

levensverwachting

b)

bnp

c)

koopkracht

d)

bnp/hoofd

e)

alfabetiseringsgraad

35.

Van welke vorm van ongelijkheid is dit een voorbeeld?

a)

Sociale ongelijkheid

b)

regionale ongelijkheid

36.

Van welke vorm van ongelijkheid is dit een voorbeeld?

a)

Sociale ongelijkheid

b)

Regionale ongelijkheid

37.

Welke stelling(en) is/zijn waar?

a)

Sociale en regionale ongelijkheid komt ook in centrumlanden voor.

b)

In een semiperifeer land is de secundaire sector vaak het grootst.

c)

In een land met een lage welvaart is automatisch het welzijn ook laag.

d)

Perifere landen liggen vooral in Europa.

38.

Wat is geen voorbeeld van een beroep uit de tertiaire sector?

a)

Leraar

b)

Dokter

c)

Bouwvakker

d)

Handelaar

39.

Welk woord moet op de puntjes?

Johan werkt in een fabriek, hij werkt dus in de ... sector.

a)

primaire

b)

secundaire

c)

tertiaire

40.

Door globalisering neemt de absolute afstand af

a)

Waar

b)

Niet waar

41.

Globalisering leidt tot een internationale arbeidsverdeling. Wat betekent dit?

a)

Producten worden in het land gemaakt, die dit het beste kan

b)

Producten worden makkelijker te verkrijgen

c)

Dat er meer vrijhandel zal ontstaan in de wereld

d)

Er zal een groter aanbod van een zelfde soort product komen

42.

Welk kenmerk hoort bij een wereldstad?

a)

Stad met meer dan 10 miljoen inwoners

b)

Speelt een belangrijke rol op demografisch gebied

c)

Aantrekkelijk vestigingsklimaat

d)

Zijn minder sterk geglobaliseerd dan de rest van het land

43.

Wat betekent het begrip protectisme?

a)

Maatregel die gericht is op bescherming van de eigen handel en industrie

b)

Een land sluit zich doelbewust af van de buitenwereld

c)

Wereldwijde specialisatie waarbij ieder land produceert waar het goed in is

d)

Wereldwijde specialisatie waarbij ieder land produceert waar het goed in is

44.

Wat is de juiste formule voor het berekenen van bevolkingsdichtheid van een land?

a)

Je deelt de oppervlakte van het land door het aantal inwoners van het land.

b)

Je deelt de inwoners van een land door de oppervlakte van het land.

c)

Geen van beide antwoorden is juist.

45.

Absolute getallen zijn percentages.

a)

Juist

b)

Onjuist

46.

De afbeelding gaat over de bevolkingsspreiding van een gebied.

a)

Juist

b)

Onjuist

47.

Relatieve getallen zijn percentages.

a)

Juist

b)

Onjuist

48.

Geef aan welke onderdelen horen bij natuurlijke bevolkingsgroei.

a)

Geboortecijfer

b)

Sterftecijfer

c)

Immigratie

d)

Emigratie

49.

Er is sprake van een sterfteoverschot zodra er minder ouderen dood gaan dan dat er kinderen geboren worden.

a)

Juist

b)

Onjuist

50.

Het migratiesaldo is de som van vestiging en vertrek.

a)

Juist

b)

Onjuist

51.

De bevolkingsdiagram van een opkomend land heeft vaak de vorm van een granaat.

a)

Juist

b)

Onjuist

52.

Op de afbeelding zie je een land waarvan de bevolking sterk toeneemt.

a)

Juist

b)

Onjuist

53.

De levensverwachting van mensen verbetert voornamelijk door de verbeteringen in de medische wereld.

a)

Juist

b)

Onjuist

54.

Welke redenen hebben mensen in arme landen om veel kinderen te krijgen?

a)

Ze zijn nodig om mee te werken.

b)

Veel kinderen sterven jong

c)

Veel mensen trouwen later.

d)

Er is geen geboorteplanning.

55.

In fase 3 van het demografisch transitiemodel groeit de bevolking nog.

a)

Juist

b)

Onjuist

56.

Geef aan welke vormen van migratie onder economische migratie vallen.

a)

Vluchtelingen

b)

Arbeidsmigratie

c)

Gezinshereniging

d)

Seizoensmigratie

57.

Bekijk de afbeelding. Kent dit gebied vooral push- of pullfactoren?

a)

Pushfactoren

b)

Pullfactoren

58.

Als het aandeel ouderen in de bevolking toeneemt, noem je dat ontgroening.

a)

Juist

b)

Onjuist

59.

Een sterfteoverschot leidt altijd tot bevolkingskrimp.

a)

Juist

b)

Onjuist

60.

Het demografisch transitiemodel kent vier fasen.

a)

Juist

b)

Onjuist

61.

Welke factoren dragen bij aan het dalen van het sterftecijfer?

a)

Geboorteplanning

b)

Betere zorg

c)

Betere hygiëne

d)

Betere voedselvoorziening

62.

De bevolkingsdiagram op de afbeelding heeft de vorm van een:

a)

Piramide

b)

Granaat

c)

Urn

63.
Als er een geboorteoverschot is dan spreken we van een sociale bevolkingsgroei
a)
Juist
b)
Onjuist
64.
In fase 3 van het demografische transitiemodel neemt de natuurlijke bevolkingsgroei af
a)
Juist
b)
Onjuist
65.
In welk werelddeel groeit de bevolking het snelst?
a)
Europa
b)
Azie
c)
Afrika
d)
Zuid-Amerika
66.
In de meeste landen is het geboortecijfer ..... dan het sterftecijfer
a)
Lager
b)
Hoger
67.

Bij welke fase uit het demografische transitiemodel past de afbeelding het beste?

a)

Fase 2

b)

Fase 3

c)

Fase 4

d)

Fase 1

68.

Uit de (vorm van) de bevolkingsdiagram van China zoals hier te zien kun je afleiden dat:

a)

China's bevolking groeit

b)

China's bevolking krimpt

c)

Er veel baby's worden geboren in China

69.

Er zijn verschillende soorten koloniën. Australië en de Verenigde Staten zijn voorbeelden van:

(a)  

70.

Er zijn verschillende soorten koloniën. India en Indonesië zijn voorbeelden van:

(a)  

71.

De HDI kent verschillende kenmerken. Kies de juiste kenmerken (er kunnen meerdere antwoorden goed zijn) :

a)

Analfabetisme

b)

Sociale ongelijkheid

c)

Regionale ongelijkheid

d)

BNP per inwoner

e)

Levensverwachting

72.

Type de juiste dimensie. De HDI bestaat uit verschillende kenmerken die we kunnen koppelen aan dimensies.

Het BNP per inwoner is een voorbeeld van een (a)   dimensie.

73.

Type de juiste dimensie. Het HDI bestaat uit verschillende kenmerken die we kunnen koppelen aan dimensies. De levensverwachting is een voorbeeld van een (a)   dimensie.

74.

Type de juiste dimensie. Het HDI bestaat uit verschillende kenmerken die we kunnen koppelen aan dimensies. Het analfabetisme is een voorbeeld van een (a)   dimensie

75.

De samenstelling van de beroepsbevolking is een indicator voor ontwikkeling. In deze sector zijn veel mensen werkzaam wanneer het land arm is:

a)

Landbouw

b)

Industrie

c)

Diensten

76.

De samenstelling van de beroepsbevolking is een indicator voor ontwikkeling. In deze sector zijn veel mensen werkzaam wanneer het land rijk is:

a)

Landbouw

b)

Industrie

c)

Diensten

77.

Welke benamingen hebben we voor de landen in het wereldsysteem? Kies de juiste vakjes:

a)

Periferie

b)

Ruilvoet

c)

Semiperiferie

d)

Centrum

e)

Koopkracht

78.

Kies het juiste antwoord. In ontwikkelingslanden heb je vaak:

a)

Hoog geboorte-en sterftecijfer

b)

Hoog geboorte, maar lager sterftecijfer

c)

Laag geboorte, maar hoger sterftecijfer

d)

Laag geboorte-en sterftecijfer

79.

De overgang van een hoog geboorte-en sterftecijfer naar een laag geboorte-en sterftecijfer noemen we de:

(a)  

80.

Nederland zit in fase .... van het demografisch transitiemodel:

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

81.

De verhouding tussen het economisch productieve en het economisch niet-productieve deel van de bevolking noemen we ook wel de:

(a)  

82.

De wereldhandel verplaatst zich steeds meer van de Atlantische Oceaan naar de Stille Oceaan, dit proces noemen we:

(a)  

83.

De onderdelen van een spijkerbroek worden in verschillende landen gemaakt. Dit proces van het opknippen van de productieketen noemen we:

a)

Global Shift

b)

Internationale arbeidsverdeling

c)

Nieuwe internationale arbeidsverdeling

d)

Vrijhandel

84.

Cultuurgebieden hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Voorbeelden daarvan zijn (er kunnen meerdere antwoorden goed zijn) :

a)

Taal

b)

Godsdienst

c)

Landschap

d)

Muziek

e)

Beroepssectoren

85.

Het verspreiden van verschillende cultuurelementen noem je:

(a)  

86.

In sommige landen hebben ze verschillende (streek) talen. Om toch goed met elkaar te communiceren hebben ze één taal die de hoofdtaal is bij bijvoorbeeld overheidsinstanties en scholen. Zo'n taal noemen we een:

(a)  

87.

Een stad die op economisch, cultureel en politiek gebied veel invloed heeft in de wereld noemen we een:

(a)