wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H4 Thema 7 Ecologie

Total questions: 47

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Een vleeseter kan voorkomen in de ........... schakel van de voedselketen

a)

Eerste

b)

Tweede

c)

Derde en hogere

2.

Welke groep in de pyramide zijn planteneters?

a)

Producenten

b)

Consumenten 1e orde

c)

Consumenten 2e orde

d)

Consumenten 3e orde

3.

In de afbeelding zie je een voedselweb. Uit hoeveel organismen bestaat de langste voedselketen?

a)

3

b)

4

c)

5

d)

6

4.

De korenwolf (hamsterachtige) eet granen, het is een consument

a)

van de eerste orde en van het 1e trofisch niveau

b)

van de eerste orde en van het 2e trofisch niveau

c)

van de tweede orde en van het 2e trofisch niveau

d)

van de tweede orde en van het 3e trofisch niveau

5.

Berkenbomen komen pas in een ecosysteem wanneer er voldoende hummus in de grond. Berken zijn dus een...

a)

pioniersoort

b)

climaxsoort

c)

hummusminnend soort

d)

profiteursoort

6.

De zogenaamde 'mierenmoeder' is een slang die in mierennesten leeft. De slang heeft hierdoor een lekker warme plek om te rusten en jaagt ondertussen andere mierenetende slangen weg. Dit is een vorm van:

a)

Parasitisme

b)

Commensalisme

c)

Mutualisme

d)

Predatie

7.

Aan welke voorwaarden voldoet een goed-opgesteld voedselweb? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

De pijlen volgen de richting van de voedselstromen

b)

Er staat altijd een producent in

c)

Benoem soortsnamen (zoals genoemd in de opgave)

d)

De pijlen moeten recht zijn

e)

Er mogen groepen genoemd worden

8.

Van welk type samenleven is er sprake bij jou en jouw darmflora?

a)

symbiose

b)

concurrentie

c)

commensalisme

d)

mutualisme

e)

parasitisme

9.

Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden:

Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.

Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.

Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.

Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.


Welke leerling geeft een juist voorbeeld?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

Geen enkele leerling

10.
In het Andesgebergte in Colombia vind je verschillende vegetatiezones. Van laag naar hoog: tropisch bos, bergbos, struikpáramo (een zone met voornamelijk struikgewas) en ten slotte páramo (een soort alpenweide zonder bomen en struiken). Daarboven is geen vegetatie meer, maar bevindt zich eeuwige sneeuw. 
Welke abiotische factor is vooral verantwoordelijk voor het opschuiven van de verschillende vegetatiezones in de Andes?
a)
temperatuur
b)
water
c)
wind
d)
licht
11.

Welk begrip past bij de volgende zin: De omstandigheden waarin organismen leven, zoals de water- en de bodemkwaliteit en de concurrentie met andere organismen

a)

Ecosysteem

b)

Milieu

c)

Draagkracht

d)

Uitputting

12.

Welke organisme(n) voeren ammonificatie uit? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Urobacteriën

b)

Rottingsbacteriën

c)

Nitrietbacteriën

d)

Deammonificerende

13.

Waardoor komt er CO2 vrij bij de verbranding van fossiele brandstoffen?

a)

Dode planten worden omgezet in bruinkool en steenkool

b)

Door fotosynthese wordt koolstof vastgelegd

c)

Koolstof is een bestanddeel van aardolie en steenkool

d)

Koolstofverbindingen maken deel uit van de koolstofkringloop

14.

Welk deel van de tekening laat een oorzaak zien van het versterkte broeikaseffect?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

e)

E

15.

Wat is milieu-uitputting?

a)

Het vervuilen van onze leefomgeving door afval in de kringlopen achter te laten, hierdoor raken de kringlopen verstoord

b)

Het uit het milieu halen van stoffen in zo’n tempo dat het milieu het niet kan herstellen

c)

De door mens veroorzaakte verandering in het milieu waardoor de leefgebieden van planten en dieren kleiner worden of zelfs verdwijnen

16.

Wat is het natuurlijke broeikaseffect?

a)

De dampkring houdt een deel van de warmte vast die door de aarde word uitgestraald (nadat eerst de zon de aarde heeft verwarmd)

b)

De mensen brengen te veel broeikasgassen in de atmosfeer; waardoor het op aarde warmer word

c)

Het broeikaseffect is het proces waarbij warmtestraling van een planetair oppervlak geabsorbeerd wordt door atmosferische broeikasgassen en vervolgens uitgezonden wordt in alle richtinge

17.

Met welk woord wordt de celademhaling / verbranding van cellen aangegeven?

(a)  

18.

Deammonifacatie is een proces dat loopt zonder zuurstof. Aan welk woord an je dat zien in de binas?

(a)  

19.

Wat doen nitrietbacterien in de stikstofkringloop?

a)

NH3 --> Nh4

b)

N2 --> NOx

c)

NH4+ --> NO2-

d)

NO2- --> NO3-

20.

Wat doen knolletjesbacterien in de stikstofkringloop?

a)

N2 --> NH3 / NH4+

b)

NH4+ / NH3 --> N2

c)

NO3- --> NH4+

d)

NH3--> NH4+

21.

Welke organismen horen op plek 1 te staan?

a)

Producenten

b)

Consumenten

c)

Reducenten

d)

Dieren

22.

Welke organismen horen op plek 2 te staan?

a)

Consumenten

b)

Producenten

c)

Reducenten

23.

Welke organismen horen op plek 3 te staan?

a)

Reducenten

b)

Consumenten

c)

Producenten

24.

Welk cijfer geeft de fotosynthese aan in de koolstofkringloop?

a)

1

b)

2

c)

4

d)

5

25.

Wat ontbreekt nog bij de producenten in deze koolstofkringloop?

a)

Een pijl van producenten naar consumenten

b)

Een pijl van de consumenten naar producenten

c)

Een pijl van de producenten naar koolstofdioxide

d)

Een pijl van koolstofdioxide naar de producenten

26.

Wat is de functie van nitraat in planten? Meerdere antwoorden goed.

a)

Het maken van eiwitten

b)

Het maken van zuurstof

c)

Het maken van glucose

d)

Het maken van water

e)

Het maken van DNA

27.

Wat gebeurt er bij de afbraak van doden resten door rottingsbacteriën in de stikstofkringloop?

a)

Er komt ammoniak vrij

b)

Er komt stikstof vrij

c)

Er komt glucose vrij

d)

Er komt zuurstof vrij

28.

Hoe het het proces dat rottingsbacteriën verzorgen in de stikstofkringloop?

a)

Nitrificatie

b)

Ammonificatie

c)

Stikstoffixatie

d)

Denitrificatie

e)

Deammonificatie

29.
In een voedselketen wordt de biomassa in elke volgende schakel kleiner.
a)
juist
b)
onjuist
30.

In een voedselketen gaat een deel van de energie verloren aan dissimilatie.

a)
juist
b)
onjuist
31.

Vanaf welke temperatuur gaat enzym X denatureren?

a)

0 graden

b)

2 graden

c)

11 graden

d)

23 graden

e)

31 graden

32.

Bekijk de afbeelding.

De slangenpopulatie neemt ineens explosief toe. Wat is het effect op de keverpopulatie?

a)

Die neemt af

b)

Die neemt toe

c)

Die veranderd niet

d)

Dit kan je niet weten

33.

Op de open plek waar de bomen zijn gekapt, zullen mossen een deel van de bodem bedekken en er zullen zaden ontkiemen. Kleine éénjarige plantensoorten zoals Vogelmuur en Klein springzaad zullen binnen een paar maanden op de onbegroeide plek groeien. Na verloop van tijd groeien er ook grotere plantensoorten zoals Gewoon vingerhoedskruid en Wilgeroosje. Na enkele jaren zullen deze plantensoorten verdrongen zijn door struiken en bomen. Onder de bomen en struiken groeien dan bijvoorbeeld varens en Dalkruid.

Over de beschreven veranderingen in de plantengroei op de plek waar de bomen zijn gekapt, doen twee leerlingen een bewering:
Arnold: "De beschreven veranderingen in de plantengroei op die plek zijn een voorbeeld van successie."
Marije: "Dat er veranderingen zijn in de plantengroei op die plek is uitsluitend een gevolg van veranderingen in biotische factoren."

Van welke leerling of van welke leerlingen is de bewering juist?

a)

Geen van beide

b)

Alleen van Arnold

c)

 Alleen van Marije

d)

Van Arnold en van Marije

34.

Twee bepaalde, nauw verwante soorten kevers kunnen in gevangenschap lang in leven worden gehouden mits zij van elkaar gescheiden zijn. Uit een experiment blijkt dat na verloop van korte tijd, één van beide soorten uitsterft wanneer deze twee soorten samen in één ruimte moeten leven. Welke soort uitsterft, hangt af van de relatieve vochtigheid en de temperatuur in de ruimte.
In de diagrammen zijn de resultaten van dit experiment weergegeven.
Naar aanleiding van de resultaten van dit experiment worden de volgende beweringen gedaan:
1 Het uitsterven van één van de twee soorten kevers is in beide onderzochte situaties het gevolg van competitie.
2 Het uitsterven van één van de twee soorten kevers wordt in beide onderzochte situaties veroorzaakt doordat de tolerantiegebieden van beide soorten elkaar niet overlappen.
3 De competitie tussen de twee soorten kevers wordt beïnvloed door abiotische factoren.

Welke van deze beweringen kan of welke kunnen juist zijn op grond van de uitkomsten van dit experiment?

a)

Alleen 1

b)

Alleen 3

c)

1 en 2

d)

1 en 3

e)

2 en 3

35.

Een belangrijk prooidier van de torenvalk is de woelmuis. Woelmuizen laten in hun leefgebied geursporen achter die bestaan uit urine en uitwerpselen. De achterste delen van hun lichaam zijn meestal doorweekt met urine. De urine van de woelmuizen weerkaatst UV-licht. Torenvalken kunnen in tegenstelling tot mensen UV-licht waarnemen. Verondersteld wordt dat torenvalken daardoor in korte tijd een groot gebied onderzoeken op de aanwezigheid van woelmuizen.

Welke van de onderstaande biologische termen is van toepassing op de relatie tussen torenvalk en woelmuis?

a)

Competitie

b)

Predatie

c)

Symbiose

36.

Wat is de definitie van het begrip draagkracht?

a)

De hoeveelheid voedsel die beschikbaar is in een ecosysteem voor een bepaalde soort.

b)

Het maximale aantal individuen van een soort dat in een bepaald gebied kan leven, zonder het ecosysteem blijvend te beschadigen.

c)

De snelheid waarmee een populatie zich kan voortplanten onder optimale omstandigheden.

d)

Het totale oppervlak van een gebied dat bewoond kan worden door een bepaalde soort.

37.


In Noord-Holland bevindt zich de ruïne Nuwendoorn. De in 1960 teruggevonden resten van deze oude burcht uit de tijd van Floris V bestaan uit de contouren van een kasteel, een slotgracht en een waterput. In de jaren tachtig is er een heemtuin aangelegd. Een heemtuin is een tuin waarin wilde planten uit de omgeving zijn samengebracht. Het gebied is ongeveer 1 ha groot.

In het hele terrein Nuwendoorn heeft de mens ingegrepen en komen dus geen natuurlijke ecosystemen voor. Indien men het beheer van het terrein zou stoppen zou in de verschillende kunstmatige ecosystemen een climaxvegetatie kunnen ontstaan.
Welk ecosysteem op het terrein van Nuwendoorn moet de langste successiereeks ondergaan om zich tot een climaxvegetatie te ontwikkelen?

a)

Het bos

b)

De heemtuin

c)

Het weiland

38.

Er is volop leven in de diepzee, maar plantaardige organismen komen daar niet voor. Dat er wel andere levensvormen voorkomen, is meestal een gevolg van een continue voedselstroom van afgestorven organismen uit hogere lagen. Soms is er echter sprake van een volledig voedselweb. In de zogenaamde 'black smokers' bij Papoea-Nieuw-Guinea komen autotrofe bacteriën voor. Smokers zijn grote kegelvormige bergen van zwavelverbindingen op de bodem van de zee, waaruit oververhit water van 300 °a:omhoog spuit onder een druk van 265 atmosfeer. De genoemde autotrofe bacteriën zijn in staat om bepaalde mineralen (bijvoorbeeld sulfiden/zwavelverbindingen), die in water in flinke hoeveelheden oplossen, te oxideren. Hierbij komt energie vrij die benut wordt voor de opbouw van organische moleculen.

Welke ecologische rol spelen de in de tekst genoemde bacteriën?

a)

 Die van consumenten

b)

Die van producenten

c)

Die van reducenten

39.

De door de bacterie geleverde stikstofverbindingen worden in de plant gebruikt voor assimilatie. Welk van de onderstaande stoffen bevatten als gevolg van deze assimilatie stikstof? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Aminozuren

b)

Cellulose

c)

Glucose

d)

Vetzuren

e)

Chlorofyl

40.

Pesticiden hebben een aantal nadelen en enkele daarvan zijn;

a)

ze zijn soortspecifiek

b)

er kan resistentie ontstaan

c)

ze zijn effectief

d)

accumuleren in de voedselketen

41.

Wat is eutrofiëring?

a)

Door teveel voedingszouten ontstaat waterbloei

b)

Door teveel voedingszouten neemt de biodiversiteit toe

c)

Door te weinig voedingszouten neemt de biodiversiteit af

d)

Door te weinig voedingszouten ontstaat waterbloei

42.

Wat is een ander woord voor eutrofiëring?

a)

vermesting

b)

accumulatie

c)

waterbloei

d)

nitraat

43.

Wat is het verschil tussen resistentie en persistentie?

a)

Persistentie: zeer langzaam afgebroken

Resistentie: tegen het gif kunnen

b)

Persistentie: tegen het gif kunnen

Resistentie: zeer langzaam afgebroken

c)

Persistentie: voorkomt accumulatie

Resistentie: tegen het gif kunnen

d)

Persistentie: tegen het gif kunnen

Resistentie: voorkomt accumulatie

44.

Welke organismen zullen vooral problemen krijgen door bio-accumulatie?

a)

producenten

b)

consumenten van de 1e orde

c)

consumenten van de 3e orde

d)

reducenten

45.

Wat gebeurt er met de hoeveelheid energie in een voedselketen?

a)

Die wordt steeds groter, doordat er steeds meer organismen bij komen

b)

Die wordt steeds groter, doordat elke schakel de vorige eet

c)

Die wordt steeds kleiner, doordat er in elke schakel dissimilatie optreedt

d)

Die wordt steeds kleiner, doordat elke schakel de vorige eet

46.

Wat zijn kenmerken van secundaire successie? Meerdere antwoorden goed.

a)

Er is al organisch materiaal aanwezig in de bodem

b)

Verloopt sneller dan primaire successie

c)

Start met uitsluitend autotrofe organismen

d)

Start met uitsluitend heterotrofe organismen

47.

Welke rijtje staat in de juiste chronologische volgorde?

a)

Fotosynthese, vorming organisch afval, mineralisatie, humusvorming

b)

Fotosynthese, mineralisatie, humusvorming, vorming organisch afval

c)

Mineralisatie, humusvorming, fotosynthese, vorming organisch afval

d)

Humusvorming, mineralisatie, fotosynthese, vorming organisch afval