wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 1 (1.1, 1.3 en 1.4)

Total questions: 54

Worksheet time: 48mins

Name
Class
Date
1.

Geef de naam van onderdeel 5

(a)  

2.

Geef de naam van onderdeel 13

(a)  

3.

Geef de naam van onderdeel 1

(a)  

4.

Geef de naam van onderdeel 2

(a)  

5.

Geef de naam van onderdeel 3

(a)  

6.

Geef de naam van onderdeel 4

(a)  

7.

Geef de naam van onderdeel 6

(a)  

8.

Geef de naam van onderdeel 7

(a)  

9.

Geef de naam van onderdeel 8

(a)  

10.

Geef de naam van onderdeel 9

(a)  

11.

Geef de naam van onderdeel 10

(a)  

12.

Geef de naam van onderdeel 11

(a)  

13.

Geef de naam van onderdeel 12

(a)  

14.

Geef de naam van onderdeel 14

(a)  

15.

Met welk onderdeel verschuif je het preparaat?

(a)  

16.

Met welk onderdeel gaat de tafel snel omhoog en omlaag?

(a)  

17.

Met welk onderdeel bepaal je de sterkte van het licht?

(a)  

18.

Met welk onderdeel bepaal je de hoeveelheid licht wat door de tafel komt?

(a)  

19.

Geef de naam van onderdeel 11

(a)  

20.

Geef de naam van onderdeel 13

(a)  

21.

Geef de naam van onderdeel 14

(a)  

22.

Geef de naam van onderdeel 15

(a)  

23.

Geef de naam van onderdeel 16

(a)  

24.

Geef de naam van onderdeel 18

(a)  

25.

Welk onderdeel is het belangrijkst in de cel?

(a)  

26.

In welk onderdeel kunnen stoffen opgelost zijn?

(a)  

27.

Geef de naam van onderdeel 1

(a)  

28.

Geef de naam van onderdeel 3

(a)  

29.

Geef de naam van onderdeel 4

(a)  

30.

Geef het levenskenmerk dat hoort bij:

"Een koala eet bladeren van een eucalyptusplant"

(a)  

31.

Geef het levenskenmerk dat hoort bij:
"Een hond hijgt na het rennen"

(a)  

32.

Geef het levenskenmerk dat hoort bij:
"Een plantje gaat van 5 naar 30 centimeter"

(a)  

33.

Geef het levenskenmerk dat hoort bij:
"Een eikenboom haalt met wortels water uit de bodem"

(a)  

34.

Geef het levenskenmerk dat hoort bij:
"Een vis legt eitjes"

(a)  

35.

Geef het levenskenmerk dat hoort bij:
"Een paprika bevat veel zaadjes van de paprikaplant"

(a)  

36.

Geef het levenskenmerk dat hoort bij:
"Een zonnebloem draait de bloem naar het zonlicht"

(a)  

37.

Geef het levenskenmerk dat hoort bij:
"Een giraffe rent weg van de leeuwen"

(a)  

38.

Geef het levenskenmerk dat hoort bij:
"Een mens hoort vogeltjes fluiten"

(a)  

39.

Geef het levenskenmerk dat hoort bij:
"Een kat poept in de kattenbak"

(a)  

40.

Geef het levenskenmerk dat hoort bij:
"Een schimmel haalt voedingsstoffen uit een boterham"

(a)  

41.

Geef het levenskenmerk dat hoort bij:
"Een groen blad neemt zuurstof op en geeft CO2 af"

(a)  

42.

Geef het levenskenmerk dat hoort bij:
"Een leerling ziet de docent voor in het lokaal staan"

(a)  

43.

Wol is....

a)

Levend

b)

Dood

c)

Levenloos

44.

Een leren tas is...

a)

Levend

b)

Dood

c)

Levenloos

45.

Een toetsblaadje is...

a)

Levend

b)

Dood

c)

Levenloos

46.

Een bloem in een vaas is...

a)

Levend

b)

Dood

c)

Levenloos

47.

Een slakkenhuis is...

a)

Levend

b)

Dood

c)

Levenloos

48.

Koeienpoep is...

a)

Levend

b)

Dood

c)

Levenloos

49.

Een mobiele telefoon is...

a)

Levend

b)

Dood

c)

Levenloos

50.

Een grassprietje is...

a)

Levend

b)

Dood

c)

Levenloos

51.

Wind is...

a)

Biotisch

b)

Abiotisch

52.

Biefstuk is...

a)

Biotisch

b)

Abiotisch

53.

Een vingernagel is...

a)

Biotisch

b)

Abiotisch

54.

Water is...

a)

Biotisch

b)

Abiotisch