wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Gedrag zintuigen en ecologie

Total questions: 49

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Tot welk niveau van de ecologie behoren alle organismen in een bos samen?

a)

ecosysteem

b)

individu

c)

levensgemeenschap

d)

biotoop

2.

Tot welk niveau van de ecologie behoort een hert in een bos?

a)

individu

b)

populatie

c)

ecosysteem

d)

levensgemeenschap

3.

In de afbeelding zijn enkele voedselrelaties in een levensgemeenschap in zoetwater schematisch weergegeven. Drie schakels, aangeduid met 1, 2 en 3, zijn niet ingevuld.

Bij welk nummer moet een plantensoort worden ingevuld?

a)

1

b)

2

c)

3

4.

Een regenbui is een abiotische factor

a)

juist

b)

onjuist

5.

Een roodborstje bouwt een nest in een boom. Voor een roodborstje is

nestgelegenheid een biotische factor.

a)

juist

b)

onjuist

6.

In afbeelding 1 zijn enkele voedselrelaties schematisch weergegeven. Drie

schakels, 1, 2 en 3, zijn in afbeelding 2 niet ingevuld.

Welke van de volgende dieren kan in schakel 3 thuishoren?

a)

garnaal

b)

kever

c)

kikker

d)

krokodil

7.

Kikkervisjes eten alleen de organismen die in schakel 1 thuishoren.

Tot welke groep behoren kikkervisjes?

a)

planteneters

b)

vleeseters

c)

alleseters

8.

In afbeelding 4 zijn voedselrelaties tussen een aantal organismen in zee

weergegeven.

Hoeveel voedselketens zijn in de afbeelding weergegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

9.
Welke schakel in een voedselketen vormt altijd de basis?
a)
planten
b)
kleine diertjes
c)
kleine vogels
d)
roofvogel
10.
In een voedselketen wordt de biomassa in elke volgende schakel kleiner.
a)
juist
b)
onjuist
11.
In een voedselketen gaat een deel van de energie verloren aan verbranding.
a)
juist
b)
onjuist
12.
De zon is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
13.
Een soortgenoot is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
14.

Een voorbeeld van een producent is

a)

mens

b)

alg

c)

bacterie

d)

schimmel

15.

Een brood werd twee weken op een vochtige plaats weggezet in een keuken. Drie verschillende soorten schimmels groeiden op het brood. Wanneer we aannemen dat het brood niet uitdroogt, wat is dan een waarschijnlijke voorspelling over het gewicht van het brood + de schimmels na drie weken?

a)

Het gewicht/de massa is toegenomen door de groei van de schimmels

b)

Het gewicht/de massa is hetzelfde gebleven omdat de schimmel brood omzet in biomassa

c)

Het gewicht/de massa neemt af omdat de groeiende schimmel brood omzet in energie

d)

Het gewicht/de massa neemt af omdat de schimmel brood omzet in biomassa en gassen.

16.

Wat is de producent in deze voedselketen?

a)

De alg

b)

De garnaal

c)

Vis 1

d)

De vogel

17.

Welke voedselketen is juist

a)

gras - koe - mens

b)

mens - koe - gras

c)

mens --> koe --> gras

d)

gras --> koe --> mens

18.

Welke stoffen zijn alleen maar abiotisch?

a)

water, grond, biotoop, temperatuur

b)

grond, voedsel, lucht, neerslag

c)

vijand, aarde, water, bodem

d)

neerslag, roofdier, levensgemeenschap

19.
Wat is nummer 10
a)
oorgang
b)
trommelvlies
c)
buis van eustachius
d)
oorzenuw
20.
Regelt de luchtdruk in de trommelvlies
a)
hamer en aambeeld
b)
buis van eustachius
c)
slakkenhuis
21.
Houden het trommelvlies soepel?
a)
oorgang
b)
oorschelp
c)
trommelvlies
d)
oorsmeerkliertjes
22.
vervoert impulsen naar de hersenen
a)
slakkenhuis
b)
buis van eustachius
c)
oorzenuw
d)
trommelvlies
23.
Welk nummer is de zweetklier
a)
6
b)
1
c)
14
d)
5
24.
nummer 2 is?
a)
haarvat
b)
bloedvat
25.

De ooglidreflex kan ook optreden als de buitenste laag van de ogen te droog wordt. De zenuwuiteinden in de buitenste laag van het oog worden dan geprikkeld.


Van welk type zenuwcellen maken deze zenuwuiteinden deel uit?

a)

van bewegingszenuwen

b)

van gevoelszenuwen

c)

van schakelcellen

26.

welke zintuigcel is gevoeliger voor een bepaalde prikkel

a)

een zintuigcel met een lage drempelwaarde

b)

een zintuig met een hoge dremelwaarde

27.

wat betekent adequate prikkel

a)

dat het een prikkel is die opgepikt wordt door het juiste zintuig

b)

dat elke zintuigcel deze prikkel kan verwerken

28.

Je proeft een snoepje. Deze smaak is...

a)

Een uitwendige prikkel

b)

Een impuls

c)

Een inwendige prikkel

29.

Als je een auto waarneemt, gaat er een signaal van je ogen naar je hersenen. Dit signaal is een ...

a)

Interne prikkel

b)

Externe prikkel

c)

Impuls

30.

Je reukzintuig is gevoelig voor

a)

Geurprikkels

b)

Smaakprikkels

c)

Warmte

d)

Luchttrillingen

31.

Wat geeft onderdeel 5 weer?

a)

Netvlies

b)

Glasachtig lichaam

c)

Gele vlek

32.

Wat is de functie van de wenkbrauwen?

a)

Beschermen je oog tegen stof en fel licht

b)

Beschermt het oog en verspreid het traanvocht

c)

Zorgen dat vocht en zweet niet in je oog komt

d)

Beschermen van de onderdelen van het oog

33.

Wat geeft onderdeel a weer?

a)

Traanbuis

b)

Traanpunt

c)

Traanklier

d)

Traankanaal

e)

Traanzak

34.
De blinde vlek:
a)
Bevat geen zintuigcellen.
b)
Is bij blinde mensen groter.
c)
Is bij blinde mensen niet aanwezig.
d)
Bevat minder zintuigcellen.
35.

Met welke zintuigcel kun je bij heel weinig licht toch wat zien

a)

Staafjes

b)

Kegeltjes

36.
Wat is de adequate prikkel van het oor?
a)
Geluidstrillingen
b)
Licht
c)
Geur
d)
Waarnemen
37.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Buis van Eustachius
b)
Gehoorgang
c)
Gehoorzenuw
38.

Sommige prikkels, roepen altijd hetzelfde gedrag op.

Dit heet een....

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

39.

Het op rood springen van een stoplicht waardoor je gaat remmen is een voorbeeld van een....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

40.

een prikkel die sterker is dan een normale sleutelprikkel. Deze prikkels hebben een onweerstaanbare invloed op het gedrag van de prikkelontvanger

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

41.

Je ziet de reclameborden van de pizzeria en krijgt trek. Dit is een voorbeeld van een ...

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

42.

Gedrag met als functie het afbakenen van een 'leefruimte' en het verdedigen ervan tegen binnendringende soortgenoten.

a)

Conflictgedrag

b)

Imponeergedrag

c)

Baltsgedrag

d)

Territoriumgedrag

43.

Dit is gedrag dat aan de paring vooraf gaat en uiteindelijk de kans op paren vergroot.

a)

Conflictgedrag

b)

Imponeergedrag

c)

Baltsgedrag

d)

Territoriumgedrag

44.

Je ziet hier een voorbeeld van....

a)

Conflictgedrag

b)

Imponeergedrag

c)

Baltsgedrag

d)

Territoriumgedrag

45.

Je ziet hier een voorbeeld van...

a)

Aangeboren gedrag

b)

Aangeleerd

gedrag

46.

Je ziet hier een voorbeeld van...

a)

Aangeboren gedrag

b)

Aangeleerd

gedrag

47.

(a)   gedrag is erfelijk bepaald, al vanaf de geboorte en hoeft niet door ouders worden aangeleerd.

48.

Hiernaast zie je een voorbeeld van een....

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

49.

Volwassen meeuwen hebben een rode stip op de onderkant van hun snavel. De jonge vogels openen bij het zien van deze stip altijd direct hun snaveltjes om gevoerd te kunnen worden.

Dit is een voorbeeld van een....

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel