wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

examenstof check

Total questions: 89

Worksheet time: 57mins

Name
Class
Date
1.

Dit is een voorbeeld van

a)

Geslachtelijke voortplanting

b)

Ongeslachtelijke voortplanting

c)

Geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting

d)

Geen voortplanting

2.

Nummer 1 is een

a)

kelkblad

b)

meeldraad

c)

stamper

d)

kroonblad

3.

Nummer 8 is een

a)

kelkblad

b)

meeldraad

c)

stamper

d)

kroonblad

4.

Een voorbeeld van een biotische invloed is

a)

water

b)

zoute zeelucht

c)

een roofdier

d)

de temperatuur

5.

Een voorbeeld van een abiotische invloed is

a)

een rups die het blad opeet

b)

wormen

c)

een roofdier

d)

de temperatuur

6.

een voedselketen begint altijd met een

a)

Roofdier

b)

Meneer Dinslage

c)

Prant

d)

Plant

7.

Let op, drie antwoorden goed! Voor de fotosynthese heb je nodig

a)

Water

b)

glucose

c)

koolstofdioxide

d)

zonlicht

8.
Wat is de juiste volgorde van groot naar klein?
a)
Organenstelsel - Organisme - Weefsel - Cellen
b)
Organisme - Organenstelsel - Weefsel - Cellen
c)
Organisme - Organenstelsel - Organen - Weefsel - Cellen
d)
Organenstelsel- Organisme - Organen
9.
welke orgaan wordt aan gegeven met nr. 1
a)
slokdarm
b)
keel
c)
luchtpijp
d)
strot
10.
Wat is een weefsel?
a)
een groep cellen met dezelfde vorm en functie
b)
cellen die delen
c)
een groep cellen met een verschillende vorm
11.

Iris had op 3 maart haar eerste dag van de menstruatie. Op welke dag zal haar eerstevolgende eisprong vermoedelijk zijn?

a)

14 maart

b)

17 maart

c)

31 maart

d)

24 maart

12.

Waarvoor dient de opbouw van het baarmoederslijmvlies?

a)

Om bevruchting mogelijk te maken

b)

Om innesteling mogelijk te maken

c)

Om menstruatie mogelijk te maken

13.

Wanneer is een vrouw het meest vruchtbaar?

a)

Vlak na de menstruatie

b)

Vlak voor de menstruatie

c)

Vlak na de eisprong

d)

Vlak voor de eisprong

14.
Op welke dag vindt op de afbeelding de eisprong plaats? 
a)
21 April
b)
22 April
c)
23 April 
d)
24 April 
15.
 Met welke letter wordt de plek aangegeven waar een eicel wordt bevrucht?
a)
P
b)
Q
c)
S
d)
R
16.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor dikker geworden. Is er bij John het fenotype veranderd?

a)

Ja

b)

Nee

17.

Je hebt twee paar geslachtschromosomen.

a)

Juist

b)

Onjuist

18.

Geslachtschromosomen bepalen of je man of vrouw bent. Welke combinatie is juist?

a)

XY = vrouw

b)

XY = man

19.
Je ziet in de afbeelding een krokusknol met enkele scheuten. De scheuten kunnen van de knol worden gehaald en verder groeien als afzonderlijke planten.
Welke bewering over de jonge planten is juist?
a)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
b)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
c)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
d)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
20.

Een gen is

a)

alle erfelijke eigenschappen

b)

1 erfelijke eigenschap

c)

al het DNA

21.

een eigenschap opgeschreven als Dd

a)

homozygoot dominant

b)

homozygoot recessief

c)

heterozygoot

d)

heterozygoot dominant

22.

Een wipneus is dominant over rechte neus.

Een homozygote dominante moeder, en een homozygote recessieve vader krijgen een kindje

a)

dit kindje heeft een rechte neus

b)

dit kindje heeft een wipneus

c)

je weet niet wat dit kindje voor neus heeft

23.
Kleurenblindheid is een recessieve aandoening. We kunnen dan zeggen dat kleurenblindheid ontstaat bij mensen met:
a)
Twee zwakke genen (a-a)
b)
Twee sterke genen (A-A)
c)
Twee ongelijke genen (A-a)
d)
Als hij altijd ziek wordt
24.
Iets waar je zintuigen op reageren heet een ...
a)
Impuls
b)
Seintje
c)
Prikkel
d)
Zenuw
25.
Het centrale zenuw-stelsel bestaat uit:
a)
Zenuwen
b)
Zenuwen en de hersenen
c)
Zenuwen en het ruggenmerg
d)
De hersenen en het ruggenmerg
26.
Hier bevindt zich het gehoorzintuig.
a)
Trommelvlies
b)
Gehoorbeentjes
c)
Slakkenhuis
d)
Buis van Eustachius
27.
Met dit deel van het oog kan je scherp zien.
a)
Iris
b)
Pupil
c)
Harde oogvlies
d)
Lens
28.
Langs welke weg gaat het licht van het oog-zintuig?
a)
Hoornvlies-pupil-lens-glasachtige lichaam-netvlies
b)
Glasachtige lichaam-netvlies-pupil-lens-hoornvlies
c)
Hoornvlies-lens-netvlies
d)
Lens-pupil-hoornvlies-netvlies-glasachtige lichaam
29.
Uit welke twee lagen bestaat de opperhuid?
a)
opperhuid en kiemlaag
b)
hoornlaag en opperhuid
c)
hoornlaag en kiemlaag
d)
kiemlaag en lederhuid
30.
Welke nummer is de oorgang
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
31.
Wat is nummer 10
a)
oorgang
b)
trommelvlies
c)
buis van eustachius
d)
oorzenuw
32.

Wat geeft onderdeel 5 weer?

a)

Netvlies

b)

Glasachtig lichaam

c)

Gele vlek

33.

Een (a)   is een verandering uit de omgeving waarop je kunt reageren

34.

Het knorren van je maag omdat je honger hebt is een voorbeeld van een ....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

35.

Het op rood springen van een stoplicht waardoor je gaat remmen is een voorbeeld van een....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

36.

een prikkel die sterker is dan een normale sleutelprikkel. Deze prikkels hebben een onweerstaanbare invloed op het gedrag van de prikkelontvanger

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

37.

Dit is gedrag dat aan de paring vooraf gaat en uiteindelijk de kans op paren vergroot.

a)

Conflictgedrag

b)

Imponeergedrag

c)

Baltsgedrag

d)

Territoriumgedrag

38.

Je ziet hier een voorbeeld van...

a)

Aangeboren gedrag

b)

Aangeleerd

gedrag

39.

Volwassen meeuwen hebben een rode stip op de onderkant van hun snavel. De jonge vogels openen bij het zien van deze stip altijd direct hun snaveltjes om gevoerd te kunnen worden.

Dit is een voorbeeld van een....

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

40.
Deze voedingstof is bouwstof en brandstof maar geen reservestof of beschermende stof.
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Water
41.
Enzymen zorgen ervoor dat.....
a)
De verteringsreactie wordt versneld
b)
De voedingstoffen door het verteringsstelsel worden geduwd
c)
Vet met water kan mengen
d)
Bacteriën worden gedood
42.

Welke voedingsstof past het beste bij: vooral als brandstof maar ook als bouwstof en reservestof. Komt bijvoorbeeld in suikers en brood voor.

a)

Eiwitten

b)

Koolhydraten

c)

Vetten

d)

Mineralen

43.
Bij de persoon in de afbeelding is sprake van grondstofwisseling.
a)
Juist
b)
Niet juist
44.

In de afbeelding is het verband tussen de temperatuur en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Bij welke temperaturen is dit enzym tijdelijk onwerkzaam?

a)

Alleen bij temperaturen onder de 10 graden

b)

Alleen bij temperaturen onder de 35 graden

c)

Alleen bij temperaturen boven de 50 graden

d)

zowel bij temperaturen onder de 10 graden als bij temperaturen boven de 50 graden.

45.

Welk woord hoort bij letter B?

a)

Koolstofdioxide

b)

Zuurstof

c)

Zuurstofarm

d)

Zuurstofrijk

46.

Wat is de indicator voor koolstofdioxide?

a)

Zetmeel

b)

Kalkwater

c)

Water

d)

Jodium

47.
Waarom gaat het vlammetje van de kaars uit?
a)
De koolstofdioxide in het potje raakt op
b)
De zuurstof in het potje raakt op
c)
Het lontje is te kort
d)
Het kaarsvet raakt op
48.

Twee uitspraken:

Marlon zegt: Verbranding vindt plaats in elke cel van je lichaam

Gerard zegt: Verbranding vindt niet continu plaats in het lichaam.

Wie heeft er gelijk?

a)

Beide gelijk

b)

Marlon heeft gelijk

c)

Gerard heeft gelijk

d)

Beide ongelijk

49.

Waarmee begint de buikademhaling?

a)

Het samentrekken van de tussenribspieren

b)

Het samentrekken van het middenrif

c)

Het ontspannen van de tussenribspieren

d)

Het ontspannen van het middenrif

50.

Welke naam heeft nummer 11?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

51.

De kleine bloedsomloop heeft als doel..

a)

zuurstof afgeven en koolstofdioxide opnemen

b)

zuurstof opnemen en koolstofdioxide afgeven

52.

Kijk goed naar de afbeelding. Als de kamers vollopen met bloed zijn de hartkleppen ...

a)

open

b)

gesloten

53.

In het lichaam van de mens zijn onder andere drie typen vocht te onderscheiden: bloedplasma, lymfe en weefselvocht.


In welk of welke van deze drie typen vocht kunnen antistoffen voorkomen?

a)

alleen bloedplasma

b)

bloedplasma en lymfe

c)

alleen in lymfe

d)

bloedplasma, lymfe en weefselvocht

e)

lymfe en weefselvocht

54.
Ziekteverwekkers worden gedood door ?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Bloedplasma
55.

Welke bloedgroep heb je als je bloedfactoren A en B hebt in je bloed?

a)

Bloedgroep A

b)

Bloedgroep B

c)

Bloedgroep AB

d)

Bloedgroep 0

56.

Welk van deze is een biotische factor?

a)

Ziekteverwekkers

b)

Luchtvochtigheid

c)

Temperatuur

d)

Bodemtype

57.

Bekijk het voedselweb. Welk van deze is een consument 3e orde?

a)

De slang

b)

De adelaar

c)

Het hert

d)

De kikker

58.

Bekijk het voedselweb. Onder welke ecologische groep vallen de onderste 3 organismen?

(a)  

59.

De grafiek hiernaast laat de overlevingskans van een soort bij verschillende temperaturen zien. Zoń grafiek noem je een ...

(a)  

60.

Een bepaalde ecologische groep organismen is verantwoordelijk voor het verwerken van de kleinste dode resten en uitwerpselen van organismen tot mineralen. Je noemt deze groep de ...

(a)  

61.

Welk van deze beschrijft het organisatieniveau "populatie"?

a)

Een chimpansee

b)

Een groep chimpansees

c)

Een groep chimpansees, bonobo's en gorilla's

d)

Een verblijf in de dierentuin met chimpansees, bonobo's en gorilla's

e)

Geen van deze

62.

Via welk proces komt koolstof uit organismen terug in de lucht

(a)  

63.

Welk van deze ecologische groepen is verantwoordelijk voor het vastleggen van koolstof uit de lucht?

a)

Producenten

b)

Consumenten

c)

Afvaleters

d)

Reducenten

64.

Wat is het verschil tussen het fenotype en genotype?

a)

Genotype zijn je genen en kun je veranderen.

b)

Fenotype zijn je genen en kun je veranderen.

c)

Genotype zijn je genen en kun je niet veranderen.

d)

Fenotype zijn je genen en kun je niet veranderen.

65.

Teken het kruisingschema van de volgende kruising Aa x Aa

66.

Wat is een evolutie theorie?

a)

Erfelijke eigenschappen binnen een populatie van organismen veranderen in de loop van de generaties als gevolg van het ontstaan van genetische variatie, voortplanting en natuurlijke selectie.

b)

Verschillen binnen een populatie van organismen veranderen in de loop van de generaties als gevolg van het ontstaan van genetische variatie, voortplanting en natuurlijke selectie.

c)

De hoeveelheid in een populatie van organismen veranderen in de loop van de generaties als gevolg van het ontstaan van genetische variatie, voortplanting en natuurlijke selectie.

d)

erfelijke eigenschappen binnen een populatie van organismen veranderen in de loop van de generaties als gevolg van het ontstaan van overstromingen en natuurbranden.

67.

Welke geslachtscellen kunnen zelf bewegen?

a)

Zaadcellen

b)

Eicellen

68.

Welke geslachtscellen bevatten veel reservevoedsel?

a)

Zaadcellen

b)

Eicellen

69.

Iris had op 3 maart haar eerste dag van de menstruatie. Op welke dag zal haar eerstevolgende eisprong vermoedelijk zijn?

a)

14 maart

b)

17 maart

c)

31 maart

d)

24 maart

70.

Waarvoor dient de opbouw van het baarmoederslijmvlies?

a)

Om bevruchting mogelijk te maken

b)

Om innesteling mogelijk te maken

c)

Om menstruatie mogelijk te maken

71.

Hoeveel dagen duurt een menstruatiecyclus ongeveer?

a)

10

b)

14

c)

28

d)

35

72.
Op welke dag vindt op de afbeelding de eisprong plaats? 
a)
21 April
b)
22 April
c)
23 April 
d)
24 April 
73.

Wat is geen voorbeeld van een inwendige prikkel

a)

Aanraking

b)

Geluid

c)

Honger

d)

Geur

74.

Wanneer wordt je je bewust van je waarneming?

a)

Op het moment dat de prikkel je zintuigen binnenkomt

b)

Als de prikkel wordt omgezet in een impuls

c)

Als de impuls vervoert wordt

d)

De impuls in je hersenen aankomt.

75.

Welke volgorde is de juiste?

a)

Prikkel --> zintuig --> gevoelszenuwcel --> centrale zenuwstelsel --> bewegingszenuwcel --> spier of klier

b)

Prikkel --> zintuig --> bewegingsszenuwcel --> centrale zenuwstelsel --> gevoelszenuwcel --> spier of klier

76.

Welke onderdelen behoren tot het centraal zenuwstelsel

a)

Ruggenmerg

b)

Hersenen

c)

Zenuwen

77.

Welk begrip hoort bij de volgende beschrijving: Een elektrisch signaal dat wordt afgegeven door zenuwcellen en wordt doorgegeven aan het zenuwstelsel.

a)

Hersenen

b)

Impuls

c)

Prikkel

d)

Zintuigcellen

78.

Welk deel van een zintuig maakt impulsen wanneer het prikkels opvangt?

a)

De tastknopjes

b)

De zintuigcellen

c)

De zenuwcellen

d)

De impulscellen

79.
Wat kun je met je zintuigen doen?
a)
informatie uit je omgeving zien
b)
informatie uit je omgeving horen
c)
informatie uit je omgeving waarnemen
d)
geen idee
80.

welke zintuigcel is gevoeliger voor een bepaalde prikkel

a)

een zintuigcel met een lage drempelwaarde

b)

een zintuig met een hoge dremelwaarde

81.
Wat is de drempelwaarde?
a)
geluid
b)
De maximale sterkte van een prikkel
c)
Impuls
d)
De minimale sterkte van een prikkel
82.
Hoe heet onderdeel 1
a)
Linkerboezem
b)
Llinkerkamer
c)
Rechterboezem
d)
Rechterkamer
83.
Met welke nummer wordt  linkerkamer aangeven?
a)
7
b)
9
c)
10
d)
12
84.
Met welke nummer word de longslagader aangeven?
a)
2
b)
4
c)
5
d)
6
85.
Iemand heeft longontsteking hiertegen medicijnen. Via welke weg komen de geslikte medicijnen, na opnamen in het bloed, in de cellen van de longen terecht?
a)
Via de grote en de kleine bloedsomloop
b)
alleen via de kleine bloedsomloop
c)
Alleen via de grote bloedsomloop
d)
Niet via de kleine en via de grote bloedsomloop
86.
Welke onderstaande bloedvaten is zuurstofarm
a)
Aorta
b)
Kransslagader
c)
Longslagader
d)
Longader
87.
De stoffen zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide zitten in?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes 
d)
Bloedplasma
88.
Het hart heeft veel spierweefsel.
Welk deel van het hart is het meest gespierd?
a)
Linkerboezem
b)
Rechterboezem
c)
Linkerkamer
d)
Rechterkamer
89.
Bij welke  aandoening heb je een bloedstolsel binnen een bloedvat, zoals bijvoorbeeld in je been?
a)
Hartinfarct
b)
Trombose
c)
Bloedarmoede
d)
aderverkalking