wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3TL Hoofstuk 3 Organismen leven samen 3.1 t/m 3.5

Total questions: 52

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

Hoe noemen we de levende invloeden uit de natuur?

a)

Ecosysteem

b)

Biotoop

c)

Abiotische invloeden

d)

Biotische invloeden

2.

Wat is GEEN voorbeeld van een biotische invloed?

a)

Soortgenoten

b)

Humus

c)

Een boom als schuilplaats

d)

Predator

3.

Wat is GEEN voorbeeld van een abiotische invloed?

a)

Temperatuur

b)

Wind

c)

Zonlicht

d)

Een omgevallen boom

4.

Welke naam hoort bij de volgende omschrijving:

'Een gebied dat bestaat uit biotische en abiotische factoren'.

a)

Levensgemeenschap

b)

Ecosysteem

c)

Populatie

d)

Individu

5.

Wat zijn voorbeelden van een biotoop?

a)

Bos

b)

Vos

c)

Sloot

d)

Groep konijnen

6.

Welke letter geeft type kies aan dat een schaap heeft?

a)

Letter Q

b)

Letter R

c)

Letter S

7.

Van welk type eter zou deze schedel kunnen zijn?

a)

Vleeseter

b)

Alleseter

c)

Planteneter

8.

Dit is een afbeelding van het gebit van een wild zwijn (alleseter). Welke tanden komen in het gebit van een wild zwijn voor?

a)

Snijtanden en plooikiezen.

b)

Hoektanden en knipkiezen.

c)

Hoektanden, snijtanden en knipkiezen.

d)

Hoektanden, snijtanden en knobbelkiezen.

9.

Van welke type eter zouden dit de tanden kunnen zijn?

a)

Vleeseter

b)

Alleseter

c)

Planteneter

10.

Met deze letter wordt het orgaan aangegeven dat als functie 'voortplanten' heeft.

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

11.

Wat is de juiste formule voor fotosynthese?

a)

koolstofdioxide + zuurstof + zonlicht --> glucose + water

b)

water + zuurstof + zonlicht --> glucose + koolstofdioxide

c)

water + koolstofdioxide --> glucose + zuurstof

d)

koolstofdioxide + water + zonlicht --> glucose + zuurstof

12.

Je ziet hier een dwarsdoorsnede van een blad. In welk weefsel worden de meeste bladgroenkorrels gevonden?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

13.

Je ziet hier een schematische tekening van de doorsnede van een stengel. Welke letter wijst een bastvat aan?

a)

Letter a

b)

Letter b

c)

Letter c

14.

Wat is geen kenmerk van een houtvat?

Let op: meerdere antwoorden zijn mogelijk.

a)

Hierdoor stroomt water met mineralen uit de wortels omhoog.

b)

Hierdoor stroomt water met glucose en andere voedingsstoffen voedingsstoffen vanuit de bladeren naar de andere delen van de plant.

c)

Ze liggen aan de binnenkant van een vaatbundel.

d)

Ze liggen aan de buitenkant van een vaatbundel.

15.

Hoe komt het dat water uit de grond boven in de plant komt?

a)

De bastvaten vervoeren het water richting het blad.

b)

Dat komt door de zuigkracht in de bladeren.

c)

Dat komt door fotosynthese.

16.

Zie je hier een dwarsdoorsnede van een weefsel of een orgaan?

a)

Weefsel

b)

Orgaan

17.

In informatie 7 staat, dat vaten in de aardappelplant verstopt raken als gevolg van de verwelkingsziekte. Welke vaten raken dan verstopt?

a)

Alleen de bastvaten

b)

Alleen de houtvaten

c)

Zowel de bastvaten als de houtvaten

18.

De watergentiaan heeft bladeren die op het water drijven. Waar zitten de huidmondjes bij zulke bladeren?

a)

alleen aan de bovenzijde van het blad

b)

alleen aan de onderzijde van het blad

c)

aan beide zijden van het blad

19.

Stofzaad is een zeldzame plantensoort met een geel-witte stengel en geel-witte, schubvormige blaadjes. In en om de wortels van de stofzaadplant groeit een bepaalde schimmel. Deze schimmel neemt stoffen op uit de bodem en geeft die door aan de wortels van de stofzaadplant. Dezelfde schimmel groeit ook door tot in de wortels van een boom in de buurt. Uit de wortels van die boom neemt de schimmel een stof op die de stofzaadplant niet zelf kan maken. Deze stof geeft de schimmel ook door aan de stofzaadplant.


Enkele stoffen zijn: glucose, koolstofdioxide, mineralen en water.


Welke van deze stoffen worden door de schimmel opgenomen uit de bodem en doorgegeven aan de stofzaadplant? (Let op: meerdere antwoorden zijn mogelijk.)

a)

Glucose

b)

Koolstofdioxide

c)

Mineralen

d)

Water

20.

De schimmel die de iepenziekte veroorzaakt, verspreidt zich via de houtvaten steeds verder in de boom. De houtvaten raken verstopt en binnen een jaar sterft de boom.


Wordt door het verstoppen van de houtvaten het transport van water geremd?

En wordt het transport van mineralen geremd?

a)

Het transport van water en van mineralen wordt niet geremd.

b)

Alleen het transport van water wordt geremd.

c)

Alleen het transport van mineralen wordt geremd.

d)

Zowel het transport van water als van mineralen wordt geremd.

21.

Door gangen te boren in de stengel van een maïsplant kunnen rupsen het vervoer van water, mineralen en suikers verstoren


Verstoort de Europese maïsboorder het vervoer in de bastvaten? En in de houtvaten?

a)

Alleen in de bastvaten

b)

Alleen in de houtvaten

c)

Zowel in de houtvaten als de bastvaten.

22.

Wat is de juiste notatie voor fotosynthese?

a)

water + zuurstof + zonlicht --> glucose + koolstofdioxide

b)

water + koolstofdioxide --> glucose + koolstofdioxide

c)

water + koolstofdioxide + zonlicht --> glucose + zuurstof

d)

water + zuurstof --> glucose + koolstofdioxide

23.

Wat is de juiste notatie voor verbranding?

a)

glucose + zuurstof --> energie + koolstofdioxide + water

b)

glucose + koolstofdioxide --> energie + zuurstof + water

c)

water + koolstofdioxide --> energie + zuurstof + glucose

d)

water + zuurstof --> energie + koolstofdioxide + glucose

24.

Erwtenplanten maken zetmeel. Zetmeel is voor jou een belangrijke voedingsstof. Wat voor soort stof is een zetmeel?

a)

Een eiwit

b)

Een koolhydraat

c)

Een vet

25.

Anne zegt: "Glucose wordt alleen gemaakt in cellen met bladgroenkorrels.

Levi zegt: "Glucose is een energierijke stof".

Wie heeft er gelijk?

a)

Anne heeft gelijk

b)

Levi heeft gelijk

c)

Anne en Levi hebben allebei gelijk

d)

Anne en Levi hebben allebei geen gelijk

26.

Welke zin hoort bij verbranding?

a)

Bij dit proces legt een plant energie vast in glucose.

b)

Dit proces vindt alleen overdag plaats.

c)

Bij dit proces ontstaat koolstofdioxide.

d)

Bij dit proces ontstaat zuurstof.

27.

In een kas staan paprikaplanten. De planten staan in het licht. Wat gebeurt er met de hoeveelheid koolstofdioxide in de kas?

a)

De hoeveelheid koolstofdioxide neemt af.

b)

De hoeveelheid koolstofdioxide neemt toe.

c)

De hoeveelheid koolstofdioxide blijft ongeveer gelijk.

28.

De plant maakt uit glucose andere voedingsstoffen. Wat kan de plant niet maken uit glucose?

a)

Zetmeel

b)

Vetten

c)

Mineralen

d)

Vitaminen

e)

Cellulose

29.

Wat zijn beschermende stoffen?

a)

Zetmeel

b)

Vitaminen

c)

Suiker

d)

Vetten

30.

Wat slaat de plant niet op als reservevoedsel?

a)

Zetmeel

b)

Suiker

c)

Vetten

d)

Cellulose

31.

Welk deel van een plant eet je om eiwitten binnen te krijgen?

a)

Blad

b)

Vrucht

c)

Bloem

d)

Zaad

32.

Vruchten zijn vaak zoet. Hoe komt de glucose in de vrucht terecht?

a)

Via de bastvaten

b)

Via de houtvaten

c)

Via de bast- en houtvaten.

33.

Wat zijn geen bouwstoffen?

a)

Vitaminen

b)

Eiwitten

c)

Zetmeel

d)

Cellulose

34.

Een prooidier is een abiotische factor.

a)

Juist

b)

Onjuist

35.

Hoe noemen we de groene planten in een voedselketen?

a)

Consumenten

b)

Reducenten

c)

Producenten

d)

Afvaleters

36.

In deze voedselketen is het koolmeesje...

a)

een producent.

b)

een consument van de eerste orde.

c)

een consument van de tweede orde.

d)

een consument van de derde orde.

37.

Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan de niveaus op de juiste manier van klein naar groot?

a)

Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem

b)

Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Populatie - individu - levensgemeenschap - ecosysteem

38.

Welke van onderstaande factoren is biotisch?

a)

Reducenten

b)

Bodemvochtigheid

c)

Waterdiepte

d)

Grondsoort

39.

Welke onderstaande factor is abiotisch?

a)

Predator

b)

Parasiet

c)

Zuurgraad

d)

Prooidier

40.

Wat voor een soort voedselpiramide zie je hier?

a)

Piramide van aantallen.

b)

Piramide van biomassa.

c)

Piramide van energiedoorstroming.

41.
Wat voor een voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming
42.

Welk begrip hoort bij deze beschrijving:

"Alle levende organismen in de rivier. In een rivier leven onder andere vissen, kreeften, insecten en waterplanten."?

a)

Ecosysteem

b)

Individu

c)

Levensgemeenschap

d)

Populatie

43.

Welk begrijp hoort bij deze beschrijving:

"Alle biotische factoren en abiotische factoren in en om de sloot."?

a)

Ecosysteem

b)

Populatie

c)

Individu

d)

Levensgemeenschap

44.

Wat is een voedselweb?

a)

Een reeks van eten en gegeten worden.

b)

Alle biotische factoren in een ecosysteem.

c)

Alle voedselrelaties in een ecosysteem.

45.

Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden.

  • Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.
  • Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.
  • Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.
  • Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.
a)

leerling 1

b)

leerling 2

c)

leerling 3

d)

leerling 4

46.

Wat ontbreekt bij nummer 2?

a)

Consument

b)

Producent

c)

Reducent

d)

Afvaleters

47.

In de duinen langs de Nederlandse kust bevinden zich enkele kolonies met aalscholvers. De vogels van deze kolonies voeden zich vooral met vis uit zee, zoals spiering en schol. Aalscholvers beginnen met voortplantingsgedrag in februari. Ongeveer eind maart vindt de paring plaats.

De vogels maken hun nesten in bomen. Door het steeds maar afbreken van takken en bladeren voor het nest gaan deze bomen binnen vijf jaar dood.


Naar aanleiding van de tekst worden twee uitspraken gedaan. Welke is juist?

a)

De aalscholver is een consument.

b)

Uit de gegevens in de tekst kan een voedselketen worden samengesteld.

48.

In de afbeelding is een deel van een voedselweb van de Noordzee weergegeven. De pijlen naar het schip geven aan dat er ook organismen door de mens gevangen en gegeten worden.


De Noordzee is nogal troebel. Dit wordt veroorzaakt door de grote hoeveelheden plankton. Plankton bestaat uit zeer kleine dierlijke en plantaardige organismen.


Behoort dierlijk plankton tot de producenten? En plantaardig plankton?

a)

Alleen dierlijk plankton behoort tot de producenten.

b)

Alleen plantaardig plankton behoort tot de producenten.

c)

Zowel dierlijk als plantaardig plankton behoren tot de producenten.

49.

In de afbeelding is een kringloop weergegeven.

Pijl 1 geeft aan dat koolstofdioxide wordt opgenomen door producenten.

Bij welk proces verbruiken producenten koolstofdioxide? Welke andere stof wordt bij dit proces ook verbruikt?


Proces waarbij koolstofdioxide verbruikt wordt: ....1.....

Andere stof die bij dit proces gebruikt wordt: ....2.....

a)

1 = fotosynthese / 2 = zuurstof

b)

1 = verbranding / 2 = zuurstof

c)

1 = fotosynthese / 2 = water

d)

1 = verbranding / 2 = water

50.

Welk van de pijlen 3 t/m 7 in de kringloop van afbeelding 12 is in de verkeerde richting getekend?

a)

3

b)

4

c)

5

d)

6

e)

7

51.

Bij een onderzoek werd de totale biomassa bepaald van al het plantenmateriaal dat op een bepaalde composthoop werd gegooid. Na het composteren werd de biomassa van de ontstane compost bepaald. De biomassa vóór en ná het composteren werd vergeleken.


Is ná het composteren de totale biomassa kleiner, gelijk of groter?

a)

Kleiner

b)

Groter

c)

Gelijk

52.

Eiwitten bevatten stikstof. Stikstof komt in de bodem voor in nitraten. Planten nemen deze minerale zouten op en gebruiken ze om eiwitten op te bouwen uit glucose. Dieren kunnen zelf geen eiwitten maken uit glucose en nemen ze op met hun voedsel. Bij de afbraak van eiwitten in dode resten ontstaan weer nitraten.

In de wortels van verschillende plantensoorten leven bacteriën in wortelknolletjes. Deze bacteriën gebruiken stikstof uit de lucht om nitraten op te bouwen.


De informatie hierboven beschrijft een stikstofkringloop. Het schema (zie afbeelding) geeft deze kringloop weer.


Op de plaatsen van de cijfers ontbreken de namen van vier groepen organismen.

Schrijf de cijfers 1, 2, 3 en 4 uit de kringloop op de juiste plaats in de tabel.

a)

dieren = 3 / planten = 2 / rottingsbacteriën = 4 / wortelknolbacteriën = 1

b)

dieren = 2 / planten = 3 / rottingsbacteriën = 4 / wortelknolbacteriën = 1

c)

dieren = 3 / planten = 2 / rottingsbacteriën = 1 / wortelknolbacteriën = 4

d)

dieren = 2 / planten = 3 / rottingsbacteriën = 1 / wortelknolbacteriën = 4

e)

dieren = 1 / planten = 2 / rottingsbacteriën = 3 / wortelknolbacteriën = 4