Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H2 Thema 5 lang

Total questions: 53

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het fenotype?

a)

Het uiterlijk van een organisme.

b)

De genetische informatie van een organisme.

c)

De milieufactoren waarin een organisme leeft.

d)

Het hele organisme.

2.

Door welke twee factoren komt het fenotype tot stand?

a)

Het genotype.

b)

Milieufactoren.

c)

Uiterlijke kenmerken.

d)

Meiose.

3.

Waar in je lichaam liggen de chromosomen?

a)

In de celkern van elke cel.

b)

In het cytoplasma van elke cel.

c)

In de buikholte.

d)

In de oogkleur.

4.

Chromosomen bestaan uit twee verschillende stoffen. Welke stoffen zijn dat?

a)

DNA en eiwit

b)

DNA en basen

c)

Basen en eiwit

d)

DNA en genen

5.

DNA bestaat uit twee tegenover elkaar liggende strengen. De ene streng heeft de volgende basen: ATGCCATGA. Welke basen heeft de streng die hier tegenover ligt?

(a)  

6.

Wat is het genotype?

a)

Alle informatie voor al je erfelijke eigenschappen.

b)

Het uiterlijk van een organisme.

c)

Alle genen op een chromosoom.

d)

Alle informatie voor een erfelijke eigenschap.

7.

Hoeveel chromosomen heeft een cel in het hart van een mens?

a)

46

b)

64

c)

32

d)

23

8.

Hoeveel chromosomenparen heeft een cel in de lever van een mens?

a)

46

b)

64

c)

32

d)

23

9.

Wat is een gen?

a)

Een deel van een chromosoom dat codeert voor een bepaalde eigenschap.

b)

Een deel van een allel dat codeert voor een bepaalde eigenschap.

c)

Een deel van een eigenschap dat codeert voor een bepaald allel.

d)

Een deel van een basenpaar dat codeert voor een bepaalde eigenschap.

10.

Is een allelenpaar hetzelfde als een genenpaar?

a)

Ja

b)

Nee

11.

Is een gen hetzelfde als een allel?

a)

Ja

b)

Nee

12.

Komen de chromosomen in lichaamscellen in paren voor?

a)

Ja

b)

Nee

13.

Komen de chromosomen in geslachtscellen in paren voor?

a)

Ja

b)

Nee

14.

Hoeveel chromosomen heeft een geslachtscel van een mens?

a)

0

b)

23

c)

32

d)

46

e)

64

15.

Hoeveel chromosomenparen heeft een geslachtscel van een mens?

a)

0

b)

23

c)

32

d)

46

e)

64

16.

Zijn de chromosomen in alle cellen van een organisme hetzelfde?

a)

Ja

b)

Nee

17.

Is het genotype van alle cellen van een organisme hetzelfde?

a)

Ja

b)

Nee

18.

Zijn de volgende uitspraken juist?

1 Bij gewone celdeling deelt een moedercel zich in twee dochtercellen die hetzelfde zijn als de moedercel.

2 Het genotype komt tot stand op het moment van geboorte.

a)

1 en 2 zijn juist

b)

1 en 2 zijn onjuist

c)

1 is juist, 2 is onjuist

d)

1 is onjuist, 2 is juist

19.

Genen kunnen 'aan' of 'uit' staan. Staat het gen voor haarkleur aan in je nieren?

a)

Ja

b)

Nee

20.

Waar codeert de volgorde van de basenparen in een gen voor?

a)

Het maken van een bepaald eiwit.

b)

Het maken van een bepaalde voedingsstof.

c)

Het maken van een bepaald allel.

d)

Het maken van een bepaalde cel.

21.

Geef aan of de volgende uitspraak juist of onjuist is:

Twee allelen van een allelenpaar coderen voor dezelfde eigenschap.

a)

Juist

b)

Onjuist

22.

Geef aan of de volgende uitspraak juist of onjuist is:

Twee allelen van een allelenpaar zijn gelijk aan elkaar.

a)

Juist

b)

Onjuist

23.

Geef aan of de volgende uitspraak juist of onjuist is:

Bij geslachtelijke voortplanting hebben de nakomelingen een genotype dat gelijk is aan het genotype van de vader of moeder.

a)

Juist

b)

Onjuist

24.

Geef aan of de volgende uitspraak juist of onjuist is:

Bij geslachtelijke voortplanting lijken de nakomelingen allemaal sterk op elkaar.

a)

Juist

b)

Onjuist

25.

Op welke manieren kan een tweeling ontstaan?

a)

Uit twee eicellen die tegelijk zijn gerijpt.

b)

Uit één eicel die gedeeld is na de bevruchting.

c)

Uit één eicel die gedeeld is voor de bevruchting.

d)

Uit twee zaadcellen die een eicel bevruchten.

26.

Wat is een mutatie?

a)

Een plotselinge verandering van het genotype.

b)

Een organisme gaat er anders uit zien.

c)

Een organisme heeft een afwijking.

d)

Een organisme kan bijzondere dingen doen.

27.

Wanneer noem je een organisme een mutant?

a)

Als een mutatie in het organisme in het fenotype te zien is.

b)

Als een mutatie in het organisme in het genotype te zien is.

c)

Als een organisme is veranderd.

28.

Waarom heeft een mutatie van een lichaamscel meestal geen gevolgen?

a)

Omdat alle andere cellen normaal blijven.

b)

Omdat de verandering niet opvalt.

c)

Omdat de mutatie op een plaats zit die je niet ziet.

29.

Waarom heeft de mutatie van een geslachtscel grote gevolgen?

a)

Omdat deze mutatie in alle cellen van het organisme dat ontstaat uit de geslachtscel voorkomt.

b)

Omdat het geslacht van het organisme hierdoor veranderd.

c)

Omdat een mutatie in een geslachtscel heel goed te zien is in het organisme.

30.

Mutaties kunnen ontstaan door invloeden vanuit het milieu. Hoe worden deze invloeden ook wel genoemd?

(a)  

31.

Vink alle invloeden die een mutatie kunnen veroorzaken aan.

a)

Radioactieve straling

b)

Asbest

c)

Sigarettenrook

d)

Uv-straling

e)

Bedorven voedsel

32.

Geef aan of de volgende uitspraak juist of onjuist is:

Kanker kan ontstaan door een mutatie in een cel.

a)

Juist

b)

Onjuist

33.

Geef aan of de volgende uitspraak juist of onjuist is:

Door een mutatie deelt een kankercel zich geremd.

a)

Juist

b)

Onjuist

34.

Geef aan of de volgende uitspraak juist of onjuist is:

Wanneer de kankercel zich heeft gedeeld, is er een gezwel ontstaan. In dit stadium is de kanker vaak nog goed te behandelen.

a)

Juist

b)

Onjuist

35.

Geef aan of de volgende uitspraak juist of onjuist is:

Wanneer er uitzaaiingen ontstaan, verspreid de kanker zich via het bloed of de lymfe.

a)

Juist

b)

Onjuist

36.

Hoe lang blijven zaadcellen in het lichaam van een vrouw in leven?

a)

Ongeveer 1 dag

b)

Ongeveer 2 dagen

c)

Ongeveer 3 dagen

d)

Ongeveer 4 dagen

37.

Hoe lang blijft een eicel na de ovulatie in leven als er geen bevruchting plaastvindt?

a)

Ongeveer 1 dag

b)

Ongeveer 2 dagen

c)

Ongeveer 3 dagen

d)

Ongeveer 4 dagen

38.

Waar vindt bevruchting plaats?

a)

In de eileider.

b)

In de eierstok.

c)

In de baarmoeder.

d)

In de vagina.

39.

Waar vindt innesteling plaats?

a)

In de eileider.

b)

In de eierstok.

c)

In de baarmoeder.

d)

In de vagina.

40.

Hoeveel tijd zit er ongeveer tussen bevruchting en innesteling?

a)

Een minuut

b)

Een uur

c)

Een dag

d)

Een week

41.

Vindt er normaal gesproken na bevruchting binnen een half jaar een eisprong plaats?

a)

Ja

b)

Nee

42.

Na de bevruchting gaat een eicel zich delen. Waar vinden deze eerste delingen plaats?

a)

In de eileider.

b)

In de eierstok.

c)

In de baarmoeder.

d)

In de vagina.

43.

Via welk orgaan neemt het embryo de eerste weken na innesteling voedingsstoffen op?

(a)  

44.

Via welk orgaan neemt het embryo vanaf de zevende week na innesteling voedingsstoffen op?

(a)  

45.

Wat is de functie van het vrachtwater voor de foetus?

a)

Beschermen tegen stoten

b)

Beschermen tegen uitdrogen

c)

Beschermen tegen wisseling in temperatuur

d)

Drinken

46.

Kies twee antwoorden. Waaruit bestaan fossielen meestal?

a)

A afdrukken

b)

B versteende resten

c)

C botten

d)

D stukken huid

47.

Welk van de volgende organismen heeft de grootste kans om te fossiliseren?

a)

A Een organisme dat in zee leeft.

b)

B Een organisme dat op het land leeft.

c)

C Een organisme zonder harde delen.

d)

D Een organisme dat bedekt raakt met sediment.

48.
Voorbeelden van rudimentaire organen bij de mens zijn:
a)
dunne dram en staartbeen
b)
dunne darm en blinde darm
c)
blinde darm en staartbeen
49.
Door middel van DNA kan worden na gegaan of twee dieren verwant zijn, dezelfde voor ouder hebben.
a)
Waar
b)
Niet waar
50.
De mens stamt af van een aap.
a)
Waar
b)
Niet waar
51.
Dieren die allebei vliegen met hun vleugels zijn altijd verwant.
a)
Niet waar, want ze kunnen verschillende voorouders hebben.
b)
Waar, want ze hebben dezelfde voorouder.
52.

Overeenkomsten in bouw wijzen op een gemeenschappelijke voorouder.

a)

Juist

b)

Onjuist

53.

Overeenkomsten in embryonale ontwikkeling wijzen op een gemeenschappelijke voorouder.

a)

Juist

b)

Onjuist