wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Quiz NT2 TaalCompleet A1

Total questions: 25

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Welk rijtje letters bevat ALLEEN klinkers?

a)

a,e,i,o,k

b)

a,i,y,m,e

c)

e,i,u,y

d)

y,u, e,a,p

2.

Het woord 'boek' is een voorbeeld van een....

a)

lange klank

b)

tweetekenklank

c)

korte klank

d)

geen enkele klank

3.

Welk woord is weg?: De docent zegt:"...., ik heet Jan Willem

a)

Samen

b)

Binnen

c)

Welkom

d)

Pauze

4.

Welk woord is weg?: Nessim en Peter maken.... in het boek.

a)

het bord

b)

lezen

c)

de opdracht

d)

plaatjes

5.

Hoe schrijf je '22'?

a)

twee-en-twintig

b)

tweeëntwintig 

c)

tweeentwinteg

d)

tweeentwintig

6.

'Wanneer ga jij naar school?' Het antwoord op deze vraag kan zijn:

a)

buiten

b)

drie dagen

c)

in Amsterdam

d)

maandag en woensdag

7.

Je zegt: 'Graag gedaan!' Dan ......

a)

heb je iets gevraagd

b)

heb je iets gegeven

c)

heb je iets gekregen

d)

heb je iemand geholpen

8.

Als de woonkamer op zolder is, dan bevindt deze zich....

a)

boven

b)

beneden

9.

Wat staat niet in een woonkamer?

a)

een lamp

b)

een bank

c)

een bed

d)

een televisie

10.

Welke zin is goed?

a)

Sami spreek met de docent.

b)

Ik spreekt Engels.

c)

Jullie wonen in een leuke flat.

d)

U wonen in Zwolle.

11.

Ik ga met de ....naar boven.

a)

stad

b)

lift

c)

winkels

d)

dak

12.

De zesde maand van het jaar is......

a)

augustus

b)

december

c)

maart

d)

juni

13.

Sade kan haar portemonnee niet.....

a)

laten

b)

weten

c)

gaan

d)

vinden

14.

Als ik naar de supermarkt ga, doe ik.....

a)

boodsgappen

b)

bootschappen

c)

boodschappen

d)

boodschapen

15.

Veel Nederlandse mensen eten tijdens het avondeten vlees, groente en.....

a)

macaroni

b)

aardappels

c)

yoghurt

d)

brood

16.

Veel Nederlanders eten 's ochtends....

a)

pasta

b)

eieren

c)

bonen

d)

brood

17.

Je wilt appeltaart maken. Je hebt dan appels.....

a)

klaar

b)

soep

c)

gedaan

d)

nodig.

18.

Het bestek bestaat uit vorken, messen en lepels.

a)

waar

b)

niet waar

19.

Sven......de kinderen:"Het eten is klaar!"

a)

eet

b)

allemaal

c)

vindt

d)

roept

20.

Wat klopt er NIET?

a)

Soep eet je met een lepel

b)

Vlees snijd je met een mes.

c)

Pasta eet je met lepel en vork.

d)

Soep eet je met een mes.

21.

Welke zin klopt niet?

a)

Wie bent u?

b)

Waar doe jij boodschappen?

c)

Hoe veel boterhammen eet jij?

d)

Wat drink je bij het ontbijt?

22.

Ik koop twee soorten brood. Dan koop je....

a)

twee bruine broden

b)

twee verschillende broden

c)

twee dezelfde broden

d)

twee witte broden

23.

De druiven zijn....: 500 gram voor 1 euro!!

a)

het geld

b)

pinnen

c)

goedkoop

d)

gratis

24.

"Anders nog iets?" zegt de verkoper. Hij wil weten of:

a)

het goed met je gaat.

b)

je nog meer dingen wilt kopen

c)

je geld bij je hebt.

d)

wat je nodig hebt

25.

Je zwager is.....

a)

de broer van je zus

b)

de zus van je tante

c)

de man van je zus

d)

de zus van je man