NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsK9 Verteringsstelsel
Total questions: 52
Worksheet time: 26mins
Name
Class
Date
1.
Nummer 2 is de
a)
slokdarm
b)
maag
c)
12-vingerige darm
d)
speekselklier
2.
Nummer 4 is de
a)
slokdarm
b)
maagportier
c)
12-vingerige darm
d)
speekselklier
3.
Nummer 5 is de
a)
slokdarm
b)
maagportier
c)
12-vingerige darm
d)
speekselklier
4.
Nummer 9 is de
a)
slokdarm
b)
maag
c)
12-vingerige darm
d)
dunne darm
5.
Nummer 10 is de
a)
blinde darm
b)
dikke darm
c)
12-vingerige darm
d)
dunne darm
6.
Nummer 11 is de
a)
blinde darm
b)
dikke darm
c)
12-vingerige darm
d)
dunne darm
7.
Nummer 12 is de
a)
endeldarm
b)
dikke darm
c)
maag
d)
dunne darm
8.
Welk orgaan werkt niet goed bij diarree?
a)
de maag
b)
de dunne darm
c)
de dikke darm
d)
de alvleesklier
9.
Nummer 7 is de
a)
lever
b)
maag
c)
alvleesklier
d)
galblaas
10.
Nummer 8 is de
a)
lever
b)
maag
c)
alvleesklier
d)
galblaas
11.
Gal wordt gemaakt in nummer
a)
8
b)
6
c)
3
d)
7
12.
Darmsap wordt gemaakt in nummer
a)
10
b)
5
c)
2
d)
9
13.
Alvleessap wordt gemaakt in nummer
a)
7
b)
3
c)
6
d)
9
14.
in nummer 3 wordt verteerd:
a)
zetmeel
b)
vetten
c)
eiwitten
d)
water
15.
Voedingsstoffen worden in het bloed opgenomen in nummer
a)
11
b)
10
c)
9
d)
12
16.
Welk nummer wijst het glazuur aan?
a)
1
b)
2
c)
3
17.
Welk nummer wijst het tandbeen aan?
a)
1
b)
2
c)
3
18.
Welk nummer wijst het cement aan?
a)
1
b)
2
c)
3
19.
Hoe heet nummer 10?
a)
slokdarm
b)
maag
c)
12-vingerige darm
d)
anus
20.
Hoe heet nummer 8?
a)
slokdarm
b)
maag
c)
12-vingerige darm
d)
anus
21.
Hoe heet nummer 1
a)
tandkroon
b)
tandwortel
c)
kaakbeen
d)
glazuur
22.
Hoe heet nummer 2?
a)
tandkroon
b)
tandwortel
c)
kaakbeen
d)
glazuur
23.
Hoe heet nummer 5?
a)
tandholte
b)
tandwortel
c)
kaakbeen
d)
glazuur
24.
Waar gaat deze afbeelding over?
a)
peristaltische beweging
b)
opnemen van voedingsstoffen
c)
darmbacteriën
d)
uitscheiden
25.
Wat is de naam van orgaan F?
a)
galblaas
b)
lever
c)
alvleesklier
d)
maag
26.
Wat is de naam van orgaan D?
a)
galblaas
b)
lever
c)
alvleesklier
d)
maag
27.
Wat is de naam van orgaan E?
a)
galblaas
b)
lever
c)
alvleesklier
d)
maag
28.
Dit is een
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
c)
genotsmiddel
29.
Dit is een
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
c)
genotsmiddel
30.
Dit is een
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
c)
genotsmiddel
31.
Eiwit is een
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
c)
genotsmiddel
32.
koolhydraat is een
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
c)
genotsmiddel
33.
vet is een
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
c)
genotsmiddel
34.
Welke voedingsstof hoeft niet verteerd te worden?
a)
zetmeel
b)
eiwitten
c)
vetten
d)
mineralen
35.
Welke voedingsstof moet wel verteerd worden?
a)
zetmeel
b)
water
c)
vitamines
d)
mineralen
36.
Koolhydraten worden vooral gebruikt als
a)
brandstof
b)
bouwstof
c)
beschermende stof
d)
reservestof
37.
Eiwitten worden vooral gebruikt als
a)
brandstof
b)
bouwstof
c)
beschermende stof
d)
reservestof
38.
Mineralen worden vooral gebruikt als
a)
brandstof
b)
bouwstof
c)
beschermende stof
d)
reservestof
39.
Vitamine C wordt vooral gebruikt als
a)
brandstof
b)
bouwstof
c)
beschermende stof
d)
reservestof
40.
Vetten worden vooral gebruikt als
a)
brandstof
b)
bouwstof
c)
beschermende stof
d)
reservestof
41.
Bij de persoon in de afbeelding is sprake van grondstofwisseling.
a)
Juist
b)
Niet juist
42.
Bij de persoon in de afbeelding is sprake van grondstofwisseling.
a)
Juist
b)
Niet juist
43.
Bij de persoon in de afbeelding is sprake van een hoge grondstofwisseling.
a)
Juist
b)
Niet juist
44.
Bij de persoon in de afbeelding is sprake van een hoge grondstofwisseling.
a)
Juist
b)
Niet juist
45.
Dit product past goed in de schijf van 5
a)
Ja, want er zit aardappel in.
b)
Nee, want er zit aardappel in.
c)
Ja, want er zit vet in
d)
Nee, want er zit teveel vet in
46.
In het vak van vlees, vis en zuivel zit(ten) veel
a)
vetten
b)
zetmeel
c)
voedingsvezel
d)
eiwitten
47.
De vezels uit het groente en fruitvak zijn vooral voor
a)
bouwstoffen
b)
brandstoffen
c)
goede darmwerking
d)
de smaak van je eten
48.
Het vocht uit het vak met drinken is vooral voor
a)
bouwstoffen
b)
brandstoffen
c)
goede darmwerking
d)
de smaak van je eten
49.
Uit dit plaatje over enzymwerking blijkt
a)
dat het maar één stof afbreekt
b)
dat het na de reactie onbruikbaar is
c)
dat het werkt bij een bepaalde temperatuur
d)
dat het meer dan één stof afbreekt
50.
Uit dit plaatje over enzymwerking blijkt
a)
dat het geen stof afbreekt
b)
dat het na de reactie weer bruikbaar is
c)
dat het werkt bij een bepaalde temperatuur
d)
dat het meer dan één stof afbreekt
51.
Uit dit plaatje over enzymwerking blijkt
(pepsine is een enzym dat in de maag gemaakt wordt)
(pepsine is een enzym dat in de maag gemaakt wordt)
a)
dat het maar één stof afbreekt
b)
dat het na de reactie weer bruikbaar is
c)
dat het werkt bij een bepaalde zuurgraad (pH)
d)
dat het meer dan één stof afbreekt
52.
Het enzym trypsine werkt het best bij een zuurgraad van
a)
6
b)
8
c)
2
d)
9
Reset
