wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H7 Water in Nederland

Total questions: 49

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.
De korte waterkringloop is...
a)
De kringloop van de zee naar de bomen
b)
De kringloop van de zee naar bron van de rivier
c)
De kringloop van de rivier naar de bomen
d)
De kringloop boven de zee
2.

Hoeveel procent van het waarde op aarde is zoet?

a)

2,5%

b)

12,5%

c)

17,5%

d)

20,5%

3.

Wat is nuttige neerslag?

a)

De hoeveelheid water die de mens kan gebruiken.

b)

Het verschil tussen neerslag en verdamping.

c)

Neerslag dat zoet water bevat.

d)

Irrigatiewater voor de landbouw.

4.

Wat is geen oorzaak voor de toename van overstromingen?

a)

Minder infiltratie door ontbossing en verstening.

b)

Broeikaseffect: het warmer worden van het klimaat.

c)

Bodemdaling door het oppompen van grondwater.

d)

Beleid: ruimte voor de rivieren maken.

5.

Wat laat de afbeelding zien?

a)

Drainage

b)

Beregening

c)

Geulirrigatie

d)

Druppelirrigatie

6.

Wat is verzilting?

a)

Toename van het zoutgehalte in irrigatiewater.

b)

Toename van vegetatie op zoute bodems.

c)

Toename van het zoutgehalte in de bodem en het water.

d)

Toename van het zoutgehalte in neerslag.

7.

Een polder is een door dijken omgeven stuk land waarin de waterstand kunstmatig kan worden geregeld. Welke polder kan inklinken?

a)

Zeepolders

b)

Veenpolder

c)

Droogmakerijen

d)

Kleipolders

8.

Wat wordt er onder de pijl weergegeven?

a)

Binnendijks gebied

b)

Buitendijks gebied

9.

Welk woord hoort bij 8 (rechts in de wolk)

a)

verdamping

b)

condensatie

c)

infiltratie

d)

evaporatie

10.

Welk begrip hoort bij: De hoeveelheid water die een gebied binnenkomt en uitgaat.

a)

Waterkringloop

b)

Nuttige neerslag

c)

Fossiel water

d)

waterbalans

11.
Waterbeheer waarbij alleen de voorraad vernieuwbaar water wordt gebruikt.
a)
Waterbalans
b)
Vernieuwbaarwater
c)
Duurzaamwaterbeheer
d)
Grondwater
12.
Welk begrip hoort bij: Water in de grond dat stamt uit eerdere tijden.
a)
Aquifer
b)
Fossielwater
c)
Oppervlaktewater
d)
Grondwater
13.
De uiterwaarden horen bij het buitendijkse gebied.
a)
Juist
b)
Onjuist
14.

Beregening is..

a)

wateraanvoer via kanaaltjes of sloten

b)

wateraanvoer via geperforeerde buis vlak onder de grond

c)

wateraanvoer via een buizenstelsel met sproeiers

15.

Wat is te zien op deze kaart?

a)

bodemdaling

b)

dijkringen

c)

overstromingsgebieden

d)

zwakke schakels

16.

Op de foto zie je een voorbeeld van een:

a)

dam

b)

dijkring

c)

primaire waterkering

d)

secundaire waterkering

17.

.......zorgen voor bescherming tegen het water, beheersing van het grondwaterpeil en voor de waterkwaliteit.

a)

gemeenten

b)

provincies

c)

waterkeringen

d)

waterschappen

18.

Bij een groeiende bevolking en een toename van de economische waarde van gebouwen en goederen, stijgt de/ het......................in een gebied.

a)

overstromingsrisico

b)

overstromingsrisicobewustzijn

c)

overstromingskans

d)

overstromingsschade

19.

Het grootste overstromingsgevaar dreigt bij .....................................en extra hoog water op zee.

a)

noordwesterstorm

b)

noordoosterstorm

c)

zuidwesterstorm

d)

zuidoosterstorm

20.

De zeespiegel zal stijgen a.g.v. het:

a)

natuurlijk broeikaseffect

b)

versterkt broeikaseffect

21.

In welk gebied komt de MINSTE kustafslag voor?

a)

deltagebied in Zeeland

b)

kust langs Noord-Holland

c)

kust langs Zuid-Holland

d)

Waddenzee

22.

De Haringvlietsluizen staan tegenwoordig op een kier. Hierdoor wordt de.....................van de zee hersteld.

a)

getijdenwerking

b)

invloed

c)

overstromingskans

d)

zeestroming

23.

Welke waterbron levert het schoonste drinkwater?

a)

Grondwater

b)

Oppervlaktewater

c)

Zeewater

24.
Horizontale erosie zal met name plaatsvinden in de bovenloop van de rivier.
a)
Juist
b)
Onjuist
25.
Het geheel van de hoofdstroom en de zijtakken noem je het stroomstelsel van een rivier.
a)
Juist
b)
Onjuist
26.
Door verstedelijking neemt de vertragingstijd af, het water doet er langer over om de rivier te bereiken.
a)
Juist
b)
Onjuist
27.
Op de oeverwal werd met name fijne klei afgezet.
a)
Juist
b)
Onjuist
28.
Reliëf en waterscheidingen hebben met elkaar te maken.
a)
Juist
b)
Onjuist
29.
Komgronden zijn de hogere delen in het rivierlandschap, met akkerbouw en fruitbomen.
a)
Juist
b)
Onjuist
30.
Het begrip "stroomrug'' hoort bij een ...
a)
bedijkte rivier
b)
onbedijkte rivier
31.
Waar op aarde is het grootste deel van het zoete water opgeslagen?
a)
In de atmosfeer
b)
In de rivieren
c)
In meren
d)
In gletsjers
32.
Er is geen sprake van duurzaam waterbeheer als
a)
een bierbrouwerij uit Dommelen water oppompt uit een aquifer.
b)
een tuinder in het Westland regenwater opvangt om zijn gewassen mee te besproeien.
c)
een boer in Arcen water uit de Maas pompt om zijn maïsakkers te beregenen.
d)
een ontziltingsbedrijf in Katwijk van zeewater drinkwater maakt.
33.

Het laatste deel van de rivier tot de monding.

(a)  

34.

Het bovenste gedeelte van de rivier, vanaf de bron.

(a)  

35.

De hoeveelheid rivierwater die een bepaald punt passeert, uitgedrukt in kubieke meter per seconde.

(a)  

36.

Hoge afvoer van de rivier op een bepaald moment.

(a)  

37.

Welk begrip hoort bij de omschrijving 'de verdeling van neerslag in een gebied'

a)

Neerslagverdeling

b)

Neerslagintensiteit

38.

Juist of onjuist; 'In gebieden met een gematigd zeeklimaat regent het in elk seizoen onvoldoende.'

a)

Juist

b)

Onjuist

39.

De waterbalans is hier ongelijk. Er verdampt meer water dan er aan neerslag valt.

a)

Juist

b)

Onjuist

40.

Steden ontstaan vaak op een bepaalde plaats. Op wat voor plaats zijn de steden Maastricht en Utrecht ontstaan?

a)

Op een plaats waar een dam in de rivier ligt

b)

Op een plaats waar je de rivier gemakkelijk kan oversteken

c)

Op een plaats waar veel mensen bij elkaar komen

d)

Op een plaats waar veel rivieren bij elkaar komen

41.

Bekijk de bron: wanneer is transport over water de beste optie?

a)

Als je kleine hoeveelheden moet vervoeren over een lange afstand

b)

Als je grote hoeveelheden moet vervoeren over een korte afstand.

c)

Als je kleine hoeveelheden moet vervoeren over een korte afstand

d)

Als je grote hoeveelheden moet vervoeren over een lange afstand.

42.

Bekijk de bron: nummer 2 is een

a)

sluis

b)

stuw

c)

zoetwaterbekken

d)

polder

43.

Wat is de functie van een stuw?

a)

Overstromingen tegen gaan

b)

De waterstand van een rivier regelen

c)

Zout water tegenhouden

d)

Water filteren

44.

In het IJsselmeer hebben we een voorraad zoet water als opslag voor drinkwater. Dit is een voorbeeld van :

a)

kwantitatief waterbeheer

b)

kwalitatief waterbeheer

45.

Een waterzuiveringsinstallatie is een voorbeeld van

a)

kwantitatief waterbeheer

b)

kwalitatief waterbeheer

46.

Water dat gebruikt wordt bij een bierbrouwer is voornamelijk.

a)

koelwater

b)

brak water

c)

proceswater

d)

zout water

47.

Het waterschap is verantwoordelijk voor de productie van drinkwater.

a)

Juist

b)

Onjuist

48.

De bouw van een stuwdam in de benedenloop van een rivier veroorzaakt sneller een conflict tussen landen dan de bouw van een stuwdam in de bovenloop

a)

Juist

b)

Onjuist

49.

Waterschaarste neemt vooral toe door ...

a)

Groei wereldbevolking

b)

Klimaatverandering

c)

Zeespiegelstijging

d)

Groei welvaart