wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ordenen

Total questions: 47

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

In de afbeelding zie je organismen of delen van organismen.


Van welk organisme zal een cel geen celkern bevatten?

a)

organisme 1

b)

organisme 2

c)

organisme 3

d)

organisme 4

2.

In de afbeelding zie je organismen of delen van organismen.


Van welk organisme zal een cel geen celwand bevatten?

a)

Organisme 1

b)

Organisme 2

c)

Organisme 3

d)

Organisme 4

3.

In de afbeelding zie je organismen of delen van organismen.


Van welk organisme kan een cel bladgroenkorrels bevatten?

a)

Organisme 1

b)

Organisme 2

c)

Organisme 3

d)

Organisme 4

4.

In de afbeelding is een cel schematisch getekend.


Tot welk rijk behoort het organisme waarvan deze cel afkomstig is?

a)

Schimmels

b)

Dieren

c)

Planten

5.
In hoeveel rijken worden organismen ingedeeld?
a)
2
b)
4
c)
5
d)
6
6.
Jouw lichaam bestaat uit cellen. Hebben die cellen een celwand?
a)
Ja
b)
Nee
7.
Welk rijk is het enige rijk met bladgroenkorrels?
a)
Planten
b)
Dieren
c)
Schimmels
d)
Bacteriën
8.

welke van de onderstaande celkenmerken wordt niet gebruikt bij ordening?

a)

celkernen

b)

celwanden

c)

bladgroenkorrels

d)

celmembraan

9.

Hebben schimmels en bacteriën bladgroenkorrels?

a)

ja

b)

nee

10.

Welk van de volgende groepen heeft geen celkern?

a)

dieren

b)

planten

c)

schimmels

d)

bacteriën

11.

Een zeester is ..................symmetrisch

a)

niet

b)

tweezijdig

c)

veelzijdig

12.

Wat voor een soort skelet heeft een mossel?

a)

inwendig

b)

uitwendig

13.

Heeft een spons een inwendig of uitwendig skelet of geen skelet?

a)

inwendig

b)

uitwendig

c)

geen

14.

Heeft een kwal een inwendig, uitwendig of geen skelet?

a)

inwendig

b)

uitwendig

c)

geen

15.
Welk dier heeft geen inwendig skelet?
a)
Ezel
b)
Kip
c)
Salamander
d)
Schorpioen
16.

Het huisje van een huisjesslak is een voorbeeld van een...

a)

Inwendig skelet

b)

Beschermend skelet

c)

Hard skelet

d)

Uitwendig skelet

17.
Welk dier is een zoogdier?
a)
mus
b)
krab
c)
hond
d)
pladijs
18.

Een zee-egel behoort bij de..............

a)

zoogdieren

b)

stekelhuidigen

c)

geleedpotigen

d)

reptielen

19.

Tot welke groep behoren de insecten?

a)

zoogdieren

b)

stekelhuidigen

c)

geleedpotigen

d)

reptielen

20.

In de afbeelding is een cel schematisch getekend.


Tot welk rijk behoort het organisme waarvan deze cel afkomstig is?

a)

Schimmels

b)

Dieren

c)

Planten

21.
Welke 5 klassen van gewervelde dieren zijn er?
a)
sponzen, stekelhuidigen, wormen, amfibieën en vissen
b)
zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen
c)
zoogdieren, vogels, geleedpotigen, wormen en reptielen
d)
vogels, reptielen, vissen, geleedpotigen, en sponzen
22.
Padden zijn koudbloedig, ademen voor een groot deel door hun huid, en hun eieren zijn niet beschermd. Bij welke klasse binnen de afdeling van de gewervelden horen de padden?
a)
Bij de vissen
b)
Bij de reptielen
c)
Bij de zoogdieren
d)
Bij de amfibieën
23.
Waar of niet waar? Een wants (zie het plaatje) is tweezijdig symmetrisch.
a)
Waar
b)
Niet waar
24.
Juist of onjuist?
Schimmels kunnen ééncellige of meercellige organismen zijn.
a)
Juist
b)
Onjuist
25.
Meercellige schimmels planten zich voort met behulp van.........?
a)
Delen
b)
Zaadjes en eitjes
c)
Sporen
26.
Waar vind je de sporen bij meercellige schimmels?
a)
Aan uiteinden van schimmeldraden
b)
In het midden van schimmeldraden
c)
Overal op de schimmeldraden
27.
Leven schimmels van resten van organismen?
a)
Ja
b)
Nee
28.
Wat wordt gemaakt met behulp van schimmels?
a)
Zuurkool en yoghurt
b)
Yoghurt, medicijnen en wijn
c)
Bier, zuurkool en kaas
d)
Bier, kaas en wijn
29.
Hoe planten bacteriën zicht voort?
a)
door knopvorming
b)
door deling 
c)
door zaadvorming
d)
met sporedraden
30.
Welke functie hebben schimmels en bacteriën allebei?
a)
het vormen van bladgroen
b)
het doorgeven van informatie
c)
het opruimen van dode resten
d)
het vormen van sporen
31.
Wat is ordenen?
a)
het indelen op 2 verschillende kenmerken
b)
een verzameling indelen in groepen met een zelfde kenmerk
c)
Het indelen op geen kenmerk
d)
Het indelen op 1 of meerdere kenmerken
32.
Hoe noemen we de vier grote groepen van ordenen ook wel?
a)
Stammen
b)
Klassen
c)
Rijken
d)
Imperia
33.
Je ziet hier een kolonie bacteriën. Wat zijn de kenmerken van een bacterie?
a)
wel een celwand, wel een celkern en wel bladgroenkorrels
b)
geen celkern, wel bladgroenkorrels en wel een celwand
c)
wel een celwand, geen bladgroenkorrels en geen celkern
d)
geen celkern,  geen bladgroenkorrels en wel een celwand
34.

Bij welke klasse van de gewervelden hoort een haai?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

35.

Bij welke klasse van de gewervelden hoort een salamander?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

36.

Bij welke klasse van de gewervelden hoort een merel?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

37.

Bij welke klasse van de gewervelden hoort een koe?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

38.

Bij welke klasse van de gewervelden hoort een kolibri?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

39.

Bij welke klasse van de gewervelden hoort een blauwe vinvis?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

40.

Bij welke klasse van de gewervelden hoort een rugstreeppad?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

41.

Bij welke klasse van de gewervelden hoort een zeepaardje?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

42.

Bij welke klasse van de gewervelden hoort een krokodil?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

43.

welk van deze dieren leggen eieren met een leerachtige schaal?

a)
b)
c)
d)
44.

Welke van deze dieren is warmbloedig?

a)
b)
c)
d)
45.

welke van deze dieren ademt met kieuwen?

a)
b)
c)
d)
46.

Welk van deze dieren heeft een huid bedekt met haren?

a)
b)
c)
d)
47.

Welk van deze dieren is levendbarend?

a)
b)
c)
d)