wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets H8 (1)

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de juiste volgorde van belangrijkheid van de standenmaatschappij?

a)

adel - geestelijkheid - Derde Stand

b)

geestelijkheid - adel - Derde Stand

c)

adel - boeren - burgers

d)

geestelijkheid - boeren - burgers

2.

Waarom waren de meeste boeren arm?

a)

Zij moesten veel belasting betalen

b)

Zij kregen niet genoeg salaris

c)

De oogst mislukte regelmatig

d)

Zij hadden nauwelijks rechten

3.

Lodewijk XIV had als kind een opstand van de adel meegemaakt. Hij liet de adel op zijn paleis verblijven.

a)

De onderstreepte zin is de oorzaak van de eerste zin

b)

De onderstreepte zin is het gevolg van de eerste zin

c)

De onderstreepte zin heeft niets te maken met de eerste zin

4.

Waarom werd de adel gedwongen op het paleis van Lodewijk XIV te verblijven?

a)

Dan kon de koning de adel in de gaten houden

b)

Dan kon de koning makkelijker met zijn ministers overleggen

c)

Dan kon de adel makkelijker belasting betalen

d)

Dan kon de adel de koning goed controleren

5.

Welke uitspraak is van een absolute koning?

a)

Ik regeer alleen en hoef niemand te gehoorzamen

b)

Ik regeer samen met mijn ministers en overleg met ze

c)

Ik luister naar wat het volk wil

d)

Mijn ministers regeren voor mij en ik moet ze gehoorzamen

6.

Wat was de bijnaam van Lodewijk XIV?

a)

Zonnekoning

b)

Zomerkoning

c)

Sterrendans

d)

Maanlanding

7.

Lodewijk XIV: dat is dus....

a)

de veertiende

b)

de zestiende

c)

de twaalfde

d)

de vierentwintigste

8.

Wat was geen nadeel van het leven aan het hof van Lodewijk XIV?

a)

Er waren nauwelijks toiletten

b)

Er werd veel geroddeld

c)

Er waren geen feesten

d)

Er was nauwelijks privacy

9.

Wie hoefden geen belasting te betalen?

a)

burgers en adel

b)

geestelijken en burgers

c)

adel en geestelijken

d)

geestelijken en burgers

10.

De tijd van pruiken en revoluties speelt zich af in de ......eeuw.

a)

15e

b)

16e

c)

17e

d)

18e

11.

Een absoluut vorst wordt ook wel een ....... genoemd.

a)

dictator

b)

machthebber

c)

alleenheerser

12.

Nederland was vóór de Franse revolutie een ...

a)

koninkrijk

b)

keizerrijk

c)

republiek

13.

Welke eeuw noemen we de tijd van pruiken en revoluties?

a)

15e eeuw

b)

16e eeuw

c)

17e eeuw

d)

18e eeuw

14.

Welke twee standen zie je op deze afbeedling?

a)

De 1e en 2e

b)

De 2e en 3e

c)

De 1e en 3e

15.

Wat was geen oorzaak van de Franse Revolutie?

a)

Kritiek op standensamenleving

b)

Armoede en hongersnood

c)

Toenemende inspraak Franse bevolking

d)

Gebrek aan inspraak burgerij

16.
Drie jaar na het begin van de revolutie werd Frankrijk een republiek. Dat is.....
a)
een land met een koning zonder macht.
b)
een land met edelen die het land regeren.
c)
een land zonder echte  leider.
d)
een land zonder koning of keizer.
17.
De Franse burgers  maakten een grondwet.  Wat was de belangrijkste  regel in die wet?
a)
De voorrechten golden voortaan ook voor de 3e stand.
b)
Iedereen heeft gelijke rechten.
c)
Frankrijk heeft geen koning meer.
d)
De edelen regeren voortaan het land.
18.

De hoofdstad van Frankrijk is

a)

Parijs

b)

Warschau

c)

Wenen

d)

Londen

19.

De hoofdstad van Nederland is

a)

Apeldoorn

b)

Amsterdam

c)

Den Haag

d)

Rotterdam

20.

Bij welke bestuursvorm wordt je een koning zodra je vader is overleden

a)

Monarchie

b)

Aristocratie

c)

Tirannie