wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

erfelijkheid begrippen en opdrachten(kruisingen)

Total questions: 57

Worksheet time: 1hrs 14mins

Name
Class
Date
1.

Onderdelen in een organisme zijn: celkern, DNA, chromosoom, gen en cel. Zet deze organismen in de goede volgorde, het kleinste eerst, het grootste als laatste.

a)

DNA - Gen - Cel - Chromosoom - Celkern

b)

Gen - DNA - Chromosoom - Celkern - Cel

c)

Gen - Chromosoom - DNA - Celkern - Cel

d)

Chromosoom - DNA - Celkern - Gen - Cel

2.

Waar in je lichaam komen genen voor?

a)

Niet in geslachtscellen en niet in lichaamscellen

b)

Alleen in geslachtscellen

c)

Alleen in lichaamscellen

d)

In alle lichaamscellen en geslachtscellen

3.

Waar zijn genen van gemaakt?

a)

Ze zijn gemaakt van chromatiden

b)

Ze zijn gemaakt van chromosomen

c)

Ze zijn gemaakt van DNA

4.

Waarom zijn genen belangrijk?

a)

Genen bevatten informatie over je erfelijke eigenschappen.

b)

Genen zorgen ervoor dat alle processen in de cel goed verlopen.

c)

Genen bepalen hoe je eruit ziet.

5.

Waar in je lichaam komt DNA voor

a)

Alleen in je voortplantingsstelsel

b)

In alle cellen met een celkern

c)

Alleen in geslachtscellen

d)

Overal in het lichaam

6.

Waarom is DNA belangrijk?

a)

DNA bevat informatie over al je erfelijke eigenschappen.

b)

DNA bepaalt je geslacht.

c)

DNA bepaalt je karakter.

7.

Wat zit er in de celkern?

a)

cytoplasma

b)

water

c)

Chromosomen

d)

bladgroenkorrels

8.

Wat wordt bedoeld met het begrip genetische informatie?

a)

Welke erfelijke ziekten je kan krijgen.

b)

Welke erfelijke eigenschappen je hebt.

c)

Erfelijke informatie die vastligt in je DNA.

d)

Informatie over je afstamming.

9.
De Indische wandelende tak (zie de afbeelding) is een insect dat je als huisdier kunt houden. Een volwassen vrouwtje leeft enkele maanden en legt elke dag twee of drie eieren. De eieren hoeven niet te worden bevrucht. Uit elk eitje ontwikkelt zich een vrouwtje dat precies op de moeder lijkt.
Van welke vorm van voortplanting is hier sprake?
a)
Geslachtelijke voortplanting
b)
Ongeslachtelijke voortplanting
10.
Zaadcellen worden gevormd door ?
a)
Meiose 
b)
Mitose 
c)
Gewone celdeling 
11.

Wat voor DNA zit er in je oogcellen?

a)

alleen DNA voor de kenmerken van het oog

b)

Dat ligt er aan waar in het oog het ligt

c)

Dat kan je niet weten

d)

Alle informatie van je DNA

12.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

13.
Hoe heet een organisme die voor een bepaalde eigenschap identieke allelen heeft?
a)
Een bacterie
b)
Een recessief organisme
c)
Een homozygoot organisme
d)
Een heterozygoot organisme
14.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

15.

Een recessief allel komt tot uiting wanneer

a)

Hij samen met een dominant allel staat

b)

Hij homozygoot voorkomt

c)

Hij heterozygoot voorkomt

d)

hij komt nooit tot uiting

16.

Wanneer een dier BB voor een eigenschap heeft dan is hij

a)

Homozygoot Dominant

b)

Heterozygoot Recessief

c)

Homozygoot recessief

d)

Heterozygoot Recessief

17.
Veel mensen worden in een bepaalde fase van hun leven dikker. Sommigen komen dan veel aan, anderen maar weinig.
Is het, rekening houdend met het onderzoek, waarschijnlijk dat dit verschil in gewichtstoename bij verschillende mensen alleen wordt veroorzaakt door milieufactoren, alleen door het genotype of door beide?
a)
door milieufactoren
b)
door het genotype
c)
door beide (hierboven genoemde)
18.
In de afbeelding zie je schematisch hoe twee zaadcellen en twee eicellen ontstaan. De zaadcellen zijn via reductiedeling ontstaan uit dezelfde moedercel. De zaadcellen hebben waarschijnlijk ..... hetzelfde genotype.
a)
wel
b)
niet
19.
De fuut is een watervogel die bijzonder balts- en paringsgedrag laat zien. Mannetjes maken indruk op de vrouwtjes. Vrouwtjes zijn erg kieskeurig. Wat is een nadeel van deze vorm van geslachtelijk voortplanten?
a)
Nakomelingen zijn anders dan de ouders
b)
Erg is een grote variatie
c)
Dieren kunnen nauwelijks aanpassen aan ziekten
d)
Partnerkeuze kost tijd
20.

Je genotype ontstaat bij de bevruchting van een eicel door een zaadcel

a)

waar

b)

niet waar

21.

Je genotype kun je veranderen

a)

waar

b)

niet waar

22.

Waar is dit een foto van ?

a)

Chromosomen

b)

zaadcellen

c)

eicellen

d)

DNA

23.

Hoeveel chromosomen zitten er in een lichaamscel van de mens?

a)

23

b)

46

c)

32

d)

64

24.

Hoeveel chromosoomparen zitten er in een geslachtscel van de mens?

a)

23

b)

46

c)

zitten geen paren in, zijn enkel

25.

Als je een bruin kleurtje hebt gekregen van de zon, dan is je ............veranderd.

a)

fenotype

b)

genotype

26.

Chromosomen zitten in ...............

a)

Het DNA

b)

de genen

c)

de celkern

27.

Waardoor ontstaat het fenotype?

a)

genotype

b)

invloeden uit het milieu

c)

geen van beiden

d)

zowel genotype als invloeden vanuit het milieu

28.

Is een gen een deel van een chromosoom dat informatie bevat voor alle erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

29.

Wat ontstaat er bij de deling van een moedercel?

a)

een kindercel

b)

een dochtercel

c)

een zooncel

d)

een nakomelingcel

30.

In de eicellen van de vrouw komen allemaal dezelfde genotype voor.

a)

waar

b)

niet waar

31.

In de zaadcellen van de man zitten allemaal verschillende genotype.

a)

waar

b)

niet waar

32.

Albinos komen alleen bij dieren voor.

a)

waar

b)

niet waar

33.

Waardoor ontstaat de bleke, witte kleur van een albino?

a)

ze hebben een witte stof in hun bloed

b)

ze kunnen geen pigment aanmaken waardoor ze bleek,wit zijn

c)

ze hebben een speciale witte laag op hun huid

34.

Stoffen in sigarettenrook en asbest horen bij mutagene invloeden

a)

waar

b)

niet waar

35.

Bij het kleuren van haar verander je ook je genotype

a)

waar

b)

niet waar

36.

Bij het zetten van een tattoo verander je het fenotype

a)

waar

b)

niet waar

37.

Het samensmelten van een eicel met een zaadcel noemen we ongeslachtelijke voortplanting.

a)

waar

b)

niet waar

38.

Thalassemie is een zeer ernstige bloedziekte die het gevolg is van afwijkende rode bloedcellen. De ziekte wordt veroorzaakt door een recessief gen. Iemand die heterozygoot is voor dit gen, wordt een drager genoemd. Een drager heeft meestal voldoende gezonde rode bloedcellen en heeft de ziekte in een minder ernstige vorm.


Komt het gen voor thalassemie in alle gewone lichaamscellen van Rob voor? En in alle zaadcellen?

a)

in alle gewone lichaamscellen en in alle zaadcellen

b)

in alle gewone lichaamscellen en in de helft van de zaadcellen

c)

in de helft van de gewone lichaamscellen en in alle zaadcellen

d)

in de helft van de gewone lichaamscellen en in de helft van de zaadcellen

39.

Sommige planten zijn niet in staat bladgroen te vormen. Dit zogenaamde albinisme berust op de aanwezigheid van een recessief allel. Bij een tabaksplant die heterozygoot is voor deze eigenschap treedt zelfbestuiving op. Er ontstaan 600 zaden. Na kieming ontstaan hieruit kiemplanten.


Hoeveel van deze kiemplanten zullen naar verwachting albino zijn?

a)

0

b)

150

c)

300

d)

600

40.

Twee witte Leghorns worden met elkaar gekruist.

De stamboom geeft de resultaten van deze kruising weer.


Wat is het genotype van de ouders?

a)

Beide AA

b)

Beide Aa

c)

Beide aa

d)

Aa en Aa

41.

Cavia's kunnen zwartharig en witharig zijn. Zwart is dominant. Gegeven zijn de volgende vier kruisingen:


Bij welke van de kruisingen is de kans op een witte cavia het grootst?

a)

heterozygoot X homozygoot dominant

b)

homozygoot dominant X homozygoot recessief

c)

homozygoot recessief X heterozygoot

d)

heterozygoot X heterozygoot

42.

De Manx is een staartloze kat. De eigenschap staartloos is het gevolg van het dominante gen A.

Voor fokkers van dit ras doet zich het volgende probleem voor: homozygoot staartloze jongen zijn niet levensvatbaar. Ze sterven voor de geboorte.

Wat is het genotype van een levende staartloze kat?

a)

aa

b)

Aa

c)

AA

d)

AA of Aa

43.

Krijgt een jongen het X-chromosoom van zijn vader of moeder?

En van wie heeft hij het Y-chromosoom gekregen?

a)

Het X-chromosoom kan alleen van zijn moeder komen; het Y-chromosoom alleen van zijn vader.

b)

Het X-chromosoom kan alleen van zijn vader komen; het Y-chromosoom alleen van zijn moeder.

c)

Het X-chromosoom kan zowel van zijn vader als moeder komen; het Y-chromosoom alleen van zijn vader.

d)

Het X-chromosoom kan zowel van zijn vader als moeder komen; het Y-chromosoom alleen van zijn moeder.

44.

Bij cavia's is korte haren dominant over lange haren.

Twee heterozygote cavia's paren met elkaar en krijgen jongen.


Welke verhouding in fenotypes verwacht je bij de nakomelingen?

a)

100% lange haren

b)

100 % korte haren

c)

25% lange haren / 75% korte haren

d)

25% korte haren / 75% lange haren

45.

Sommige mensen zijn niet in staat om pigment te vormen in hun huid, in hun haren en in de iris van hun ogen. Zo iemand wordt een albino genoemd.

Bij mensen is het gen voor albinisme recessief. Een echtpaar krijgt een tweeling. De ene baby heeft een donkere huid. De andere baby is een albino.

Kan deze tweeling één-eiig zijn? En twee-eiig?

a)

alleen één-eiig

b)

alleen twee-eiig

c)

zowel één-eiig als twee-eiig

46.

In vier celkernen van mensen zitten de volgende geslachtschromosomen:

Celkern 1: XX

Celkern 2: X

Celkern 3: XY

Celkern 4: Y

Welke celkern (nummer noemen) kan van een darmcel van een man zijn?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

47.

Bij rundvee is zwartbont dominant over roodbont (zwartbont = Z en roodbont = z). Uit twee zwartbonte ouders ontstaat een roodbont kalf. Welke genotypes hebben de ouders dan?

a)

ZZ en ZZ

b)

Zz en Zz

c)

ZZ en zz

d)

Zz en ZZ

48.

In welke van onderstaande cellen zou je een X-chromosoom kunnen aantreffen:

a. een spermacel

b. een onbevruchte eicel

c. een bevruchte eicel

a)

alleen in a

b)

alleen in b

c)

allen in c

d)

in a,b, en c

49.

In de afbeelding is een stamboom de overerving van albinisme bij een gezin weergegeven. De ouders uit dit gezin krijgen krijgen een vierde kind. Hoe groot is de kans dat dit kind pigment heeft?

a)

25%

b)

50%

c)

75%

d)

0 %

50.

Persoon nummer 4 heeft als enige blauwe ogen (genotype is bb). De rest heeft bruine ogen. Van welke personen in deze stamboom kun je met zekerheid zeggen dat ze het genotype Bb hebben?

a)

1 en 2

b)

alleen 1

c)

3 en 5

d)

alleen 4

51.

Iemand, die in staat is zijn tong op te rollen is in het bezit van het allel R. Een persoon die zijn tong niet kan oprollen (rr) heeft twee zusters, die dit wel kunnen. Zijn beide ouders kunnen dit ook.


Welke genotypen van de ouders en de zusters zijn dan mogelijk?

a)

Ouders RR en Rr, zusters RR en/of Rr.

b)

Ouders Rr en Rr, zusters alleen RR.

c)

Ouders RR en Rr, zusters alleen Rr.

d)

Ouders Rr en Rr, zusters RR en/of Rr.

52.

Bij fruitvliegjes komen vliegen voor met normale vleugels en met korte vleugels.

Een vlieg met normale vleugels wordt gekruist met een vlieg met korte vleugels. Alle 80 nakomelingen hebben normale vleugels. Deze worden onderling opnieuw gekruist.


Hoeveel procent van deze nakomelingen is heterozygoot?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

53.

Het kunnen rollen van je tong is afhankelijk van de aanwezigheid van een dominant gen.


Een zwangere moeder, die haar tong niet kan rollen, krijgt een kind met een vader die dit wel kan. Deze vader is heterozygoot voor deze eigenschap.


Hoe groot is de kans dat hun kind later kan tongrollen?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

100%

e)

Dat kun je niet weten

54.

Krullend haar (A) is dominant boven sluik haar (a). Wat is de fenotypeverhouding in de F1-fase, bij de kruising: Aa * aa?

a)

3 krullend haar en 1 sluik haar

b)

2 krullend haar en 2 sluik haar

c)

1 krullend haar en 3 sluik haar

d)

4 krullend haar en 0 sluik haar

55.

Bij het gen van oogkleur is bruin dominant over blauwe ogen. Harm zijn vader heeft blauwe ogen, terwijl Harm zelf bruine ogen heeft.

Is Harm heterozygoot of homozygoot voor oogkleur?

En heeft Harms moeder bruine of blauwe ogen?

a)

Heterozygoot / moeder bruine ogen

b)

Homozygoot / moeder bruine ogen

c)

Heterozygoot / moeder blauwe ogen

d)

Homozygoot / moeder blauwe ogen

e)

Heterozygoot / moeder blauwe of bruine ogen

56.

Een fruitvlieg met een zwart lichaam wordt gekruist met een fruitvlieg met een grijs lichaam. Alle individuen van de F1 zijn grijs. Deze F1-individuen worden onderling gepaard.

Van de 113 individuen van de F2 zijn er 84 grijs en 29 zwart.


Hoeveel van de 84 grijze individuen van de F2 zullen er, naar verwachting, heterozygoot zijn?

a)

28

b)

42

c)

56

d)

allemaal

57.

Bij konijnen komen verschillende vachtkleuren voor, zoals een donkere vacht en een vachtkleur die ’Himalaya-type’ wordt genoemd. Het gen voor donkere vachtkleur is dominant (A).


De stamboom in afbeelding 6 geeft de overerving van de vachtkleur in een konijnenfamilie

weer. Geef de genotypen van konijn 1, 2 en 3.

a)

1 = Aa / 2 = Aa / 3 = aa

b)

1 = Aa / 2 = AA / 3 = aa

c)

1 = aa / 2 = aa / 3 = Aa

d)

1 = aa / 2 = aa / 3 = AA

e)

1 = Aa of AA / 2 = Aa of AA / 3 = aa