wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

erfelijkheid

Total questions: 48

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Vachtkleur, oogkleur, groene bladeren en sproeten zijn voorbeelden van

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Milieu

2.

Vanaf welk moment staat het genotype vast?

a)

De eicel

b)

De geboorte

c)

Vanaf het moment dat het organisme 1 jaar in leven is

d)

De bevruchting van de eicel met zaadcel

3.

Het fenotype wordt bepaald door

a)

Genotype

b)

Milieu

c)

Genotype en milieu

d)

Je keuzes in het leven

4.

Een gemiddelde lichaamscel van een mens bevat ... chromosomen

a)

23

b)

46

c)

47

d)

2

5.

Het dna bevindt zich in

a)

De celkern

b)

De lichaamscel

c)

Het cytoplasma

d)

Mitochondriën

6.

De genen voor haargroei zijn aanwezig in levercellen

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

Een gen is een stukje DNA waarop de informatie ligt voor één eigenschap

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

Wanneer de eigenschap voor bruine ogen dominant is en een persoon heeft bruine ogen dan is hij/zij waarschijnlijk .... voor deze eigenschap

a)

Homozygoot

b)

Heterozygoot

c)

Homozygoot en heterozygoot zijn beide mogelijk

9.

Bij het maken van een kruisingstabel worden de doorgegeven genotypen opties van de man op de verticale lijn gezet, die van de vrouw worden weer gegeven op de horizontale lijn

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

Welke celdeling vindt plaats in de geslachtsorganen?

a)

Mitose (de cel kopieert zichzelf van één moedercel tot twee identieke dochtercellen)

b)

Mitose (de cel kopieert zichzelf uit één moeder cel ontstaan vier variërende dochtercellen)

c)

Meiose (de cel kopieert zichzelf van één moedercel tot twee identieke dochtercellen)

d)

Meiose (de cel kopieert zichzelf uit één moeder cel ontstaan vier variërende dochtercellen)

11.

Wanneer de vader het genotype Bb en de moeder het genotype BB bevat geef je dat als volgt weer

a)
b)
c)
d)
12.

Wanneer je de bovenstaande tabel hebt en je te maken hebt met de letale factor zijn de fenotype verhoudingen als volgt. Beide ouders hebben een punt staart i.p.v. rond.

a)

KK:Kk:kk=1:2:1

b)

Kk:kk=2:1

c)

Gespits:punt:rond=1:2:1

d)

Punt:rond=2:1

13.

Een heterozygote vrouw met bruin haar krijgt kinderen met een man met blond haar. Blond haar is recessief. Hoe groot is de kans dat zij kinderen krijgen met het genotype voor blond haar.

a)

Blond:bruin=1:1

b)

Aa:aa=1:1

c)

aa= 50%

d)

Blond=50%

14.
Veel mensen worden in een bepaalde fase van hun leven dikker. Sommigen komen dan veel aan, anderen maar weinig.
Is het, rekening houdend met het onderzoek, waarschijnlijk dat dit verschil in gewichtstoename bij verschillende mensen alleen wordt veroorzaakt door milieufactoren, alleen door het genotype of door beide?
a)
door milieufactoren
b)
door het genotype
c)
door beide (hierboven genoemde)
15.
Kleurenblindheid is een recessieve aandoening. We kunnen dan zeggen dat kleurenblindheid ontstaat bij mensen met:
a)
Twee zwakke genen (a-a)
b)
Twee sterke genen (A-A)
c)
Twee ongelijke genen (A-a)
d)
Als hij altijd ziek wordt
16.
Bij maïsplanten komt een dominant gen R voor dat er voor zorgt dat maïskorrels heel hard worden. Een plant met genotype Rr wordt gekruisd met een andere plant met genotype Rr.
Hoeveel procent de maïsplanten in de F1 heeft harde zaden?
a)
25%
b)
50%
c)
75%
d)
82,2%
17.
Je ziet in de afbeelding een krokusknol met enkele scheuten. De scheuten kunnen van de knol worden gehaald en verder groeien als afzonderlijke planten.
Welke bewering over de jonge planten is juist?
a)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
b)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
c)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
d)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
18.
Je ziet in de afbeelding een tomatenplant met enkele tomaten. In de tomaten zitten zaden. Uit de zaden kunnen zich nieuwe planten ontwikkelen.
Wat is juist?
a)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
b)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
c)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
d)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
19.
Bij welk type voortplanting hebben de nakomelingen altijd hetzelfde genotype als de oudergeneratie?
a)
Bij geslachtelijke voortplanting.
b)
Bij ongeslachtelijke voortplanting.
20.

Hoeveel chromosomen heeft een mens

a)

46 paar

b)

46

c)

23 paar

d)

23

21.

Hoeveel chromosomen heeft een geslachtscel van een mens

a)

46 paar

b)

46

c)

23 paar

d)

23

22.

Wat voor DNA zit er in je oogcellen?

a)

alleen DNA voor de kenmerken van het oog

b)

Dat ligt er aan waar in het oog het ligt

c)

Dat kan je niet weten

d)

Alle informatie van je DNA

23.

Kies het grootste deel

a)

Chromosoom

b)

allelenpaar

c)

gen

d)

genenpaar

24.

Wat is een allel?

a)

Een gen

b)

Een variant van een gen

c)

Een chromosoom

25.

Hoe kan het dat een spermacel maar de helft van de chromosomen bevat?

a)

Door mitose

b)

Door meiose

c)

Deze zijn vanaf de geboorte zo aanwezig in het lichaam van een man

26.
Een eeneiige tweeling is niet identiek.
a)
waar
b)
niet waar
27.
Jesse's haar is zwart. Dit besluit hij blauw te verven. Wat is zijn fenotype?
a)
blauw
b)
zwart
c)
zwart en blauw 
d)
beide kleuren niet
28.
Het genotype kan veranderen na mate je ouder word.
a)
waar
b)
niet waar
29.
Het fenotype kan veranderen na mate je ouder word.
a)
waar
b)
niet waar
30.
a)

Een eiig, maar hun genotype verschilt

b)

Twee eiig, want hunt genotype verschilt

c)

Een eiig, maar hun fenotype verschilt

d)

Twee eiig, want hunt fenotype verschilt

31.

Je genotype ontstaat bij de bevruchting van een eicel door een zaadcel

a)

waar

b)

niet waar

32.

Je genotype kun je veranderen

a)

waar

b)

niet waar

33.

Waar is dit een foto van ?

a)

Chromosomen

b)

zaadcellen

c)

eicellen

d)

DNA

34.

Hoeveel chromosomen zitten er in een lichaamscel van de mens?

a)

23

b)

46

c)

32

d)

64

35.

Hoeveel chromosoomparen zitten er in een geslachtscel van de mens?

a)

23

b)

46

c)

zitten geen paren in, zijn enkel

36.

In een eicel zit erfelijk materiaal van vader en moeder

a)

waar

b)

niet waar

37.

Als je een bruin kleurtje hebt gekregen van de zon, dan is je ............veranderd.

a)

fenotype

b)

genotype

38.

Chromosomen zitten in ...............

a)

Het DNA

b)

de genen

c)

de celkern

39.

Waardoor ontstaat het fenotype?

a)

genotype

b)

invloeden uit het milieu

c)

geen van beiden

d)

zowel genotype als invloeden vanuit het milieu

40.

Is een gen een deel van een chromosoom dat informatie bevat voor alle erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

41.

Wat ontstaat er bij de deling van een moedercel?

a)

een kindercel

b)

een dochtercel

c)

een zooncel

d)

een nakomelingcel

42.

Wat ontstaat er bij de deling van een moedercel?

a)

een kindercel

b)

een dochtercel

c)

een zooncel

d)

een nakomelingcel

43.

In de eicellen van de vrouw komen allemaal dezelfde genotype voor.

a)

waar

b)

niet waar

44.

In de zaadcellen van de man zitten allemaal verschillende genotype.

a)

waar

b)

niet waar

45.

Albinos komen alleen bij dieren voor.

a)

waar

b)

niet waar

46.

Bij het kleuren van haar verander je ook je genotype

a)

waar

b)

niet waar

47.

Bij het zetten van een tattoo verander je het fenotype

a)

waar

b)

niet waar

48.

Het samensmelten van een eicel met een zaadcel noemen we ongeslachtelijke voortplanting.

a)

waar

b)

niet waar