wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2 BKT | Regeling | BS 5 t/m 8

Total questions: 50

Worksheet time: 2hrs 40mins

Name
Class
Date
1.

Welk begrip hoort bij de beschrijving?


Stroompjes die over je zenuwen gaan. Ze brengen berichtjes rond van of aan het zenuwstelsel

a)

zintuigcellen

b)

impulsen

c)

hersenen

d)

gewenning

e)

drempelwaarde

2.

Signalen die uit je omgeving komen zijn de...

a)

prikkels

b)

impulsen

3.

Signalen die IN je lichaam verstuurt worden zijn de...

a)

prikkels

b)

impulsen

4.

Let op je spelling! Welk onderdeel van het zenuwstelsel wordt aangewezen door nummer 2?

(a)  

5.

Let op je spelling! Welk onderdeel van het zenuwstelsel wordt aangewezen door nummer 3?

(a)  

6.

Bij een REFLEX gaan de impulsen naar de hersenen

a)

Waar

b)

Niet waar

7.

Dat je pupil in het licht kleiner wordt is een voorbeeld van een reflex

a)

Waar

b)

Niet waar

8.

Welk onderdeel van een zenuwcel is hier omcirkelt?

a)

Cellichaam

b)

Uitloper

9.

In welk deel van het zenuwstelsel vind je meestal het omcirkelde deel van de zenuwcel?

a)

Ruggenmerg

b)

Hersenen

c)

Zenuwenbundel

10.

In welk deel van het zenuwstelsel vind je meestal het omcirkelde deel van de zenuwcel?

a)

Ruggenmerg

b)

Hersenen

c)

Zenuwenbundel

11.

Wat zijn hormonen?

a)

Hormonen zijn voorbehoedsmiddelen.

b)

Hormonen zijn regelstoffen in je lichaam.

c)

Hormonen zijn groeistoffen in je lichaam.

12.

Je zenuwstelsel stuurt signalen door impulsen te sturen over je zenuwen.


Je hormoonstelsel stuurt signalen door hormonen te sturen via je [ . . . ]

(a)  

13.

Hoe groei je? Klik op de juiste volgorde.

a)

Groeihormoon wordt gemaakt > De cellen reageren en je botten gaan groeien > Het groeihormoon komt in je bloed

b)

De cellen reageren en je botten gaan groeien > Het groeihormoon komt in je bloed > Groeihormoon wordt gemaakt

c)

Groeihormoon wordt gemaakt > Het groeihormoon komt in je bloed > De cellen reageren en je botten gaan groeien

d)

Het groeihormoon komt in je bloed > Groeihormoon wordt gemaakt > De cellen reageren en je botten gaan groeien

14.

Hormonen komen via het bloed langs alle organen af. Toch reageert niet ieder orgaan op elk hormoon.


Het orgaan waar een hormoon invloed op heeft noem je een...

a)

Hormoonklier

b)

Doelwitorgaan

c)

Reactor

d)

Klier

15.

Je hersenen, ruggenmerg en zenuwen samen noem je het...

(a)  

16.

Al je hormoonklieren samen noem je het...

(a)  

17.

Welke hormoonklier wordt aangegeven door A?

(a)  

18.

Welke hormoonklier wordt aangegeven door B?

(a)  

19.

Welke hormoonklier wordt aangegeven door D?

(a)  

20.

Welk hormoon komt uit de hypofyse?

a)

Groeihormoon

b)

Insuline

c)

Schildklierhormoon

d)

Adrenaline

21.

Welk hormoon komt uit de bijnieren?

a)

Groeihormoon

b)

Insuline

c)

Schildklierhormoon

d)

Adrenaline

22.
Welk orgaan werkt niet goed bij diabetes type 1?
a)
De lever
b)
De nieren
c)
De alvleesklier
23.

Wat zijn de algemene verschillen tussen het hormoonstelsel en het zenuwstelsel?

a)

Hormoonstelsel werkt snel, zenuwstelsel werkt traag

b)

Hormoonstelsel werkt traag, zenuwstelsel werkt snel

c)

Hormoonstelsel zorgt voor reacties op korte termijn, zenuwstelsel op lange termijn.

d)

Hormoonstelsel zorgt voor reacties op lange termijn, zenuwstelsel op korte termijn.

24.

Onder invloed van welk hormoon wordt glycogeen omgezet in glucose?

(a)  

25.

Welk hormoon wordt bij diabetes onvoldoende geproduceerd?

(a)  

26.

Adrenaline is een hormoon dat juist niet traag werkt, maar heel snel. Waar wordt adrenaline geproduceerd?

a)

bijnieren

b)

schildklier

c)

hypofyse

d)

Eilandjes van Langerhans

e)

teelballen

27.

Insuline en glucagon regelen ...

a)

het constant houden van de bloedsuikerspiegel

b)

de hartslag

c)

de productie van hormonen in de schildklier

d)

de productie van testosteron

e)

de productie van adrenaline

28.

Insuline en glucagon worden geproduceerd in ...

a)

de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier

b)

de eilandjes van Langerhans in de bijnieren

c)

de schildklier

d)

de teelballen

e)

de eilandjes van Langerhans in de hypofyse

29.

Voor welke ziekte gebruiken we het woord ''diabetes''?

a)

Suikerziekte

b)

Taaislijmziekte

c)

Jeukende huid

d)

Te veel zweten

30.

Een persoon met een te langzaam werkende schildklier kan last krijgen van de volgende symptomen: dikker worden, veel koud hebben, opgezette nek/hals.


Hoe kan dit?

a)

Bij deze persoon is het dieet slecht

b)

Bij deze persoon maakt de schildklier vet aan

c)

Bij deze persoon vind er weinig verbranding in de cellen plaats

d)

Bij deze persoon vind er veel verbranding in de cellen plaats

31.
Wat betekend het begrip: bloedsuikerspiegel?
a)
Dat is de hoeveelheid suiker dat zich in het bloed bevind
b)
Dat is bloed met suiker gemengd 
c)
Dat is het glucosegehalte van het bloed
d)
Dat betekenend helemaal niks
32.

Bij een afwijking aan een hormoonklier kan een persoon een verdikte hals krijgen zoals op dit plaatje. Dit noem je een struma.


Met welke hormoonklier is hier wat mis?

a)

Schildklier

b)

Hypofyse

c)

Eierstokken

d)

Teelballen

33.

Waar of niet waar: Je blaas maakt urine (plas) aan.

a)

Waar

b)

Niet waar

34.

Tijdens de herfst verdwijnt deze stof uit bladeren waardoor ze ''herfstkleuren'' krijgen.

a)

Bladgroen

b)

Glucose

c)

Water

d)

Bladmoes

35.

Waarom laat een boom zijn bladeren gedurende herfst en winter vallen?

a)

Om uitdroging te voorkomen: via bladeren verliest een boom veel water, dit is bij koud weer al lastig uit de bodem te krijgen.

b)

Om afbreken te voorkomen: wanneer er sneeuw op de bladeren komt wordt de boom zwaar. Hierdoor kan hij breken en dood gaan.

c)

Om warmteverlies te voorkomen: Door de bladeren te laten vallen heeft de boom een kleinere oppervlakte. Hierdoor kan de boom beter zijn stam warm houden.

36.

Het is paarseizoen. Vijf paar vogels willen een nestje bouwen in een struik waar plek is voor drie paar vogels.

Is dit een voorbeeld van concurrentie of samenwerking?

a)

concurrentie

b)

samenwerking

37.

Op een stuk grasland komt de volgende voedselketen voor:

gras <- krekel <- vogel


Er wordt een gifstof over het land gespoten. Hierdoor sterven de krekels uit.

Wat gebeurt er met de populatiegrootte van de vogels?

a)

de populatiegrootte neemt toe

b)

de populatiegrootte neemt af

c)

de populatiegrootte blijft gelijk

38.

Wanneer een dier weg gaat uit een gebied noem je dit...

a)

Emigratie

b)

Immigratie

c)

Concurrentie

d)

Territorium

39.

Wanneer een dier in een nieuw gebied gaat wonen noem je dit...

a)

Emigratie

b)

Immigratie

c)

Concurrentie

d)

Territorium

40.

Welk hoort past bij dit plaatje?

a)

Biologisch evenwicht

b)

Immigratie

c)

Roofdieren

d)

Territorium

41.

Een familie vossen heeft bijna alle konijnen in een gebied opgegeten. Omdat er bijna geen eten meer voor ze is emigreren ze naar een ander gebied.


Wat zal er met de konijnenpopulatie gebeuren nou dat de vossen weg zijn?

a)

Neemt toe

b)

Neemt af

c)

Blijft gelijk

42.

Door fabrieken en landbouw kan het biologisch evenwicht op twee manieren verstoort worden. Welke twee manieren zijn goed?

a)

Warm water dat gebruikt werd om turbines te koelen stroomt terug de natuur in. Warm water bevat minder zuurstof waardoor de vissen etc. dood gaan.

b)

Koud water dat gebruikt werd om turbines te koelen stroomt terug de natuur in. Koud water bevat minder zuurstof waardoor de vissen etc. dood gaan.

c)

Mest (voedingsstoffen) van de landbouw komt in het water terecht. Hierdoor gaan algen zo goed groeien dat ze al het zuurstof in het water gebruiken en er geen licht meer voor de andere planten door de dikke algenlaag heen komt.

d)

Mest (voedingsstoffen) van de landbouw komt in het water terecht. Hierdoor gaan de vissen zo veel groeien dat ze alles opeten en uiteindelijk zelf dood gaan van de honger.

43.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van de maagwand?

a)

2

b)

23

c)

46

d)

Dat kun je niet weten

44.

Alle zichtbare eigenschappen van een organisme noemen we

a)

Fenotype

b)

Genotype

45.

Hoeveel chromosomen heeft een eicel of zaadcel?

(a)  

46.

Oogkleur: Genotype of fenotype?

a)

Genotype

b)

Fenotype

47.

Genotype of fenotype? (Tattoo)

a)

Genotype

b)

Fenotype

48.

Hoe ontstaat een fossiel? Zet de afbeeldingen op de juiste volgorde.

a)

A-B-C-D

b)

B-D-A-C

c)

B-A-D-C

d)

C-D-A-B

49.

Zoom in op de afbeelding. Scroll naar beneden voor de vraag. Hier is een stamboom. te zien.


In een stamboom kun je zien hoe organismen aan elkaar verwant zijn. Hoe dichter de aftakking van de ''boom'' bij elkaar zit: Hoe meer verwant ze zijn. Een afsplitsing van de lijnen betekent dat er op het kruispunt een gemeenschappelijke voorouder zit.


Welk dier is het meest verwant aan de wormhagedissen?

a)

Teju- en brilhagedissen

b)

Slangen

c)

Hazelwormen

d)

Gekko's

50.

Zoom in op de afbeelding. Scroll naar beneden voor de vraag. Hier is een stamboom. te zien.


In een stamboom kun je zien hoe organismen aan elkaar verwant zijn. Hoe dichter de aftakking van de ''boom'' bij elkaar zit: Hoe meer verwant ze zijn. Een afsplitsing van de lijnen betekent dat er op het kruispunt een gemeenschappelijke voorouder zit.


Welk dier is het minste verwant aan de leguanen?

a)

Gekko's

b)

Slangen

c)

Agames

d)

Skinks