wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

oefentoets Bloedsomloop immuniteit

Total questions: 48

Worksheet time: 8hrs 0mins

Name
Class
Date
1.

Welke kenmerk hoort NIET bij slagaders?

a)

Liggen diep in het lichaam

b)

Hoge bloeddruk

c)

Dikke elastische wand

d)

Bevat veel kleppen

2.

De afbeelding geeft de doorsnede van een bloedvat uit het been van een mens weer.


Is dit een beenader of beenslagader?

Vervoert dit bloedvat zuurstofarm of zuurstofrijk bloed?

a)

beenader / zuurstofarm

b)

beenslagader / zuurstofarm

c)

beenader / zuurstofrijk

d)

beenslagader / zuurstofrijk

3.

Via deze bloedvaten stroomt het bloed terug naar het hart.

a)

Aders

b)

Slagaders

c)

Haarvaten

4.

Welk van de onderstaande antwoorden geeft een beschrijving van haarvaten?

a)

Hier stroomt zuurstofarm bloed doorheen

b)

Dit zijn geen vertakkingen van de slagaders

c)

Deze is maar één cellaag dik

d)

Deze hebben een hoge bloeddruk

5.

Slagaders komen van het hart af en vervoeren zuurstofrijk bloed

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Alle bloedvaten samen met het hart noem je het bloedvatenstelsel.

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

Aan welke kant van het hart vind je de aorta?

a)

Links

b)

Rechts

8.

Deze liggen meestal diep in je lichaam

a)

Slagader

b)

Haarvat

c)

Ader

9.

Welke kleur heeft zuurstofrijk bloed?

a)

rood

b)

blauw

10.

Bij welk type bloedvat worden zuurstof en voedingstoffen uitgewisseld?

a)

Ader

b)

Haarvat

c)

Slagader

d)

Allemaal

11.

Welke van de bloedvaten is een haarvat?

a)

A

b)

B

c)

C

12.

Bij iemand komt een afwijking van de bloedplaatjes voor, waardoor deze hun inhoud niet kunnen afgegeven.


Wat kan daarvan het gevolg zijn?

a)

het bloed stolt te snel

b)

het bloed kan niet stollen

c)

het bloed kan geen zuurstof vervoeren

d)

het bloed kan een virus niet meer aanvallen

13.

Wat bepaalt een bloedgroep?

a)

De antigenen op de witte bloedcellen

b)

De antigenen op de rode bloedcellen

c)

De antistoffen die je aanmaakt

d)

Er is maar 1 soort bloed

14.

Wat gebeurt er als je de verkeerde bloedgroep krijgt bij een transfusie?

a)

Niks

b)

Rode bloedcellen klonteren

c)

Rode bloedcellen barsten

d)

Witte bloedcellen klonteren

15.
waar bestaat bloed uit?
a)
bloedplasma, bloedcellen en bloedplaatjes
b)
bloedplasma, lymfevloeistof, witte bloedcellen
c)
bloedplasma, bloedcellen, mineralen
d)
zuurstof, koolstofdioxide, bloedplasma
16.
Op deze afbeelding zie je
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
17.
Rode Bloedcellen hebben een celkern en vervoeren zuurstof
a)
Juist
b)
Onjuist
18.
De cel die midden in deze afbeelding ligt, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
19.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
20.
Wat is de functie van bloedplaatjes
a)
bloedgroepen bepalen
b)
afweer
c)
Bloedstolling
d)
Zuurstof en CO2 vervoeren en opnemen
21.

Wat maakt je lichaam aan om het virus te verslaan?

a)

Chromosomen

b)

Bloedcellen

c)

Antistoffen

d)

Antigenen

22.
Als je niet langer gevoelig bent voor een ziekteverwekker, ben je...
a)
Beter
b)
Gezond
c)
Immuun
d)
Resistent
23.
Wat doet een witte bloedcel?
a)
O2 en CO2 vervoeren
b)
Ziekteverwekkers aanvallen
c)
Deze zijn paars
24.

Bij een vaccinatie worden er verzwakte of dode ziekteverwekkers binnengebracht zodat je witte bloedcellen afweerstoffen gaan maken.

a)

Juist

b)

Onjuist

25.

Natuurlijk immuniteit is...

a)

wanneer je natuurlijke antistoffen ingespoten krijgt

b)

wanneer je kunstmatige antistoffen ingespoten krijgt

c)

wanneer je zelf natuurlijke antistoffen maakt

d)

wanneer je zelf kunstmatige antistoffen maakt

26.

Kunstmatige immuniteit is...

a)

...als je een vaccin toegediend krijgt

b)

...als je witte bloedcellen ingespoten krijgt

c)

...als jouw lichaam zelf antistoffen aanmaakt na een vaccinatie

d)

... als jouw lichaam zelf antigenen aanmaakt na een vaccinatie

27.

Door een vaccin word je net zo ziek als door de echte ziekte

a)

Waar, je lichaam reageert hetzelfde als op de echte ziekte

b)

Niet waar, je wordt minder ziek

28.

Welke 2 bloed toevoerende bloedvaten heeft de lever?

a)

leverader en de poortader

b)

leverslagader en de poortader

c)

leverader en leverslagader

d)

kransleverader en de poortader

29.

De eiwitten op de buitenkant van een cel die dienen ter herkenning heten.....

a)

antistoffen

b)

antigenen

c)

geheugencellen

30.

De antistoffen die een baby binnenkrijgt tijdens borstvoeding is een voorbeeld van...?

a)

kunstmatige actieve immuniteit

b)

natuurlijke actieve immuniteit

c)

natuurlijke passieve immuniteit

d)

kunstmatige passieve immuniteit

31.

Welke antistof tref je aan in het bloed van iemand met bloedgroep A

a)

anti A

b)

anti B

c)

anti A en anti B

d)

geen

32.

Welke antigenen kun je verwachten bij bloedgroep 0?

a)

antigeen A en B

b)

geen

c)

Antigeen A

d)

Antigeen B

33.

Stof waardoor een bloedvat nauwer kan worden.

a)

trombose

b)

cholesterol

c)

dierlijke voedingsmiddelen

d)

plantaardige voedingsmiddelen

e)

slagaderverkalking

34.

Heeft iemand die rookt meer kans op hart- en vaatziekten??

a)

Juist

b)

Onjuist

35.

Heeft iemand met overgewicht meer kans op een hartinfarct dan iemand met een normaal gewicht?

a)

Juist

b)

Onjuist

36.

Door stress verloopt het proces slagaderverkalking sneller.

a)

Juist

b)

Onjuist

37.

Wat is bloeddruk?

a)

De druk van het bloed tegen de wand van bloedvaten

b)

De pompkracht van het hart

c)

Heeft iets te doen met aders

38.

De bloedsomloop bij de mens noemen we een dubbele bloedsomloop, omdat

a)

er blauw en rood bloed is

b)

het hart twee helften heeft

c)

het bloed per omloop 2 keer door het hart stroomt

d)

de mens symmetrisch is en dus uit twee gelijke helften bestaat

39.

Bloed dat rijk is aan zuurstof en voedingsstoffen stroomt door de ………… naar de hartspier. Wat staat op de ….. ?

a)

kransslagader

b)

aorta

c)

longader

d)

holle ader

40.

Wat is de juiste volgorde?


1: Witte bloedcellen die antistof maken gaan zich snel delen . Er komen veel antistoffen in het bloed.

2. Ziekteverwekker komt in je lichaam

3. Vreetcellen sluiten gekoppelde ziekteverwekkers in en verteren ze.

4. Witte bloedcel type 2 maken passende antistoffen

5. Antistoffen koppelen ziekteverwekkers aan elkaar.

a)

3 - 5 - 4 - 1 - 3

b)

2 - 4 - 5 - 1 - 3

c)

2 - 4 - 1 - 5 - 3

d)

2 - 1 - 4 - 3 - 5

41.

Bloed bestaat uit

a)

45% bloedplasma + 50% rode, witte bloedcellen en bloedplaatjes + 2 % opgeloste stoffen

b)

55% bloedplasma + 45% rode en witte bloedcellen

c)

91% water + 7% plasma-eiwitten en 2% opgeloste stoffen

d)

45% rode, witte bloedcellen en bloedplaatjes + 55% bloedplasma

e)

7% plasma-eiwitten, 2% opgeloste stoffen, 55 % witte bloedcellen en 45% rode bloedcellen

42.

Bloedplasma bestaat uit (a) water (b) plasma-eiwitten en (c) opgeloste stoffen. Welle percentages komen bij a, b en c te staan?

a)

a=2% , b=91% , c=7%

b)

a=91% , b=7% , c=2%

c)

a=2% , b=7% , c=91%

d)

a=91% , b=2% , c=7%

43.

Deze cellen bevatten hemoglobine

a)

rode bloedcellen

b)

witte bloedcellen

c)

bloedplaatjes

d)

lichaamscellen

44.

Dit eiwit heeft een functie bij het stollen van bloed

a)

fibrinogeen

b)

hemoglobine

c)

trombose

d)

stollings-eiwit

45.

Wie heeft er een celkern?

a)

rode bloedcel

b)

witte bloedcel

c)

bloedplaatje

46.

De linker helft van het hart pompt bloed door de organen in het hele lichaam

a)

juist

b)

onjuist

47.

Wat moet er bij 10 staan

a)

longaders

b)

longslagaders

c)

aorta

d)

holle ader

48.

Wat moet er bij 1 staan

a)

longader

b)

longslagader

c)

aorta

d)

holle ader